Wat is een roofdier?
Het woord roofdier heeft twee betekenissen. In de gewone taal is elk dier dat andere dieren vangt en opeet een roofdier: een uil, een snoek, een haai, een spin. In de biologie is de naam gereserveerd voor een bepaalde orde van de zoogdieren, de Carnivora. Daartoe horen de katten en de honden, de marters, de beren, de hyena's, de civetkatten en mangoesten, de wasberen en de robben. Wat die dieren verbindt is geen menukaart, maar een bouwplan. Ze stammen van gemeenschappelijke voorouders af en delen een aantal kenmerken van gebit, schedel en ledematen.
Dat onderscheid voorkomt verwarring. Een reuzenpanda eet bijna alleen bamboe en is toch een roofdier in biologische zin. Een egel of een spitsmuis eet vooral insecten en wormen, dus dierlijk voedsel, maar hoort niet bij de roofdieren. Omgekeerd zijn er roofdieren die zich met bessen, vruchten en wortels voeden, zoals de meeste beren en de das. Het woord zegt dus iets over de verwantschap. Wie wil weten hoe een dier leeft, kijkt daarnaast naar wat het eet en hoe het jaagt.
Het gebit: hoektanden en knipkiezen
Het duidelijkste kenmerk zit in de bek. Vooraan staan kleine snijtanden, waarmee een roofdier vlees van een bot knaagt of zijn vacht verzorgt. Daarachter volgen de lange, kegelvormige hoektanden. Daarmee grijpt en doodt het dier zijn prooi, bij katten vaak met een beet in de nek of de keel. Dan volgen de voorkiezen en de kiezen, en daaronder zit het eigenlijke kenmerk van de orde: de knipkiezen of scheurkiezen.
Een knipkies is in de bovenkaak de laatste voorkies en in de onderkaak de eerste kies. Beide hebben een scherpe, messachtige rand. Als de kaak sluit, schuiven die randen langs elkaar zoals de bladen van een schaar. Zo snijdt het dier vlees, huid en pezen in stukken die het ongekauwd doorslikt. Wie een kat een stuk vlees ziet eten, ziet dat de kop scheef wordt gehouden: het vlees gaat naar de zijkant van de bek, waar de knipkiezen zitten.
Bij de katachtigen zijn de knipkiezen het sterkst ontwikkeld en is het aantal kiezen erachter klein. Bij de hondachtigen staan er achter de knipkiezen nog enkele platte kiezen waarmee ze ook plantaardig voedsel en botten fijnmaken. Bij beren zijn de knipkiezen weinig scherp en zijn de achterste kiezen breed en knobbelig, geschikt om te malen. De vorm van het gebit laat zo zien waar een soort zich bevindt tussen vleeseter en alleseter.
De kaak zelf past bij het gebit. Het kaakgewricht werkt bij roofdieren vooral als een scharnier: de onderkaak gaat op en neer en nauwelijks zijwaarts. De grote slaapspier, die van de zijkant van de schedel naar de onderkaak loopt, geeft de beet zijn kracht. Bij veel roofdieren zit op de schedel een kam waaraan deze spier vastzit. Een koe of een paard maalt het voedsel met zijwaartse bewegingen, een roofdier knipt en slikt.
Klauwen, poten en romp
Roofdieren hebben aan hun tenen nagels of klauwen van hoorn. Bij de meeste katachtigen kunnen die worden ingetrokken. In rust liggen ze in een huidplooi, en bij het grijpen klappen pezen ze naar voren. De nagels slijten zo niet bij het lopen en de kat sluipt geluidloos. Hondachtigen hebben stompe nagels die niet kunnen worden ingetrokken en die bij het rennen grip geven. Beren en dassen hebben lange, sterke klauwen om te graven, om stammen op te klimmen of om een nest van bijen of wespen open te krabben.
