Kunnen ook de hoorn- en geweidragers in drie groepen worden ingedeeld? Ze lopen alle op twee hoeven en hebben als herkauwers een gespecialiseerd spijsverteringskanaal met vier magen. En ze hebben hoorns of een gewei.
Wie naar hun hoorns kijkt, kan drie groepen onderscheiden: herten, giraffen en holhoornigen (antilopen, geiten en runderen). Ook in de gangbare indeling worden deze drie groepen onderscheiden.
De giraf heeft alleen de okapi in zijn groep. Er zijn circa 40 soorten herten en ongeveer 150 soorten holhoornigen (antilopen, geiten en runderen). In die twee groepen is er een behoorlijke verscheidenheid in soorten. Ter vergelijking wordt de giraf hier naast het edelhert en de blauwe gnoe gelegd. Soms komt de hele groep aan de orde. De bouw van hoorn en gewei wordt verder uitgewerkt op de pagina over hoorns en geweien.
Gedrag
Giraf
Giraffen leven in half open gebieden met een afwisseling van bos, vrijstaande bomen, struiken en grasland. Ze vormen losse groepen waarvan de samenstelling steeds wisselt; soms lopen er tientallen dieren bij elkaar.
Een giraf loopt met een lichte en soepele tred en kan in galop 50 – 60 km per uur halen. Het is een telganger, de rechter voorpoot verlaat de grond onmiddellijk nadat de rechter achterpoot zich verheft, waardoor hij in staat is om grote stappen te nemen. De dieren rusten veelal staand, slechts korte tijd liggen ze en dan hebben ze hun nek vaak rechtop. Slechts af en toe leggen ze hun kop neer en dan nog niet langer dan vijf minuten achtereen. Ze slapen weinig.
Vechten om de rangorde te bepalen doen ze met hun nek. Ze slaan met de nek en kop tegen de nek van het andere dier. Wie de sterkste nek heeft wint. Wanneer ze zich verdedigen schoppen ze met de voorpoten. Wanneer ze een leeuw zien, dan kijken ze naar hem, net zo lang tot hij afdruipt.
Edelhert
Het edelhert heeft een voorkeur voor half open landschap met een afwisseling van bos met grasland, waar hij zich voedt. Ze zijn de hele dag actief, maar in gebieden met veel menselijke activiteit laten ze zich vooral vroeg in de ochtend en laat in de avond zien. 's Ochtends gaan ze meestal naar de graslanden om te grazen. Ze voeden zich met gras, kruiden, boomschors, wortels, knoppen en bladeren en landbouwgewassen. Grassen en kruiden vormen de hoofdmoot van het dieet.
Buiten de bronstperiode leven mannelijke en vrouwelijke dieren met kalveren gescheiden van elkaar in roedelverbanden. De sociale band is sterk. Zeker in de vrouwelijke roedels bestaan veel familierelaties. Het roedel wordt geleid door een volwassen hinde, de leidhinde. Zij beslist alles en de andere leden van het roedel volgen haar blindelings. Bij hertenroedels zijn rangorde en familiebanden minder sterk.
Mannelijke edelherten ‘burlen’ in de bronsttijd om hun harem bij elkaar te houden. De hindes worden aangetrokken door de mannetjes die het vaakst en luidst burlen. Mannetjes gebruiken het burlen ook om dominantie vast te stellen als ze met elkaar in competitie zijn om de hindes, samen met imponeergedrag met het gewei en met geweigevechten. Ze burlen meestal ’s morgens vroeg en in de schemering.
Gnoe
De blauwe gnoe komt voor op open steppen, grasvlakten en licht beboste gebieden in Afrika. Hij heeft een voorkeur voor kort gras, zijn enige voedselbron. Hij loopt rustig als hij graast. Er is altijd water in zijn omgeving te vinden. Hij drinkt minstens twee keer per dag. Hij is de gehele dag door actief, maar rust tijdens de heetste uren van de dag.
In gebieden waar kort gras of water seizoensafhankelijk zijn trekken gnoes. Ze grazen op het meest fosfaatrijke gras en volgen dat. Gnoes leven dan in grote kuddes, die continu bewegen tussen de gebieden waar gras groeit. Ze blijven in een gebied tot dit is uitgeput en trekken dan weer verder. Bij deze trek blijven de dieren meestal de roofdieren voor. Ze leggen jaarlijks honderden kilometers af. Tijdens de trek kan een kudde gnoes zich over tientallen kilometers uitstrekken. In gebieden waar gnoes niet hoeven te migreren, leven de dieren in groepjes van vrouwtjes met hun jongen. Als er toch water- of grasschaarste ontstaat, voegen deze groepjes zich bij elkaar tot grote kuddes en gaan ze kortstondig migreren.
