Dynamisch

Zoogdieren – inleiding: kenmerken, groepen en de drie polen

Wat een zoogdier tot zoogdier maakt
Illustratie bij: Wat een zoogdier tot zoogdier maakt

Zoogdieren zijn de diergroep waartoe ook de mens behoort. Een muis, een leeuw, een koe en een walvis lijken weinig met elkaar gemeen te hebben, en toch delen ze een reeks kenmerken die geen andere diergroep in deze combinatie heeft. Deze pagina beschrijft eerst wat een zoogdier tot zoogdier maakt. Daarna volgt hoe de zoogdierpagina's van deze site zijn opgebouwd, en ten slotte de manier van kijken die op al die pagina's terugkeert: de gestalte van het dier gelezen vanuit kop, romp en ledematen.

Wat een zoogdier tot zoogdier maakt

Het kenmerk dat de groep zijn naam geeft, is het zogen. Vrouwelijke zoogdieren hebben melkklieren en voeden hun jongen in de eerste levensfase met melk. Daardoor is er bij alle zoogdieren een periode waarin het jong volledig van de moeder afhankelijk is, en in die periode leert het jong ook veel van haar.

Een tweede kenmerk is het haar. Geen enkele andere diergroep heeft haren. Bij sommige soorten is er weinig van over, zoals bij walvissen, olifanten of de naakte molrat, maar in de aanleg is het er. Haar isoleert, en dat hangt samen met een derde kenmerk: zoogdieren zijn warmbloedig. Ze houden hun lichaamstemperatuur van binnenuit op peil, los van de temperatuur van de omgeving. Vogels doen dat ook, maar zij hebben veren in plaats van haar en hebben die eigenschap langs een andere weg ontwikkeld.

Verder zijn er kenmerken in het skelet die alleen specialisten direct zien, maar die veel zeggen:

  • De onderkaak bestaat uit één enkel bot aan elke kant. Bij reptielen bestaat hij uit meerdere botten.
  • In het middenoor liggen drie gehoorbeentjes: hamer, aambeeld en stijgbeugel. Hamer en aambeeld zijn in de evolutie ontstaan uit botjes die bij de voorouders van de zoogdieren nog deel uitmaakten van het kaakgewricht.
  • Het gebit is gedifferentieerd in snijtanden, hoektanden, voorkiezen en kiezen, en bij de meeste soorten wordt een melkgebit één keer vervangen door een blijvend gebit.
  • Bijna alle zoogdieren hebben zeven halswervels, of het nu om een muis of om een giraf gaat. Alleen enkele luiaards en de lamantijnen wijken daarvan af.

Een middenrif scheidt de borstholte van de buikholte, het hart heeft vier kamers en de hersenen hebben een sterk ontwikkelde hersenschors. Dat alles maakt een gelijkmatige, hoge stofwisseling en een wendbaar gedrag mogelijk.

Naar de voortplanting worden drie groepen onderscheiden. De cloacadieren, het vogelbekdier en de mierenegels, leggen eieren en zogen de jongen daarna. Buideldieren, zoals kangoeroes en opossums, brengen zeer kleine jongen ter wereld die in een buidel verder groeien. De verreweg grootste groep zijn de placentadieren, bij wie het jong in de baarmoeder via een placenta wordt gevoed. Alle dieren op de zoogdierpagina's van deze site zijn placentadieren.

Er zijn ruim zesduizend soorten zoogdieren. Ongeveer twee op de vijf daarvan zijn knaagdieren, ongeveer een vijfde zijn vleermuizen. Hoefdieren en roofdieren zijn in aantal soorten veel kleinere groepen, maar het zijn de dieren die de mens het best kent: als huisdier, als landbouwdier en als het grote wild van de savanne.

Hoe de zoogdierpagina's zijn opgebouwd

De pagina's over zoogdieren volgen de drie grote groepen die in de vergelijking van muis, leeuw en koe naar voren komen: knaagdieren, roofdieren en hoefdieren. Binnen die groepen gaan ze steeds verder in op kleinere eenheden.

Hoe de zoogdierpagina's zijn opgebouwd
Illustratie bij: Hoe de zoogdierpagina's zijn opgebouwd

Twee vergelijkingspagina's

De pagina muis – leeuw – koe is het vertrekpunt. Daar worden een knaagdier, een roofdier en een hoefdier naast elkaar gelegd: hun gedrag, zintuigen, ademhaling en hartslag, spijsvertering, gebit, ledematen en voortplanting. De muis staat daarbij voor de knaagdieren; een eigen pagina per knaagdiergroep is er niet.

De pagina paard – varken – koe doet hetzelfde binnen de hoefdieren. Het paard, het varken en de koe vertegenwoordigen de drie grote groepen hoefdieren: de onevenhoevigen, de varkensachtigen en de herkauwers.

Hoefdieren

De hoefdieren krijgen de meeste pagina's, omdat ze onderling zo sterk verschillen:

Een aparte pagina over hoorns en geweien vergelijkt de hoorn van de giraf, het gewei van de herten en de holle hoorn van runderen, geiten en antilopen.