Ook de manier van lopen verschilt. Katten en honden zijn teengangers: ze lopen op de tenen, de hiel staat hoog boven de grond. Dat maakt het been langer en de pas veerkrachtiger. Beren, dassen en wasberen zijn zoolgangers die de hele voet neerzetten. Ze lopen trager, maar staan stevig en kunnen zich op de achterpoten oprichten. Bij de robben zijn de poten tot vinnen geworden, bij de otter hebben de tenen zwemvliezen.
De romp is bij veel roofdieren soepel en beweeglijk. Het sleutelbeen is klein of ontbreekt, zodat de schouders los langs de borst kunnen schuiven. Een kat kan daardoor door smalle openingen kruipen en zijn voorpoten ver naar voren strekken bij een sprong. De wervelkolom kan sterk buigen en weer strekken, wat bij een rennende jachtluipaard goed te zien is: de rug werkt als een veer die bij elke sprong de pas verlengt.
Zintuigen: ogen, neus en oren
Een roofdier moet zijn prooi vinden, benaderen en op het juiste moment grijpen. De zintuigen zijn daarop ingericht, maar per familie ligt het zwaartepunt anders. Katten zijn vooral oogdieren. Hun ogen staan naar voren gericht, zodat de gezichtsvelden van beide ogen elkaar grotendeels overlappen en ze afstanden goed kunnen schatten. Achter het netvlies ligt een weerkaatsende laag, het tapetum, die licht nog eens door het netvlies stuurt. Daarom lichten kattenogen in het donker op als er een lamp op schijnt, en zien katten in de schemering veel meer dan mensen.
Hondachtigen zijn vooral neusdieren. Het reukslijmvlies in de lange snuit is groot, en een hond of een wolf kan een spoor van uren oud volgen. Ook het gehoor is scherp: een vos hoort een muis onder de sneeuw en springt er in een boog bovenop. Marterachtigen hebben een goede reuk en jagen vaak in holen en gangen waar het zicht weinig oplevert. Bij de robben zijn de snorharen gevoelige tastorganen, waarmee ze onder water de bewegingen van vissen waarnemen.
Snorharen zijn bij bijna alle roofdieren belangrijk. Een kat gebruikt ze in het donker om te voelen of een opening breed genoeg is, en vlak voor de beet, als de prooi te dichtbij is om nog scherp te zien, geven ze aan waar de prooi zich bevindt.
Jachtwijzen
Uit gebit, poten en zintuigen volgt een aantal jachtwijzen. De sluip- en hinderlaagjacht is typisch voor de katachtigen. Een kat nadert laag tegen de grond, blijft doodstil liggen, spant zich en springt dan in één uitbarsting op de prooi. De jacht duurt kort; lukt de sprong niet, dan geeft een kat meestal op. De leeuw is een uitzondering doordat de vrouwtjes samen jagen, zoals op de pagina muis – leeuw – koe wordt beschreven.
De achtervolgingsjacht hoort bij de wolf, de Afrikaanse wilde hond en de gevlekte hyena. Deze dieren zijn gebouwd op uithoudingsvermogen. Ze volgen een kudde, zonderen een zwak of jong dier af en blijven het achtervolgen tot het uitgeput is. Samenwerking in de roedel maakt het mogelijk dieren te vangen die veel groter zijn dan een enkele jager.
Marterachtigen jagen vaak door hun prooi tot in de schuilplaats te volgen. Een wezel past door een muizengang, een hermelijn volgt een konijn tot in zijn hol. De otter jaagt in het water op vis en kreeftjes, de das zoekt met zijn neus in de bodem naar regenwormen en larven. Beren jagen soms, maar verzamelen veel vaker: bessen, wortels, noten, insecten, en in sommige streken vis die de rivier op trekt.
De families van de roofdieren
De orde wordt meestal in twee grote takken verdeeld. De katachtige tak omvat de katten, de hyena's, de civetkatten en de mangoesten. De hondachtige tak omvat de honden, de beren, de marters, de wasberen, de stinkdieren, de kleine panda en de robben. Die namen zijn wat verwarrend, want een hyena lijkt op een hond maar is naar de bouw van de schedel nauwer verwant aan de katten.
