Wat zijn zoogdieren?
Wat zijn zoogdieren, en waarom ziet een wandelaar er in het bos zo weinig van? Zoogdieren zijn warmbloedige gewervelde dieren met haar, die hun jongen zogen met melk. Ze zijn talrijk, maar ze vallen weinig op. Anders dan vogels maken ze nauwelijks geluid, ze zijn vaak in de schemering en 's nachts actief en overdag verborgen, en hun vacht is meestal grijs of bruinig. Een urenlange boswandeling levert daardoor vaak geen enkele waarneming op. Soms is er geritsel als een muis door de vegetatie schiet, soms loopt er een egel over het pad, een enkele keer staat er een ree of een vos.
Wie de gewervelde dieren naast elkaar zet, ziet een reeks: de vissen zijn één met het water, de vogels met de lucht, en de zoogdieren met het land. Ze hebben zich aan allerlei soorten terrein aangepast. Met hun ledematen, die onder de romp staan, tillen ze het lichaam op van de aarde. Daardoor zijn ze minder aan de bodem gekluisterd dan amfibieën en reptielen, die zich er nauwelijks van kunnen verheffen. Tegelijk zijn ze er niet van losgekomen zoals de vogels. Ze maken gebruik van de vaste aarde.
De groep laat een grote vormenrijkdom zien. Vleermuizen en walvissen, ijsberen en spitsmuizen, kangoeroes en runderen horen er allemaal bij, en ook de mens.
Kenmerken van zoogdieren in het kort
Wie een antwoord zoekt op de vraag wat zijn zoogdieren, komt steeds bij dezelfde kenmerken uit. Ze hebben haar, dat bij de meeste soorten een dichte, isolerende vacht vormt. Vrouwtjes hebben melkklieren en zogen hun jongen. Ze zijn warmbloedig. Ze ademen met longen en hebben een middenrif. Het hart heeft twee boezems en twee volledig gescheiden kamers. De rode bloedcellen hebben geen kern. Het gebit is gedifferentieerd in snijtanden, hoektanden en kiezen, en bijna alle zoogdieren hebben zeven halswervels. De onderkaak bestaat uit één bot aan elke kant, en in het middenoor liggen drie gehoorbeentjes.
Elk van die kenmerken komt hieronder terug. Samen verklaren ze waarom een zoogdier zo anders in de wereld staat dan een hagedis of een kikker: het draagt zijn warmte zelf mee en is minder afhankelijk van de temperatuur om zich heen.
Omgeving
Zoogdieren zijn thuis op de aarde en gebruiken die en alles wat er is op veelvuldige wijze. Ze komen overal voor: onder de grond (mol, spitsmuis), op de vlakte (paard), in het bos (tapir), op de overgang van water en land (otter, bever), in zout water (dolfijn, walvis), in zoet water (zeekoe), in de vegetatie (muizen), in bomen (eekhoorn, boommarter), op rotsen (steenbok), in sneeuw en ijs (poolvos, ijsbeer) en in de lucht (vleermuis). Sommige soorten zijn aan één omgeving gebonden, zoals de steenbok; andere komen in heel verschillende landschappen voor, zoals de luipaard. Er zijn specialisten, zoals de miereneter, en opportunisten, zoals de wasbeer.
Lichaamsbouw
Het lichaam bestaat uit een romp met poten, een duidelijk afgescheiden kop en een staart. De nek is verschillend lang, maar telt bij bijna alle zoogdieren zeven wervels, ook bij de giraf; alleen enkele luiaards en de zeekoeien wijken daarvan af. De kop is volledig uitgevormd, met oorschelpen en een sterk gevormde neus.
De poten zijn aan de onderzijde met de romp verbonden en zitten niet, zoals bij reptielen, als het ware aan de zijkant vast. De romp hangt tussen de poten en rust niet op de aarde, en de kop wordt met de nek omhooggehouden. Beide kosten energie. De staart verschilt van de romp en is geen geleidelijk dunner wordende voortzetting ervan, zoals bij reptielen. Wie het lichaam als gestalte bekijkt, ziet een duidelijke driedeling in kop, romp en staart.