Als de dieren samenkomen en grote kudden vormen begint de bronsttijd, waarbij de mannetjes elkaar proberen weg te houden van de tochtige vrouwtjes. In de tijdelijke woongebieden die worden aangedaan tijdens de trek vormen zich kleine territoria, die worden verdedigd met geluiden, geur, huppels en hoofdgeschud.
Lichaamskenmerken
Lichaamsvorm van de giraf
De giraf is een eigenaardig gebouwd dier. Het is de langste of hoogste en verhoudingsgewijs kortste (van kop tot staart) van alle zoogdieren. Vanaf de grond tot aan het eind van de hoorns kunnen stieren een hoogte bereiken van 5,80 m. De schofthoogte is dan 3,30 m en het gewicht van de mannetjes is gemiddeld 1200 kg. Koeien zijn kleiner. Het lichaam loopt naar achteren af.
De nek is zeer lang en heeft toch evenveel halswervels als de mens en bijna alle andere zoogdieren: zeven. De voorpoten (1,80 m) zijn bijzonder lang en langer dan de achterpoten. Met name de onderste delen van de poten zijn de lengte ingegaan (meer dan bij het paard en andere herkauwers). De hoeven kunnen 30 cm in doorsnede worden. De hoeven hebben geen bijklauwen. De staart is lang en voorzien van een lange zwarte pluim. De kop is slank en lang, met name de onderkaak (het ledematendeel in de kop) is lang. Ook de 45 cm lange tong valt op.
Hoewel de nek lang is, is hij feitelijk toch kort in relatie tot de poten. Om bij de grond te komen en te drinken moet een giraf zijn poten wijd uit elkaar zetten. Hij kan dan slecht wegkomen en is behoorlijk hulpeloos voor vijanden.
Lichaamsvorm van het edelhert
Edelherten hebben een harmonieus, sierlijk lichaam met een relatief lange hals, lange poten, een korte staart en een hoekige kop. De rug loopt ongeveer recht en het mannetje heeft manen. De kop komt relatief hoog boven de ruglijn uit. Op de kop staat een groot bolvormig gewei.
De schofthoogte is ca. 1,30 m en het gewicht van mannetjes is ca. 250 kilo. Hindes zijn een stuk kleiner en wegen 150 kilo. Zij hebben geen gewei en ook geen schoft.
Lichaamsvorm van de gnoe
De blauwe gnoe is een grote antilope met een lange, slanke, omlaag gerichte kop. De bek is weer breder. De poten zijn slank. De voorpoten zijn langer dan de achterpoten. Het achterdeel van het lichaam is kleiner dan het voorste deel. Mede door de schoft loopt de rug van achter naar voor op. In postuur doet hij door de gespierde voorhand denken aan een kleine bizon op lange poten.
De gnoe wordt circa 2 m lang met een staart van 60 tot 100 centimeter. Hij heeft een schofthoogte van 1,4 m. Mannetjes worden circa 250 kilo zwaar, vrouwtjes 30 kilo minder.
Kleur van de vacht
Giraffen zijn bruin netvormig gevlekt en hebben een lichte onderzijde. Ondersoorten worden onderscheiden door kleurvariaties van het patroon. Op de nek lopen korte, stijve manen.
Herten zijn van licht roodbruin tot donkerbruin gekleurd. Veel soorten zijn gevlekt (o.a. damhert, sikahert). Van veel soorten is het kalf gevlekt (o.a. ree, witstaarthert, edelhert) en verdwijnen de vlekken later.
Het edelhert wordt gevlekt geboren. In volwassen toestand is het dier bruin met een lichte onderkant. Mannetjes hebben manen.
Holhoornigen zijn van wit tot zwart gekleurd, veel soorten zijn bruin. Vlekken komen, ook bij jonge dieren, niet voor, wel strepen. Veel antilopesoorten hebben een kop- of poottekening.
