Hoorn-
en geweidragers: giraf,
edelhert en gnoe
Kunnen
ook de hoorn- en geweidragers in drie groepen worden ingedeeld? Ze
lopen alle op twee hoeven en hebben een gespecialiseerd
spijsverteringskanaal met vier magen. En ze hebben hoorns of een
gewei.
Kijken we naar hun hoorns dan kunnen er drie groepen
worden onderscheiden: herten, giraffen en holhoornigen (antilopen,
geiten en runderen). Ook in de gangbare indeling worden deze drie
groepen onderscheiden.
De giraf heeft alleen de okapi in zijn
groep. Er zijn circa 40 soorten herten en ongeveer 150 soorten
holhoornigen (antilopen, geiten en runderen). In die twee groepen is
er een behoorlijke verscheidenheid in soorten. Ter vergelijking heb
ik de giraf genomen die zal worden vergeleken met het edelhert en de
blauwe gnoe. Soms komt de hele groep aan de orde.
Gedrag
Giraf
Giraffen
leven in half open gebieden met een afwisseling van bos, vrijstaande
bomen, struiken en grasland. Ze vormen wisselende groepen van
ongeveer 50 dieren.
Een giraf loopt met een lichte en soepele
tred en kan in galop 50 – 60 km per uur halen. Het is een
telganger, de rechter voorpoot verlaat de grond onmiddellijk nadat de
rechter achterpoot zich verheft, waardoor hij in staat is om grote
stappen te nemen. De dieren rusten veelal staand, slechts korte tijd
liggen ze en dan hebben ze hun nek vaak rechtop. Slechts af en toe
leggen ze hun kop neer en dan nog niet langer dan vijf minuten
achtereen. Ze slapen weinig.
Vechten om de rangorde te bepalen
doen ze met hun nek. Ze slaan met de nek en kop tegen de nek van het
andere dier. Wie de sterkste nek heeft wint. Wanneer ze zich
verdedigen schoppen ze met de voorpoten. Wanneer ze een leeuw zien,
dan kijken ze naar hem, net zo lang tot hij afdruipt.
Giraffen zetten om
te drinken de te korte poten ver uit elkaar
Edelhert
Het
edelhert heeft een voorkeur te hebben voor half open landschap met
een afwisseling van bos met grasland, waar hij zich voedt. Ze zijn de
hele dag actief, maar in gebieden met veel menselijke activiteit
laten ze zich vooral vroeg in de ochtend en laat in de avond zien. 's
Ochtends gaan ze meestal naar de graslanden om te grazen. Ze voeden
zich met gras, kruiden, boomschors, wortels, knoppen en bladeren en
landbouwgewassen. Grassen en kruiden vormen de hoofdmoot van het
dieet.
Buiten
de bronstperiode leven mannelijke en vrouwelijke dieren met kalveren
gescheiden van elkaar in roedelverbanden. De sociale band is sterk.
Zeker in de vrouwelijke roedels bestaan veel familierelaties. Het
roedel wordt geleid door een volwassen hinde, de leidhinde. Zij
beslist alles en de andere leden van het roedel volgen haar
blindelings. Bij hertenroedels zijn rangorde en familiebanden minder
sterk.
Mannelijke edelherten ‘burlen’ in de bronsttijd om
hun harem bij elkaar te houden. De hindes worden aangetrokken door de
mannetjes die het vaakst en luidst burlen. Mannetjes gebruiken het
burlen ook om dominantie vast te stellen als ze met elkaar in
competitie zijn om de hindes, samen met imponeergedrag met het gewei
en met geweigevechten. Ze burlen meestal ’s morgens vroeg en
in de
schemering.
Gnoe
De
blauwe gnoe komt voor op open steppen, grasvlakten en licht beboste
gebieden in Afrika. Hij heeft een voorkeur voor kort gras, zijn enige
voedselbron. Hij loopt rustig als hij graast. Er is altijd water in
zijn omgeving te vinden. Hij drinkt minstens twee keer per dag. Hij
is de gehele dag door actief, maar rust tijdens de heetste uren van
de dag.