Bij veel zoogdieren is het lichaam zijdelings afgeplat, zoals bij vissen. Amfibieën en reptielen zijn eerder van boven naar beneden afgeplat.
De vacht heeft vele vormen: van het korte, gladde haar van een paard tot de dikke wol van een muskusos, de stekels van een egel en de schubben van een schubdier, die uit keratine bestaan, hetzelfde materiaal als haar en nagels. In de huid zitten zweetklieren, talgklieren en geurklieren. Hoeveel een dier zweet, verschilt sterk: paarden en mensen zweten over het hele lichaam, honden en katten vooral via de voetzolen, en honden koelen zich daarnaast af door te hijgen. Met de geurklieren strijken veel dieren langs bomen en struiken om hun aanwezigheid aan te geven, en sommige soorten hebben sterk vergrote geurklieren op de kop of bij de anus.
Zoogdieren kunnen hun stemming uitdrukken met hun lichaamshouding, met geluid en met hun gezichtsuitdrukking. Vogels doen dat met geluid en houding, reptielen vrijwel alleen met houding.
Zintuigen en hersenen
De reuk is bij veel soorten het best ontwikkelde zintuig. Ze ruiken veel beter dan de mens en worden door die sterke indrukken direct tot handelen aangezet. Geur is ook in het sociale leven van groot gewicht, in geursporen die een territorium afbakenen en bij de voortplanting. Zicht en gehoor zijn eveneens belangrijk. Veel zoogdieren nemen vooral beweging waar, en een deel van de soorten ziet kleuren.
De hersenen zijn groot. Vooral de schors van de grote hersenen, de cortex, is groot en ligt over de overige delen heen, behalve over de kleine hersenen, die ook groot zijn. Bij veel soorten is de cortex geplooid, waardoor het oppervlak sterk is toegenomen. De cortex verbindt en ordent de waarnemingen. Dat de grote hersenen zo kunnen uitgroeien, hangt samen met de lange tijd waarin de jongen worden gezoogd en opgevoed (Verhulst, 1999). De mogelijkheid om te leren is duidelijk groter dan bij andere diergroepen, vooral in de jeugd; later neemt ze af. De vergrote kleine hersenen hangen samen met de complexere spierbewegingen en de vele zintuiglijke indrukken die moeten worden verwerkt.
Ademhaling, hart en warmte
De ademhaling gaat via de longen en voor een heel klein deel via de huid. Er is borstademhaling met de ribben en buikademhaling met het middenrif. Bij dieren die lopen is het ademritme vaak aan de bewegingen van de benen gekoppeld; een galopperend paard ademt in de maat van zijn sprongen. Zulke dieren hebben daardoor voorkeuren voor bepaalde tempo's. Waar luchtweg en slokdarm elkaar in de keel kruisen, ligt het strottenhoofd met de stembanden, waarmee zoogdieren hun geluiden maken.
Zoogdieren zijn warmbloedig, net als vogels, al ligt hun lichaamstemperatuur met ongeveer 37 °C bij veel soorten wat lager. De bloedsomloop is dubbel en volledig gescheiden. De rode bloedcellen hebben geen kern, waardoor ze meer ruimte hebben voor het zuurstof bindende hemoglobine.
Spijsvertering en gebit
De voedselkeuze is zeer gevarieerd. Sommige dieren eten vooral één soort voedsel, zoals de miereneter en de egel (insecten), de leeuw (vlees), de hamster (zaden), de ree (bladeren) of het rund (gras). Er zijn carnivoren (vlees-, vis- en aaseters), herbivoren (planteneters) en omnivoren (alleseters). Binnen veel families geldt dat hoe groter het dier, hoe meer plantaardig voedsel het eet en hoe moeilijker verteerbaar dat voedsel is. De reeks loopt van bloed en spieren via ingewanden, aas en fruit naar bladeren, gras, bast en hout. Dieren die laagwaardig plantenmateriaal eten, hebben de grootste lichamen. Het spijsverteringskanaal verschilt sterk en is aan het voedsel aangepast.