Jonge gnoes zijn bruin. Volwassen dieren zijn egaal blauw-grijs tot lichtgrijs. De rug is lichter van kleur dan de flanken en de onderzijde. Over de nek en rug lopen enkele donkere strepen. Kop en staart zijn zwart. De poten zijn okerkleurig tot bruin. De manen zijn zwart en hangen in slierten over de nek. Mannetjes zijn donkerder dan de vrouwtjes.
Hoorns en gewei
Giraf
Op het hoofd van een giraf staan twee korte, rechte, aan het eind stompe hoorns. Om de hoorns zit zachte huid en aan de bovenkant een krans van haren. Aan de uiteinden is het bot vaak zichtbaar. Bij stieren kunnen er door afzetting van kalk nog drie bulten of hoorns bijkomen, twee achter op de schedel en een op het voorhoofd voor de hoorns. De schedel van de stieren kan door al deze hoorns sterk verbenen en zwaar worden. De giraf wordt al met hoorns geboren. Ze liggen dan plat en zijn bij de geboorte nog niet verbonden met de schedel. Na de geboorte richten ze zich op.
Herten
Geweien komen alleen bij de mannetjes voor, alleen bij het rendier heeft een vrouwtje ook een gewei. Het gewei van een hert bestaat uit vertakt, kaal bot en staat bovenop de schedel. Het voelt koud aan en is levenloos. Het wordt ieder jaar opnieuw gevormd en wordt na enige maanden weer afgeworpen. Tijdens de groei heet het gewei een bastgewei. Het gewei lijkt dan op de hoorn van een giraf. Van binnen naar buiten is er bot (dat snel wordt afgezet en verbeent), aderen en zenuwen en aan de buitenkant de huid. Als het gewei is volgroeid dan sterft de huid af en wordt afgeveegd. Het aantal takken of einden neemt toe met de leeftijd. De vorm van het gewei is bij iedere soort anders.
Het edelhert heeft een bolvormig gewei met een groot aantal einden, dat met de jaren toeneemt, al zegt het aantal einden niet precies hoe oud een hert is.
Holhoornigen
Hoorns komen veelal bij beide geslachten voor en ontstaan na de geboorte. Hoorns van holhoornigen zijn levend. Om een levende beenpit zitten bloedvaten en zenuwen en aan de buitenkant is er een verhoornde laag. Aan de basis van de hoorn kan men de temperatuur van het dier voelen. Holten in de beenpit staan in verbinding met de voorhoofdsholte. Hoorns lopen altijd uit in een punt. Ze kunnen verschillende vormen hebben, van recht, via gebogen naar een inwikkelende spiraal. De hoorns kunnen glad zijn, geribbeld of met een schroef.
De gladde hoorns van de gnoe staan boven op de kop en buigen meteen naar de zijkanten en daarna weer naar binnen. Bij mannetjes kan de spanwijdte ruim 80 cm bedragen, bij de wijfjes is die duidelijk kleiner.
Verschillen
De verschillen van een giraf met holhoornigen zijn dat:
- de huid van de hoorn van een rund verhoornd is en die van de giraf zacht blijft;
- de hoorn van een rund uitloopt in een punt en die van een giraf recht en stomp is;
- hoorns van holhoornigen vaak inwikkelen en van de giraf recht zijn;
- bij runderen de hoornlaag de gehele hoorn bekleedt, terwijl bij de giraf de hoorn met gewone huid is bedekt en bovenaan een krans van haren staat;
- een giraf met hoorns wordt geboren en ze bij holhoornigen pas na de geboorte ontstaan;
- runderen twee hoorns hebben en mannelijke giraffen twee hoorns en tot drie verbeningen.
| kenmerk | giraffen | herten | rund, geit, antilope |
|---|---|---|---|
| lagen | 3 | 3 bij groei, daarna 1 (bot) | 3 |
| dood, levend | levend | dood | levend |
| opperhuid | soepel | soepel bij groei, sterft af, wordt geveegd | verhoornd |
| groei | permanent | jaarlijks | permanent |
| aantal | 2 – 5 | 2, alleen bij mannetjes, m.u.v. rendier | 2 |
| vorm | recht | vertakt, uitwaaierend | inwikkelende spiraal |
Voedsel
Giraffen zijn strikte bladeters, alleen als er geen bladeren zijn grazen ze. Ze zijn hierbij erg kieskeurig. Het grootste deel van hun voedsel bestaat uit bladeren van bomen en struiken. Ook bloemen, peulen en vruchten worden gegeten. Dit voedsel bevat veel waardevolle stoffen, namelijk 15% eiwit, terwijl gras ca 6% bevat; ook zit er minder cellulose in, waardoor de verteerbaarheid beter is.