In gebieden waar kort gras of water
seizoensafhankelijk zijn trekken gnoes. Ze grazen op het meest
fosfaatrijke gras en volgen dat. Gnoes leven dan in grote kuddes, die
continu bewegen tussen de gebieden waar gras groeit. Ze blijven in
een gebied tot dit is uitgeput en trekken dan weer verder. Bij deze
trek blijven de dieren meestal de roofdieren voor. Ze leggen
jaarlijks zo'n 800 km af. Tijdens de trek kan een kudde gnoes een
lengte aannemen van veertig km. In gebieden waar gnoes niet hoeven te
migreren, leven de dieren in groepjes van vrouwtjes met hun jongen.
Als er toch water- of grasschaarste ontstaat, voegen deze groepjes
zich bij elkaar tot grote kuddes en gaan ze kortstondig
migreren.
Als de dieren samenkomen en grote kudden vormen
begint de bronsttijd, waarbij de mannetjes elkaar proberen weg te
houden van de tochtige vrouwtjes. In de tijdelijke woongebieden die
worden aangedaan tijdens de trek vormen zich kleine territoria, die
worden verdedigd met geluiden, geur, huppels en
hoofdgeschud.
Lichaamskenmerken
Lichaamsvorm
Giraf
De
giraf is een eigenaardig gebouwd dier. Het is de langste of hoogste
en verhoudingsgewijs kortste (van kop tot staart) van alle
zoogdieren. Vanaf de grond tot aan het eind van de hoorns kunnen
stieren een hoogte bereiken van 5,80 m. De schofthoogte is dan 3,30 m
en het gewicht van de mannetjes is gemiddeld 1200 kg. Koeien zijn
kleiner. Het lichaam loopt naar achteren af.
De nek is zeer
lang en heeft evenveel wervels als wij (7). De voorpoten (1,80 m)
zijn bijzonder lang en langer dan de achterpoten. Met name de
onderste delen van de poten zijn de lengte ingegaan (meer dan bij het
paard en andere herkauwers). De hoeven kunnen 30 cm in doorsnede
worden. De hoeven hebben geen bijklauwen. De staart is lang en
voorzien van een lange zwarte pluim. De kop is slank en lang, met
name de onderkaak (het ledematendeel in de kop) is lang. Ook de 45 cm
lange tong valt op.
Hoewel de nek lang is, is hij feitelijk
toch kort in relatie tot de poten. Om bij de grond te komen en te
drinken moet een giraf zijn poten wijd uit elkaar zetten. Hij kan dan
slecht wegkomen en is behoorlijk hulpeloos voor
vijanden.
Edelhert
Edelherten
hebben een harmonieus, sierlijk lichaam met een relatief lange hals,
lange poten, een korte staart en een hoekige kop. De rug loopt
ongeveer recht en het mannetje heeft manen. De kop komt relatief hoog
boven de ruglijn uit. Op de kop staat een groot bolvormig gewei.
De
schofthoogte is ca. 1,30 m en het gewicht van mannetjes is ca. 250
kilo. Hindes zijn een stuk kleiner en wegen 150 kilo. Zij hebben geen
gewei en ook geen schoft.
Gnoe
De
blauwe gnoe is een grote antilope met een lange, slanke, omlaag
gerichte kop. De bek is weer breder. De poten zijn slank. De
voorpoten zijn langer dan de achterpoten. Het achterdeel van het
lichaam is kleiner dan het voorste deel. Mede door de schoft loopt de
rug van achter naar voor op. In postuur doet hij door de gespierde
voorhand denken aan een kleine bizon op lange poten.
De gnoe
wordt circa 2 m lang met een staart van 60 tot 100 centimeter. Hij
heeft een schofthoogte van 1,4 m. Mannetjes worden circa 250 kilo
zwaar, vrouwtjes 30 kilo minder.
Kleur
van de vacht
Giraffen
zijn bruin netvormig gevlekt en hebben een lichte onderzijde.
Ondersoorten worden onderscheiden door kleurvariaties van het
patroon. Op de nek lopen korte, stijve manen.
Herten
zijn van licht roodbruin tot donkerbruin gekleurd. Veel soorten zijn
gevlekt (o.a. damhert, sikahert). Van veel soorten is het kalf
gevlekt (o.a. ree, witstaarthert, edelhert) en verdwijnen de vlekken
later.
Het edelhert wordt gevlekt geboren. In volwassen
toestand is het dier bruin met een lichte onderkant. Mannetjes hebben
manen.