Roofdieren

Bij de roofdieren staan twee pagina's. Hond en kat vergelijkt de twee bekendste roofdieren, hun wilde voorouders en de manier waarop ze huisdier werden. Marterachtigen bespreekt de Nederlandse soorten, van de wezel tot de das.

Kop, romp en ledematen als drie polen

Op alle zoogdierpagina's keert dezelfde manier van kijken terug. Die gaat terug op de fenomenologische zoölogie die in de lijn van Goethe en Rudolf Steiner is ontwikkeld, en is voor de zoogdieren vooral uitgewerkt door de bioloog Wolfgang Schad in zijn boek Säugetiere und Mensch (1971). Het is geen alternatief voor de gangbare systematiek, die de dieren indeelt naar afstamming. Het is een tweede blik, die vraagt hoe een dier als gestalte in elkaar zit.

Het uitgangspunt is de mens. Daarin zijn drie gebieden te onderscheiden, die elk een eigen karakter hebben. De kop is het gebied van de zintuigen en het zenuwstelsel. Hij is relatief rustig, omsloten door een harde schedel, en naar buiten gericht in het waarnemen. De ledematen en de organen van de stofwisseling vormen de tegenpool. Daar is beweging, afbraak en opbouw van stoffen, warmte en wil. Tussen beide ligt de romp met hart en longen. Daar overheerst het ritme van ademhaling en hartslag, dat voortdurend tussen de twee polen bemiddelt. Steiner noemde dit de driegeleding van de mens, met een zenuw-zintuigstelsel, een ritmisch stelsel en een stofwisseling-ledematenstelsel. Over deze opvatting gaat de pagina over de driegeleding van de mens.

Bij de mens zijn de drie gebieden min of meer in evenwicht. Bij dieren is dat niet zo. Wie de gestalte van een dier als geheel bekijkt, ziet dat één van de drie de overhand heeft en het hele dier doortrekt.

De knaagdieren: de kop overheerst

De muis is klein, heeft grote ogen, oren en tastharen, en reageert op elke prikkel. Hart en ademhaling gaan zeer snel, het dier leeft kort en vermenigvuldigt zich snel. Het gebit wordt beheerst door de doorgroeiende snijtanden. In deze manier van kijken is het hele lichaam van het knaagdier als het ware van het zenuw-zintuigkarakter doortrokken. Daarom worden de knaagdieren de zenuw-zintuigdieren onder de zoogdieren genoemd.

De hoefdieren: stofwisseling en ledematen overheersen

De koe is het tegenbeeld. Ze is groot, heeft een lang spijsverteringskanaal met vier magen en besteedt een groot deel van de dag aan eten en herkauwen. De ledematen zijn lang en eindigen in hoeven: er lopen alleen nog nagels van de tenen op de grond. Op de kop dragen veel hoefdieren hoorns of een gewei. De zintuigen zijn goed, maar het dier reageert trager en rustiger dan een muis. De hoefdieren gelden in deze benadering als de stofwisseling-ledematendieren.

De roofdieren: het ritme in het midden

De leeuw staat daartussen. Hij heeft een groot hart en grote longen, verteert zijn voedsel snel en wisselt lange perioden van rust af met korte, heftige actie. De vacht is bij veel roofdieren gevlekt of gestreept, het gebit wordt beheerst door de hoektanden, en mannetjes en vrouwtjes verschillen vaak sterk. Roofdieren worden daarom de hart-longdieren onder de zoogdieren genoemd.

De driedeling herhaalt zich

Het opvallende van deze manier van kijken is dat de driedeling zich binnen elke groep herhaalt. Binnen de hoefdieren staat het paard, rank, met de kop hoog en een lichte onderzijde, aan de kant van de zintuigen. Het varken, plomp, met hoektanden en gestreepte jongen, staat in het midden. De koe is ook binnen de hoefdieren de stofwisselingspool.

Kop, romp en ledematen als drie polen
Illustratie bij: Kop, romp en ledematen als drie polen

Binnen de herkauwers keert het patroon terug in de kamelen, de dwergherten en de hoorn- en geweidragers, en binnen die laatste groep in de giraf, de herten en de holhoornigen. Bij de antilopen gaat het zelfs nog een stap verder: de gazellen, de middengroep van dwergantilopen, duikers en schroefhoornantilopen, en de grazende antilopen, waarbinnen zich opnieuw drie groepen aftekenen.

Steeds wordt daarbij op dezelfde soort kenmerken gelet:

  • de gestalte: is het dier achteraan hoger of vooraan, draagt het de kop hoog of laag, zijn de poten lang of kort;
  • de vachtkleur: een lichte onderzijde, strepen en vlekken, of een egaal donkere kleur;
  • de hoorns: recht en klein, vertakt, of zwaar en opzij gebogen;
  • het voedsel en de spijsvertering: een fijnproever die hoogwaardig voedsel selecteert, een variabele eter, of een grazer van laagwaardig gras;
  • het gedrag: nieuwsgierig en schrikachtig, agressief en sociaal, of rustig en ingekeerd.