Ze verzamelen het voedsel door bij bomen met veel stekels, zoals de acacia, de blaadjes en groeipunten een voor een af te bijten. De lange tong en de gevoelige lippen worden gebruikt om het materiaal naar de bek toe te halen. Doornloze takken worden door de bek getrokken, waarbij de bladeren worden afgerist. Koeien zoeken ongeveer 55% van de dag naar voedsel, stieren 45%. Stieren consumeren ongeveer 19 kg droge stof of 66 kg vers materiaal per dag, koeien wat minder. Stieren eten met de kop omhoog, koeien met de kop omlaag.
Edelherten zijn variabele eters, zij zitten qua voedselstrategie tussen echte grazers, zoals runderen, en echte fijnproevers, zoals reeën, in. Dit maakt dat zij in vele biotopen kunnen voorkomen.
De gnoe eet kort, groen, voedselrijk gras en is een pure grazer.
Spijsverteringskanaal
De lengte van het darmkanaal bedraagt bij de giraf 77 meter, dat is langer dan bij het rund. Het is ca. 30 x de lichaamslengte. Opvallend zijn de (in vergelijking met runderen) minder gespierde pens van ca. 100 liter en dat de dikke darm 33% uitmaakt van de totale darm. Dit is veel meer dan bij het rund waar het slechts 16% is. In de dikke darm vindt nog veel vertering plaats. De spijsvertering is minder naar voren gegaan dan bij runderen.
De lange dikke darm heeft de giraf gemeen met alle ‘fijnproevers of concentrate feeders’, soorten die hun voedsel selecteren en meer bladeren en knoppen dan gras eten. De lange dunne darm komt voor bij grazers. In vergelijking met andere fijnproevers is de dikke darm van de giraf nog extra lang (gegevens uit Hofmann, 1989).
Bij het edelhert is het spijsverteringskanaal 15 - 20 x de lichaamslengte.
Gebit
Giraffen hebben snij- en hoektanden in de onderkaak, samen vormen ze een halve cirkel. De hoektanden zijn in tweeën of drieën gesplitst.
Bij herten komen in de bovenkaak soms hoektanden voor, in de onderkaak altijd. De snijtanden in de bovenkaak ontbreken. Bij sommige soorten, zoals muntjak, waterree en muskusdier zijn de bovenste hoektanden uitgegroeid tot ware slagtanden. Het edelhert heeft kleine hoektanden in boven- en onderkaak.
Het gebit van de gnoe is geschikt om kort gras af te bijten, langer gras laten ze staan. In de bovenkaak ontbreken de snij- en hoektanden. In de onderkaak staan de hoektanden naast de snijtanden. De snijtanden zijn lang en breed, de 2 binnenste spadevormig.
Zintuigen
Het best ontwikkelde zintuig van de giraf is het gezichtsvermogen, de ogen zijn groot. Ook reuk en gehoor zijn goed ontwikkeld. Bij het zien van een mens blijft een giraf onbeweeglijk achter de begroeiing staan, wanneer hij een leeuw opmerkt, komt hij te voorschijn en strekt de hals om het dier niet uit het oog te verliezen: de leeuw valt dan niet aan, omdat hij weet dat hij gezien is.
De zintuigen van het edelhert zijn bijzonder goed ontwikkeld, beweging wordt op verre afstand opgemerkt, een vreemd geluid direct herkend en de reukzin is zeer goed ontwikkeld. Negatieve ervaringen worden goed onthouden, maar edelherten zijn ook heel goed in staat positieve ervaringen te onthouden, of vaste geluiden te herkennen. Zo kunnen mensen die op de A 50 in de file staan tussen Hoenderloo en Arnhem soms herten waarnemen op enkele tientallen meters van de snelweg, zij weten dat auto's geen gevaar vormen en hier elke dag rijden. Alle snelwegen op en langs de Veluwe zijn in verband met de verkeersveiligheid uitgerasterd. Zou iemand over het raster klimmen, dan zouden de dieren direct vluchten.
Zien, reuk en gehoor zijn goed ontwikkeld bij gnoes. De ogen zijn relatief klein. Communicatie vindt plaats via geluid.