Holhoornigen
zijn van wit tot zwart gekleurd, veel soorten zijn bruin. Vlekken
komen, ook bij jonge dieren, niet voor, wel strepen. Veel
antilopesoorten hebben een kop- of poottekening.
Jonge gnoes
zijn bruin. Volwassen dieren zijn egaal blauw-grijs tot lichtgrijs.
De rug is lichter van kleur dan de flanken en de onderzijde. Over de
nek en rug lopen enkele donkere strepen. Kop en staart zijn zwart. De
poten zijn okerkleurig tot bruin. De manen zijn zwart en hangen in
slierten over de nek. Mannetjes zijn donkerder dan de
vrouwtjes.
Hoorns
en gewei
Giraf
Op
het hoofd van een giraf staan twee 25 cm lange rechte, aan het eind
stompe hoorns. Om de hoorns zit zachte huid en aan de bovenkant een
krans van haren. Aan de uiteinden is het bot vaak zichtbaar. Bij
stieren kunnen er door afzetting van kalk nog drie bulten of hoorns
bijkomen, twee achter op de schedel en een op het voorhoofd voor de
hoorns. De schedel van de stieren kan door al deze hoorns sterk
verbenen en 15 kg zwaar worden. De giraf wordt al met hoorns geboren.
Ze liggen dan plat en zijn bij de geboorte nog niet verbonden met de
schedel. Na de geboorte richten ze zich op.
Herten
Geweien
komen alleen bij de mannetjes voor, alleen bij het rendier heeft een
vrouwtje ook een gewei. Het gewei van een hert bestaat uit vertakt,
kaal bot en staat bovenop de schedel. Het voelt koud aan en is
levenloos. Het wordt ieder jaar opnieuw gevormd en wordt na enige
maanden weer afgeworpen. Tijdens de groei heet het gewei een
bastgewei. Het gewei lijkt dan op de hoorn van een giraf. Van binnen
naar buiten is er bot (dat snel wordt afgezet en verbeent), aderen en
zenuwen en aan de buitenkant de huid. Als het gewei is volgroeid dan
sterft de huid af en wordt afgeveegd. Het aantal takken of einden
neemt toe met de leeftijd. De vorm van het gewei is bij iedere soort
anders.
Het edelhert heeft een bolvormig gewei met een groot
aantal einden, dat ieder jaar toeneemt. 20 is wel het
maximum.
Holhoornigen
Hoorns
komen veelal bij beide geslachten voor en ontstaan na de geboorte.
Hoorns van holhoornigen zijn levend. Om een levende beenpit zitten
bloedvaten en zenuwen en aan de buitenkant is er een verhoornde laag.
Aan de basis van de hoorn kan men de temperatuur van het dier voelen.
Holten in de beenpit staan in verbinding met de neusholtes. Hoorns
lopen altijd uit in een punt. Ze kunnen verschillende vormen hebben,
van recht, via gebogen naar een inwikkelende spiraal. De hoorns
kunnen glad zijn, geribbeld of met een schroef.
De gladde
hoorns van de gnoe staan boven op de kop en buigen meteen naar de
zijkanten en daarna weer naar binnen. Bij mannetjes kan de spanwijdte
90 cm bedragen, bij de wijfjes de helft daarvan.
Verschillen
De
verschillen van een giraf met holhoornigen zijn dat:
- de huid van de
hoorn van een rund verhoornd is en die van de giraf zacht blijft;
- de hoorn van een
rund uitloopt in een punt en die van een giraf recht en stomp is;
- hoorns van
holhoornigen vaak inwikkelen en van de giraf recht zijn;
- bij runderen de
hoornlaag de gehele hoorn bekleedt, terwijl bij de giraf de hoorn met
gewone huid is bedekt en bovenaan een krans van haren staat;
- een giraf met
hoorns wordt geboren en ze bij holhoornigen pas na de geboorte
ontstaan;
- runderen
twee hoorns hebben en mannelijke giraffen twee hoorns en tot
drie verbeningen.
Hoorn-
en geweivormen bij herkauwers. A. giraf, B. hert, C. holhoornige
(overgenomen uit De Gaay Fortman et al.) 1 = voorhoofdsholte, 2 =
bot, 3 = uitsteeksel van het voorhoofdsbeen, waarop dit bot groeit, 4
= lederhuid, 5 = slijmlaag, 6 = opperhuid of hoornlaag, waaruit de
haren naar buiten steken. Bij het gewei is 3 de rozenstok en de
verdikking erboven de rozenkrans.