Het gebit is onderverdeeld in snijtanden, hoektanden en kiezen. Veel soorten hebben gespecialiseerde tanden; de hoektanden zijn soms verdwenen, waardoor een tandeloze ruimte ontstaat (het diastema), of juist extra groot. Vleeseters hebben knipkiezen, kleine scherpe snijtanden en lange hoektanden. Knaagdieren hebben grote, doorgroeiende snijtanden en kleinere kiezen. Herkauwers hebben grote maalkiezen en in de bovenkaak geen snijtanden. Zie ook de afbeeldingen op de pagina muis - leeuw - koe.
De wangen zijn gespierd, zodat het jong bij de moeder melk kan zuigen.
De maag is bij verschillende soorten verschillend gevormd: eenvoudig bij vleeseters, met een pens bij herkauwers en meerkamerig bij het nijlpaard. Bij planteneters zonder pens, zoals paard en konijn, is de blinde darm belangrijk voor de vertering. De lange dunne darm bestaat uit de twaalfvingerige darm, de nuchtere darm en de kronkeldarm. Het spijsverteringskanaal is 2 tot 8 keer zo lang als het lichaam, en bij herkauwers nog veel langer.
Voortplanting
Bij de meeste zoogdieren vinden de bevruchting en de verdere ontwikkeling geheel in het lichaam plaats. Na een periode van kennismaking, de balts of bronst, volgt een paring met inwendige bevruchting. Bij de placentadieren nestelt de bevruchte eicel zich in de wand van de baarmoeder en is dan geheel door moederlijk weefsel omgeven; via de placenta krijgt het embryo voedsel en zuurstof. Die ontwikkeling hangt niet af van de temperatuur buiten, en de moeder kan zich tijdens de dracht vrij verplaatsen.
Buideldieren, zoals kangoeroes en koala's, krijgen na een korte dracht een heel klein jong dat naar een tepel kruipt, meestal in een buidel, en daar verder groeit. Na de geboorte worden de jongen van alle zoogdieren met melk gevoed. Ze worden lange tijd door de ouders verzorgd en beschermd, en er is een kortere of langere tijd van opvoeding en leren.
Welke zoogdieren leggen eieren?
Een kleine groep wijkt van die regel af. Wie vraagt welke zoogdieren leggen eieren, komt uit bij de cloacadieren: het vogelbekdier en de mierenegels, die in Australië en Nieuw-Guinea leven. Ze leggen kleine eieren met een leerachtige schaal. Het vogelbekdier broedt ze uit in een hol aan de oever, de mierenegel draagt ze in een tijdelijke buidelplooi op de buik.
Toch zijn het echte zoogdieren. Ze hebben haar, ze zijn warmbloedig en ze zogen hun jongen. Tepels ontbreken; de melk komt uit klierveldjes in de huid, waar de jongen haar oplikken. Hun naam danken ze aan de cloaca, de ene lichaamsopening voor darm, urine en voortplanting, die ook reptielen en vogels hebben. Welke zoogdieren leggen eieren is dus een vraag met een kort antwoord, maar een antwoord dat laat zien hoe dicht de zoogdieren oorspronkelijk bij de reptielen stonden.
Zijn mensen zoogdieren?
Ja. Wie de vraag zijn mensen zoogdieren toetst aan de kenmerken hierboven, vindt ze allemaal terug: haar, melkklieren, warm bloed, een middenrif, zeven halswervels, drie gehoorbeentjes, een gebit met snijtanden, hoektanden en kiezen, en een kind dat in de baarmoeder via een placenta groeit. Binnen de zoogdieren behoort de mens tot de primaten, samen met de halfapen, apen en mensapen.
Tegelijk wijkt de mens in de gestalte opvallend af. Hij staat rechtop op twee benen, de handen zijn vrij van het lopen, de vacht is grotendeels verdwenen, en de jeugd duurt ongewoon lang. De pagina over de mens gaat daar verder op in. Zijn mensen zoogdieren dan in alle opzichten? Biologisch wel; hoe de menselijke gestalte zich tot die van de andere zoogdieren verhoudt, is een vraag die de fenomenologische manier van kijken juist interessant maakt.