Indeling
Welke van de drie groepen: giraffen, herten en holhoornigen zijn te onderscheiden als de zenuw-zintuigdieren, de hart-longdieren en de stofwisseling-ledematendieren? Daarvoor is na te gaan of de drie groepen op dezelfde manier kunnen worden gekarakteriseerd als de andere diergroepen op deze site. Welke van de drie is dan meer naar buiten gericht en heeft de nadruk op de ledematen, welke heeft de nadruk meer op de stofwisseling en is naar binnen gericht en welke neemt de tussenpositie in?
Hart-longdieren
Voor de tussenpositie ligt het voor de hand uit te gaan van de kenmerken van de roofdieren in afgezwakte vorm, omdat alle hoefdieren al tot de stofwisseling-ledematendieren worden gerekend. Als roofdierkenmerken gelden (zie muis – leeuw – koe):
- het eten van vlees,
- de aanwezigheid van grote hoektanden,
- de gestreepte of gevlekte vacht,
- een groot verschil tussen mannetjes en vrouwtjes (seksueel dimorfisme) en
- de afwisseling van agressie en rust.
Bij de giraf en de antilopen, geiten en runderen ontbreken deze kenmerken. Bij de herten zijn ze wel aanwezig:
- herten die ook vlees eten (muntjak),
- herten hebben grote hoektanden (muskusdier, muntjak, waterree),
- herten hebben een gevlekte vacht (damhert, axishert) en veel jonge herten zijn gevlekt,
- mannetjes hebben een gewei of grote hoektanden, die bij de vrouwtjes ontbreken, het gewicht van mannetjes en vrouwtjes verschilt aanzienlijk,
- de afwisseling van agressie en rust is niet aan te treffen. Wel worden muskusherten en muntjaks agressief genoemd.
Op grond hiervan kunnen de herten als de middengroep worden genomen.
Zenuw-zintuigdieren
De giraf is met zijn lange poten en lange hals het hoogste zoogdier dat er is. De schouder-staartlengte is kort en het dier zeer in de hoogte gegaan. Bij de zenuw-zintuigdieren onder de hoefdieren steekt de kop hoog boven de ruglijn uit. Bij het paard is dat op harmonische wijze te zien. Bij de kamelen is dat ook zo, maar daar wordt de hals al extra lang. Bij de giraffen verschijnt dit in overdreven vorm en strekt niet alleen de nek zich, maar het hele lichaam. Ook de poten zijn extra lang, een kenmerk dat giraffen ook al gemeen hebben met paarden en kamelen.
De ledematendieren gaan in de hoogte. Andersom hebben de verstofwisselde dieren uit de onevenhoevigen, de neushoorns, een overdreven lang lichaam met korte poten.
Een tweede kenmerk dat giraffen met andere zenuw-zintuigdieren gemeen hebben is dat ze geen bijklauwen hebben, zoals runderen die wel hebben. Andere diergroepen zonder bijklauwen zijn de paarden en de kamelen. Beide groepen zijn gekarakteriseerd als zenuw-zintuigdieren, hoewel ze uit de onevenhoevigen en de evenhoevigen komen.
Een derde kenmerk dat een giraf in deze richting toont is de kleine derde hoorn op het voorhoofd van stieren. Bij de evenhoevigen zijn de hoorns en geweien altijd gepaard, alleen bij de giraf niet. Het oneven aantal is vergelijkbaar met de ene hoorn bij de neushoorns. Ook daarmee gaat hij in de richting van de zenuw-zintuigdieren.
Een vierde kenmerk is de hoornvorm. De twee hoorns staan rechtop. Er is een reeks te maken van giraf via herten naar runderen van recht via vertakt naar inwikkelend en opzij gebogen.
Als vijfde is te noemen dat de giraf voedsel eet met relatief hoge kwaliteit en dat de dikke darm langer is dan bij runderen. De spijsvertering zit daarmee meer achterin, een kenmerk dat paarden (in andere vorm) ook hebben.