Bij de holle hoorn is 6 de sterk
ontwikkelde hoornschede.
| kenmerk |
giraffen |
herten |
rund, geit, antilope |
| lagen |
3
|
3
bij groei,
daarna 1 (bot) |
3
|
| dood, levend |
levend
|
dood
|
levend
|
| opperhuid |
soepel
|
soepel
bij groei,
sterft af, wordt geveegd |
verhoornd
|
| groei |
permanent
|
jaarlijks
|
permanent
|
| aantal |
2
– 5 |
2,
alleen bij
mannetjes, m.u.v. rendier |
2
|
| vorm |
recht
|
vertakt,
uitwaaierend |
inwikkelende
spiraal |
Kenmerken
van
hoorns en geweien
Voedsel
Giraffen
zijn strikte bladeters, alleen als er geen bladeren zijn grazen ze.
Ze zijn hierbij erg kieskeurig. Het grootste deel van hun voedsel
bestaat uit bladeren van bomen en struiken. Ook bloemen, peulen en
vruchten worden gegeten. Dit voedsel bevat veel waardevolle stoffen,
namelijk 15% eiwit, terwijl gras ca 6% bevat; ook zit er minder
cellulose in, waardoor de verteerbaarheid beter is.
Ze
verzamelen het voedsel door bij bomen met veel stekels, zoals de
acacia, de blaadjes en groeipunten een voor een af te bijten. De
lange tong en de gevoelige lippen worden gebruikt om het materiaal
naar de bek toe te halen. Doornloze takken worden door de bek
getrokken, waarbij de bladeren worden afgerist. Koeien zoeken
ongeveer 55% van de dag naar voedsel, stieren 45%. Stieren consumeren
ongeveer 19 kg droge stof of 66 kg vers materiaal per dag, koeien wat
minder. Stieren eten met de kop omhoog, koeien met de kop
omlaag.
Edelherten
zijn variabele eters, zij zitten qua voedselstrategie tussen echte
grazers, zoals runderen, en echte fijnproevers, zoals reeën,
in. Dit
maakt dat zij in vele biotopen kunnen voorkomen.
De gnoe
eet
kort, groen, voedselrijk gras en is een pure
grazer.
Spijsverteringskanaal
De
lengte van het darmkanaal bedraagt bij de giraf 77 meter, dat
is
langer dan bij het rund. Het is ca. 30 x de lichaamslengte. Opvallend
zijn de (in vergelijking met runderen) minder gespierde pens van ca.
100 liter en dat de dikke darm 33% uitmaakt van de totale darm. Dit
is veel meer dan bij het rund waar het slechts 16% is. In de dikke
darm vindt nog veel vertering plaats. De spijsvertering is minder
naar voren gegaan dan bij runderen.
De lange dikke darm heeft
de giraf gemeen met alle ‘fijnproevers of concentrate
feeders’,
soorten die hun voedsel selecteren en meer bladeren en knoppen dan
gras eten. De lange dunne darm komt voor bij grazers. In vergelijking
met andere fijnproevers is de dikke darm van de giraf nog extra lang
(gegevens uit Hoffman, 1989).
Bij het edelhert
is het
spijsverteringskanaal 15 - 20 x de lichaamslengte.
Gebit
Giraffen
hebben snij- en hoektanden in de onderkaak, samen vormen ze een halve
cirkel. De hoektanden zijn in tweeën of drieën
gesplitst.
Bij herten
komen in de bovenkaak soms hoektanden voor, in de onderkaak altijd.
De snijtanden in de bovenkaak ontbreken. Bij sommige soorten, zoals
muntjak, waterree en muskusdier zijn de bovenste hoektanden
uitgegroeid tot ware slagtanden. Het edelhert heeft kleine hoektanden
in boven- en onderkaak.
Het gebit van de gnoe
is geschikt om kort gras af te bijten, langer gras laten ze staan. In
de bovenkaak ontbreken de snij- en hoektanden. In de onderkaak staan
de hoektanden naast de snijtanden. De snijtanden zijn lang en breed,
de 2 binnenste spadevormig.