Lijst van zoogdiergroepen
De zoogdieren worden in drie hoofdgroepen verdeeld, en de placentadieren weer in een reeks ordes. Deze lijst geeft de belangrijkste groepen met enkele bekende voorbeelden:
- cloacadieren: vogelbekdier en mierenegels, de eierleggende zoogdieren;
- buideldieren: kangoeroes, koala's, wombats, opossums en de buidelduivel;
- knaagdieren: muizen, ratten, eekhoorns, bevers en stekelvarkens, de soortenrijkste orde;
- vleermuizen: de enige zoogdieren die echt kunnen vliegen;
- egels, mollen en spitsmuizen;
- haasachtigen: hazen en konijnen;
- roofdieren: katachtigen, hondachtigen, beren, marterachtigen en zeehonden;
- evenhoevigen: varkens, kamelen, herten, giraffen, runderen, antilopen en nijlpaarden, en volgens erfelijk onderzoek ook de walvissen en dolfijnen;
- onevenhoevigen: paarden, neushoorns en tapirs;
- primaten: halfapen, apen, mensapen en de mens;
- slurfdieren: de olifanten;
- zeekoeien: doejongs en lamantijnen;
- luiaards, miereneters en gordeldieren.
Wie deze lijst van boven naar beneden leest, ziet hoe verschillend dezelfde grondvorm kan uitvallen: van een vliegende vleermuis tot een walvis die nooit meer aan land komt. Over de hoefdieren en hun onderlinge verschillen gaat de reeks die begint bij de inleiding op de zoogdieren.
Grootte en gedrag
De verschillen in lichaamsgrootte zijn enorm. De grootste zoogdieren leven in het water: de blauwe vinvis wordt zo'n 30 meter lang en is het grootste bekende dier. Het zwaarste landdier is de Afrikaanse olifant, die vele tonnen weegt. De kleinste zoogdieren zijn de wimperspitsmuis, van ongeveer 1,2 tot 2,7 gram, en de hommelvleermuis, die maar een paar gram weegt en ongeveer 3 cm lang is. De wimperspitsmuis is zo klein dat hij door de gangen van regenwormen kan kruipen.
Het gedrag en de sociale verhoudingen zijn bij zoogdieren complexer dan bij de meeste andere gewervelde dieren. Er zijn solitair levende soorten, zoals de meeste katachtigen; bij andere soorten vormen paren langdurige banden; en weer andere leven in groepen of roedels met een of meer mannetjes, veel vrouwtjes en jonge dieren, zoals wolven en leeuwen. Bij veel soorten is er een rangorde, soms het hele jaar, soms alleen in de paartijd. Er zijn soorten met en zonder territorium, en een territorium kan tijdelijk zijn.
Veel zoogdieren voeden hun jongen niet alleen, maar leren ze ook. Jachtluipaarden geven hun jongen bij de jacht steeds meer te doen, en ze leren ze de mogelijkheden van het terrein en hoe ze vijanden kunnen ontlopen.
Voortbeweging
De meeste soorten bewegen zich voort op vier poten die onder het lichaam staan. Door de lange en min of meer recht staande poten is er een duidelijke ruimte tussen lichaam en aarde. Een dier dat zo gebouwd is en gaat liggen, kan niet zoals een reptiel eenvoudig zijn lijf laten zakken; het moet de poten naast zich neerleggen of onder het lichaam vouwen.
De ledematen zijn op talloze manieren gespecialiseerd. Er zijn graafpoten (mol), grijphanden (apen), poten om mee te klimmen op rotsen (steenbok), om langdurig te rennen (wolf), om snel te sprinten (jachtluipaard), om te lopen (paard), om te springen (kangoeroe, woestijnrat), om in bomen te klimmen (eekhoorn), om aan te hangen (luiaard), om te zweven (vliegende eekhoorn), om te vliegen (vleermuizen) en om te zwemmen (zeehonden en dolfijnen).