Stofwisseling-ledematendieren
De antilopen, geiten en runderen of holhoornigen zijn de stofwisseling-ledematendieren. Bij de gnoe is dat te zien aan het massieve lichaam met de zware voorhand, de opzij staande hoorns, de spijsvertering die vooraan zit (pens, dunne darm) en het slecht verteerbare voedsel.
| kenmerk | giraf | edelhert | gnoe |
|---|---|---|---|
| gedrag | kijkt vijanden weg | – | kuddedier |
| ledematen | lang | gemiddeld | lang, dun |
| lichaam | zeer lange nek | lage nek | korte nek, schoft, grote voorhand |
| kleur | lichte onderzijde | jong gevlekt | egaal donker gekleurd |
| hoorns | recht op | bolvormig gewei | opzij gebogen |
| voedsel | fijnproever | variabele eter | grazer |
| spijsverteringskanaal | lange dikke darm | – | lange dunne darm |
| gebit | gelobde hoektanden | kleine hoektanden | spadevormige snijtanden |
| conclusie | zenuw-zintuigdier | hart-longdier | stofwisseling-ledematendier |
De giraf en de okapi
De okapi is de enige nog levende verwant van de giraf. Hij leeft verborgen in het regenwoud van het noordoosten van Congo en werd pas in 1901 wetenschappelijk beschreven. De okapi heeft een donker roodbruin lijf en wit-zwart gestreepte poten en achterhand, een hals van gewone lengte en, bij de mannetjes, twee korte, met huid bedekte hoorns zoals die van de giraf. Ook de lange, grijpende tong heeft hij met de giraf gemeen.
Naast elkaar gezien maken de twee zichtbaar wat bij de giraf zo bijzonder is. De okapi is een bosdier dat blijft binnen het bereik van struiken en jonge bomen. De giraf is uit datzelfde patroon in de hoogte gegroeid: poten, hals en kop zijn verlengd tot hij boven de acacia's uitkomt, en het lichaam zelf loopt naar achteren af. Wat bij de okapi een gewoon hoefdier is, is bij de giraf een dier dat haast geheel uit ledematen en zintuigen lijkt te bestaan.
Veelgestelde vragen
Waarom heeft een giraf zo'n lange nek?
Met zijn lange nek en lange poten kan de giraf bladeren eten die voor andere hoefdieren te hoog zitten, vooral in acacia's. Bij stieren speelt de nek ook een rol in de gevechten om de rangorde. Toch is de nek kort in verhouding tot de poten, zodat een giraf om te drinken zijn voorpoten wijd uit elkaar moet zetten.
Hoeveel halswervels heeft een giraf?
Een giraf heeft zeven halswervels, net als de mens en bijna alle andere zoogdieren. De wervels zijn alleen veel langer.
Wat is het verschil tussen de hoorns van een giraf en een gewei?
De hoorns van een giraf blijven het hele leven met levende, behaarde huid bedekt en worden nooit afgeworpen. Een gewei van een hert is van bot, verliest na de groei zijn huid (de bast) en wordt elk jaar afgeworpen en opnieuw gevormd.
Worden giraffen met hoorns geboren?
Ja. Bij de geboorte liggen de hoorns plat en zijn ze nog niet met de schedel vergroeid. Na de geboorte richten ze zich op en groeien ze vast.
Hoe vechten giraffen?
Stieren vechten om de rangorde door met nek en kop tegen de nek van de ander te slaan; de sterkste nek wint. Tegen roofdieren verdedigen giraffen zich met trappen van de voorpoten.
Wat eet een giraf?
Giraffen zijn kieskeurige bladeters. Ze eten vooral bladeren, knoppen, bloemen en peulen van bomen en struiken, en grazen alleen als er geen bladeren zijn. Met de lange tong en de gevoelige lippen plukken ze de blaadjes tussen de doorns van acacia's uit.
Waarom migreren gnoes?
Gnoes eten alleen kort, voedselrijk gras en drinken dagelijks. Waar gras en water per seizoen verschuiven, trekken ze in grote kuddes mee en leggen ze jaarlijks honderden kilometers af.
Wat is de okapi?
De okapi is de enige nog levende verwant van de giraf. Hij leeft in het regenwoud van Congo, heeft een hals van gewone lengte, gestreepte poten en, bij de mannetjes, korte behaarde hoorns zoals die van de giraf.
Hoe worden giraf, herten en holhoornigen ingedeeld volgens de driegeleding?
In deze manier van kijken is de giraf het zenuw-zintuigdier, met lange ledematen, rechte hoorns en een lange dikke darm. De herten vormen de middengroep, met roofdierachtige trekken als hoektanden en gevlekte jongen. De holhoornigen, met de gnoe als voorbeeld, zijn de stofwisseling-ledematendieren.