Zintuigen
Het
best ontwikkelde zintuig van de giraf
is het gezichtsvermogen, de ogen zijn groot. Ook reuk en gehoor zijn
goed ontwikkeld. Wanneer gebladerte het uitzicht belemmert, klimmen
giraffen op een termietenheuvel of een andere hoogte om weer te
kunnen kijken. Bij het zien van een mens blijft een giraf
onbeweeglijk achter de begroeiing staan, wanneer hij een leeuw
opmerkt, komt hij te voorschijn en strekt de hals om het dier niet
uit het oog te verliezen: de leeuw valt dan niet aan, omdat hij weet
dat hij gezien is.
De
zintuigen van het edelhert
zijn bijzonder goed ontwikkeld, beweging wordt op verre afstand
opgemerkt, een vreemd geluid direct herkend en de reukzin is zeer
goed ontwikkeld. Negatieve ervaringen worden goed onthouden, maar
edelherten zijn ook heel goed in staat positieve ervaringen te
onthouden, of vaste geluiden te herkennen. Zo kunnen mensen die op de
A 50 in de file staan tussen Hoendeloo en Arnhem soms herten
waarnemen op enkele tientallen meters van de snelweg, zij weten dat
auto's geen gevaar vormen en hier elke dag rijden. Zou iemand over
het raster klimmen, alle snelwegen op en langs de Veluwe zijn
uitgerasterd i.v.m. de verkeersveiligheid, dan zouden de dieren
direct vluchten.
Zien,
reuk en gehoor zijn goed ontwikkeld bij gnoes.
De ogen zijn relatief klein. Communicatie vindt plaats via
geluid.
Indeling
Welke
van de drie groepen: giraffen, herten en holhoornigen zijn te
onderscheiden als de zenuw-zintuigdieren, de hart-longdieren en de
stofwisseling-ledematendieren? We kunnen kijken of de drie groepen
kunnen worden gekarakteriseerd zoals dat tot nu toe is gebeurd. Welke
van de drie is dan meer naar buiten gericht en heeft de nadruk op de
ledematen, welke heeft de nadruk meer op de stofwisseling en is naar
binnen gericht en welke neemt de tussenpositie in?
Hart-longdieren
Voor
de tussenpositie kunnen we uitgaan van de kenmerken van de roofdieren
in afgezwakte vorm, omdat we al ver in de
stofwisselings-ledematendieren zijn. Als roofdierkenmerken zijn
gevonden:
- het eten van
vlees,
- de aanwezigheid
van grote hoektanden,
- de gestreepte of
gevlekte vacht,
- een groot verschil
tussen mannetjes en vrouwtjes (sexueel dimorfisme) en
- de afwisseling van
agressie en rust.
Bij
de giraf en de antilopen, geiten en
runderen ontbreken deze kenmerken. Bij de herten zijn ze wel
aanwezig:
- herten die ook
vlees eten (muntjak),
- herten hebben
grote hoektanden (muskusdier, muntjak, waterree),
- herten hebben een
gevlekte vacht (damhert, axishert) en veel jonge herten zijn gevlekt,
- mannetjes hebben
een gewei of grote hoektanden, die bij de vrouwtjes ontbreken, het
gewicht van mannetjes en vrouwtjes verschilt aanzienlijk,
- de afwisseling van
agressie en rust treffen we niet aan. Wel worden muskusherten en
muntjaks agressief genoemd.
Op
grond hiervan
kunnen de herten als de middengroep worden genomen.
Zenuw-zintuigdieren
De
giraf is met zijn lange poten en lange hals het hoogste zoogdier dat
er is. De schouder-staartlengte is kort en het dier zeer in de hoogte
gegaan. Bij de zenuw-zintuigdieren onder de hoefdieren zagen we dat
de kop hoog boven de ruglijn uitsteekt. Bij het paard is dat op
harmonische wijze te zien. Bij de kamelen zien we dat ook, maar daar
wordt de hals al extra lang. Bij de giraffen zien we dit in
overdreven vorm en strekt niet alleen de nek zich, maar het hele
lichaam. Ook de poten zijn extra lang, een kenmerk dat giraffen ook
al gemeen hebben met paarden en kamelen.