Zoogdieren naast de vogels
Tegenover de vogels, de andere warmbloedige groep, valt een reeks verschillen op. Het lichaam van een zoogdier rust op vier poten en is vrij van de aarde, waar een vogel op twee poten staat of in de lucht is. De poten laten een veel grotere verscheidenheid zien. Er is een kop op een nek, een romp en een apart gevormde staart. De huid draagt haar en geurklieren in plaats van veren. De grote hersenen zijn sterker ontwikkeld, de leertijd is lang en het sociale leven rijk. De lichaamstemperatuur ligt wat lager. En de bevruchting en de ontwikkeling van het embryo verlopen, op de cloacadieren na, in het lichaam van de moeder, los van de warmte van buiten. Een vogel broedt zijn ei uit met zijn eigen lichaam; een zoogdier draagt het jong in zijn lichaam mee.
Hoe dicht verwante zoogdieren van elkaar verschillen, staat uitgewerkt in tien vergelijkingen van dieren, van schaap en geit tot zoogdier en vogel.
Veelgestelde vragen
Wat zijn zoogdieren?
Zoogdieren zijn warmbloedige gewervelde dieren met haar, die hun jongen zogen met melk uit melkklieren. Ze ademen met longen, hebben een middenrif en een hart met vier volledig gescheiden ruimten. Muizen, walvissen, vleermuizen, koeien en mensen zijn allemaal zoogdieren.
Zijn mensen zoogdieren?
Ja, mensen zijn zoogdieren. De mens heeft haar, is warmbloedig, heeft zeven halswervels, en een kind groeit in de baarmoeder via een placenta en wordt na de geboorte met moedermelk gevoed. Binnen de zoogdieren hoort de mens bij de primaten, samen met de apen en mensapen.
Welke zoogdieren leggen eieren?
Alleen de cloacadieren leggen eieren: het vogelbekdier en de mierenegels uit Australië en Nieuw-Guinea. Ze leggen kleine eieren met een leerachtige schaal en zogen de jongen na het uitkomen met melk, die uit klierveldjes in de huid komt, want tepels hebben ze niet.
Wat zijn de kenmerken van zoogdieren?
De belangrijkste kenmerken zijn haar, melkklieren, warmbloedigheid, een middenrif, een hart met twee boezems en twee kamers, kernloze rode bloedcellen en een gebit met snijtanden, hoektanden en kiezen. Bijna alle zoogdieren hebben zeven halswervels. De hersenen, vooral de grote hersenen, zijn groot.
Is een walvis een zoogdier?
Ja. Walvissen en dolfijnen ademen met longen en moeten naar de oppervlakte om lucht te halen, ze zijn warmbloedig, krijgen levende jongen en zogen die met melk. Het haar is bij hen grotendeels verdwenen, op enkele snorharen bij jonge dieren na.
Is een vleermuis een zoogdier of een vogel?
Een vleermuis is een zoogdier. Hij heeft een vacht, geen veren, en de vleugel is een huidvlies tussen sterk verlengde vingers. Vleermuizen krijgen levende jongen die ze zogen.
Wat is het grootste zoogdier?
Het grootste zoogdier is de blauwe vinvis, die zo'n 30 meter lang kan worden en ook het grootste bekende dier is. Op het land is de Afrikaanse olifant het zwaarst. De kleinste zoogdieren zijn de wimperspitsmuis en de hommelvleermuis, die maar enkele grammen wegen.
Welke groepen zoogdieren zijn er?
Er zijn drie hoofdgroepen: de eierleggende cloacadieren, de buideldieren en de placentadieren. Tot de placentadieren horen onder meer knaagdieren, vleermuizen, egels en mollen, haasachtigen, roofdieren, evenhoevigen, onevenhoevigen, primaten, olifanten en zeekoeien.
Waarom zijn zoogdieren warmbloedig?
Zoogdieren houden hun lichaamstemperatuur zelf op peil door warmte te maken bij de verbranding van voedsel. Een vacht of een speklaag houdt die warmte vast. Daardoor kunnen ze ook bij kou actief blijven, maar ze hebben veel meer voedsel nodig dan een even groot reptiel.
Hoe ademen zoogdieren?
Zoogdieren ademen met longen, zowel met de ribben als met het middenrif, een spierplaat tussen borst en buik. Bij lopende en rennende dieren is het ademritme vaak gekoppeld aan de passen. Het strottenhoofd met de stembanden maakt geluid mogelijk.