Geen van die kenmerken bewijst op zichzelf iets. Het beeld ontstaat pas als ze samen worden bekeken en in dezelfde richting wijzen. Soms wijzen ze niet dezelfde kant op, en dan zegt de pagina dat ook: bij de gaur bijvoorbeeld pleit het donkere, zware lichaam voor de stofwisselingspool, terwijl de lange poten en de dunne hals de andere kant op wijzen.

Een manier van kijken, geen verklaring

Wat de pagina's beschrijven over bouw, voedsel, gedrag en leefgebied, is gewone zoölogie en hoort te kloppen. De indeling in drie polen is iets anders. Het is een manier om samenhangen te zien die een lijst van losse kenmerken niet laat zien, en ze zegt niets over hoe die kenmerken in de evolutie zijn ontstaan. Wie wil weten waarom een giraf een lange nek heeft, vindt het antwoord in de biologie van voedsel, concurrentie en seksuele selectie. Wie wil zien wat die lange nek betekent in het geheel van het dier, kan de giraf naast de okapi, het paard en de gnoe leggen.

Een goede eerste stap is de pagina muis – leeuw – koe, en daarna paard – varken – koe. Wie daarna de runderen en de antilopen leest, herkent in de kleine duiker, die bij gevaar in het struikgewas wegspringt, en in de zware gnoe die met laaggehouden kop over de savanne trekt, de twee polen die in de muis en de koe al zichtbaar werden.

Veelgestelde vragen

Wat maakt een dier tot een zoogdier?

Zoogdieren zogen hun jongen met melk uit melkklieren, hebben haar en zijn warmbloedig. In het skelet vallen de onderkaak uit één bot en de drie gehoorbeentjes in het middenoor op. Bijna alle zoogdieren hebben bovendien zeven halswervels en een gebit met snijtanden, hoektanden en kiezen.

Hoeveel soorten zoogdieren zijn er?

Er zijn ruim zesduizend soorten zoogdieren. Ongeveer twee op de vijf daarvan zijn knaagdieren en ongeveer een vijfde zijn vleermuizen. Hoefdieren en roofdieren zijn in aantal soorten veel kleinere groepen.

Leggen alle zoogdieren levende jongen?

Nee. Het vogelbekdier en de mierenegels, de cloacadieren, leggen eieren en zogen de jongen na het uitkomen. Buideldieren brengen zeer kleine jongen ter wereld die in een buidel verder groeien. De meeste zoogdieren zijn placentadieren.

Hebben alle zoogdieren zeven halswervels?

Bijna alle, van muis tot giraf. Alleen enkele soorten luiaards en de lamantijnen hebben er meer of minder. Bij de giraf zijn de zeven wervels alleen veel langer.

Waarom zijn vogels geen zoogdieren, hoewel ze ook warmbloedig zijn?

Vogels zijn warmbloedig, maar hebben veren in plaats van haar, leggen eieren met een harde schaal en zogen hun jongen niet. Hun warmbloedigheid is langs een andere evolutionaire weg ontstaan dan die van de zoogdieren.

Wat betekent de driegeleding bij zoogdieren?

In de driegeleding wordt de mens beschouwd als opgebouwd uit een zenuw-zintuiggebied (de kop), een ritmisch gebied (hart en longen in de romp) en een stofwisseling-ledematengebied. In de fenomenologische zoölogie wordt gekeken welk van die drie bij een dier de overhand heeft. Knaagdieren gelden dan als zenuw-zintuigdieren, roofdieren als hart-longdieren en hoefdieren als stofwisseling-ledematendieren.

Is de indeling in drie polen wetenschappelijk bewezen?

Nee. De indeling in drie polen is een manier van kijken naar de gestalte als geheel, geen verklaring en geen onderdeel van de gangbare systematiek. Die deelt de dieren in naar afstamming. De feiten over bouw, voedsel en gedrag op de zoogdierpagina's zijn wel gewone zoölogie.

Wie heeft deze manier van kijken naar zoogdieren ontwikkeld?

Ze gaat terug op de fenomenologische benadering in de lijn van Goethe en Rudolf Steiner. Voor de zoogdieren is ze vooral uitgewerkt door de bioloog Wolfgang Schad in zijn boek Säugetiere und Mensch uit 1971.

Waarom zijn er zoveel pagina's over hoefdieren?

Hoefdieren verschillen onderling sterk in bouw, hoorns en spijsvertering, van paard en neushoorn tot giraf, rund en gazelle. Daardoor is de herhaling van de driedeling binnen de groep goed te volgen. Er zijn pagina's over onevenhoevigen, varkensachtigen, herkauwers, giraf, edelhert en gnoe, runderen, geitachtigen en antilopen.

Met welke zoogdierpagina is het best te beginnen?

Een goed vertrekpunt is de vergelijking muis – leeuw – koe, waarin de drie grote groepen naast elkaar staan. Daarna volgt paard – varken – koe voor de hoefdieren, en vandaar de pagina's over de afzonderlijke groepen.

↑