De ledematendieren
gaan in de hoogte. Andersom zien we dat de verstofwisselde dieren uit
de onevenhoevigen (de neushoorns) een overdreven lang lichaam hebben
met korte poten.
Een tweede kenmerk dat giraffen met andere
zenuw-zintuigdieren gemeen hebben is dat ze geen bijklauwen hebben,
zoals runderen die wel hebben. Andere diergroepen waar de bijklauwen
ontbreken zijn paarden, pekari’s en kamelen. Alle drie
groepen zijn
gekarakteriseerd als zenuw-zintuigdieren, hoewel ze uit de
onevenhoevigen en de evenhoevigen komen.
Een derde kenmerk dat
een giraf in deze richting toont is de kleine derde hoorn op het
voorhoofd van stieren. Bij de evenhoevigen zijn de hoorns en geweien
altijd gepaard, alleen bij de giraf niet. Het oneven aantal is
vergelijkbaar met de ene hoorn bij de neushoorns. Ook daarmee gaat
hij in de richting van de zenuw-zintuigdieren.
Een
vierde kenmerk is de hoornvorm. De twee hoorns staan rechtop. Er is
een reeks te maken van giraf via herten naar runderen van recht via
vertakt naar inwikkelend en opzij gebogen.
Als vijfde is te
noemen dat de giraf voedsel eet met relatief hoge kwaliteit en dat de
dikke darm langer is dan bij runderen. De spijsvertering zit daarmee
meer achterin, een kenmerk dat paarden (in andere vorm) ook
hebben.
Stofwisseling-ledematendieren
De
antilopen, geiten en runderen of holhoornigen zijn de
stofwisseling-ledematendieren. Bij de gnoe is dat te zien aan het
massieve lichaam met de zware voorhand, de opzij staande hoorns, de
spijsvertering die vooraan zit (pens, dunne darm) en het slecht
verteerbare voedsel.
|
|
giraf |
edelhert |
gnoe |
| gedrag |
kijkt vijanden weg
|
|
kuddedier
|
| ledematen |
lang |
gemiddeld
|
lang, dun
|
| lichaam |
zeer lange nek
|
lage nek
|
korte nek, schoft,
grote voorhand |
| kleur |
lichte
onderzijde |
jong
gevlekt |
egaal
donker gekleurd |
| hoorns |
recht
op |
bolvormig
gewei |
opzij
gebogen |
| voedsel |
fijnproever
|
variabele
eter |
grazer
|
| spijsverteringskanaal |
lange
dikke darm |
|
lange
dunne darm |
| gebit |
gelobde
hoektanden |
kleine
hoektanden |
spadevormige
snijtanden |
| conclusie |
zenuw-zintuigdier
|
hart-longdier
|
stofwisseling-ledematendier
|
Enkele
gegevens
van giraf, edelhert en gnoe
|
Een kudde gnoes
Giraffen: stier en koe bij de paring, de stier is groter dan de koe
Een giraf: lange poten en nek
Een edelhert: groot gewei en evenwichtig lichaam
Een blauwe gnoe: massief lijf en lange poten
Twee vechtende giraffen, die met de nekken tegen elkaar slaan
Twee vechtende edelherten met de geweien in elkaar gehaakt
Een hinde (geen gewei)
Een blauwe gnoe: leigrijs, zwarte strepen op de nek en een zwarte kop
De langgerekte kop met twee rechte hoorns met ervoor
een beenknobbel en erachter twee beenknobbeltjes
Edelhert met vertakt gewei
Grazende gnoe met opzij staande hoorns
De smalle schedel en hoorns van een gnoe
Een giraf selecteert de blaadjes tussen de doorns van een acacia
Wanneer het nodig is, kunnen giraffen ook uit lage struiken eten
Een gnoe graast op kort, voedselrijk gras
Edelherten eten gras, maar ook bladeren
De zintuigen van een gnoe vallen nauwelijks op
Een giraf heeft grote ogen
De ogen van dit edelhert met een bastgewei zijn minder groot dan van de
giraf
Het kalf van een edelhert is gevlekt
Gnoes bij het oversteken van een rivier
Bij het oversteken van een rivier worden de gnoes opgewacht door
krokodillen
De enige verwant van de giraf is de okapi
Twee giraffen temidden van acacia's die met de
nekken zwaaien
|