Katachtigen. Van de kleine wilde kat tot de tijger hebben ze een korte, ronde kop, een kort gebit met zeer scherpe knipkiezen, intrekbare nagels en een soepel lichaam. Ze leven bijna allemaal alleen; de leeuw is de bekende uitzondering. De huiskat, de lynx, de poema, de luipaard en de jachtluipaard horen bij deze familie.
Hondachtigen. Wolf, vos, jakhals, coyote en de gedomesticeerde hond hebben een lange snuit, een langer gebit met achter de knipkiezen nog maalkiezen, lange poten en nagels die niet intrekbaar zijn. Veel soorten leven in paren of groepen. Hoe hond en kat zich als tegenpolen tot elkaar verhouden, is uitgewerkt op de pagina hond en kat.
Marterachtigen. Dit is een familie van kleine tot middelgrote dieren met een lang, laag lichaam en korte poten: wezel, hermelijn, bunzing, boommarter, steenmarter, otter, das en in het noorden de veelvraat. Ze zijn snel, nieuwsgierig en vaak actief in de schemering of de nacht. De Nederlandse soorten worden beschreven op de pagina marterachtigen.
Beren. Bruine beer, ijsbeer, zwarte beer, lippenbeer en reuzenpanda zijn grote, zware zoolgangers met een kleine staart. De ijsbeer is het meest vleesetend en jaagt op zeehonden op het pakijs. De andere soorten eten grotendeels plantaardig voedsel. In koude streken houden beren een winterrust, waarin ze op hun vetreserve teren.
Andere families. De hyena's zijn aaseters en jagers met een zeer krachtig gebit waarmee ze botten kraken. Civetkatten en mangoesten zijn kleine, vaak slanke dieren uit Afrika en Azië; de mangoest is bekend als slangendoder. De wasbeer uit Amerika is een behendige zoolganger die zijn voedsel met de voorpoten betast. Stinkdieren verdedigen zich met een klier die een sterk ruikende vloeistof spuit. De robben, met zeehonden, zeeleeuwen en de walrus, zijn roofdieren die zich aan het leven in zee hebben aangepast.
Roofdieren in Nederland
In Nederland is de vos het meest verspreide roofdier. Hij leeft in duinen, bossen, akkers en steeds vaker aan de rand van de stad. De das woont in burchten in houtwallen en bosranden. De otter is na zijn verdwijning weer in het wild uitgezet en breidt zich langzaam uit in waterrijke gebieden. De kleine marterachtigen zijn talrijker dan men ziet, want ze zijn schuw en vaak 's nachts actief. De wilde kat is vanuit de Duitse en Belgische bossen het zuiden binnengekomen, en de wolf is de laatste jaren uit zichzelf teruggekeerd. Op de zandplaten van de Waddenzee rusten de gewone en de grijze zeehond.
Kop, romp en ledematen: een manier van kijken
Naast de gangbare indeling kent deze site een fenomenologische manier van kijken, die teruggaat op het werk van Wolfgang Schad in Säugetier und Mensch. Daarin wordt het zoogdierlichaam gezien als een samenspel van drie polen: de kop met de zintuigen en het zenuwstelsel, de romp met hart en longen en het ritme van ademhaling en bloedsomloop, en de ledematen met de stofwisseling. Die polen zijn bij geen dier even sterk; bij elke groep valt de nadruk ergens anders.
Wie de grote groepen naast elkaar legt, ziet in deze benadering de knaagdieren als dieren van de kop: klein, schrikachtig, met grote zintuigen en een voortdurende gerichtheid op de omgeving. De hoefdieren staan aan de andere kant, met hun grote lichaam, hun lange darm en hun gespecialiseerde poten; zij worden gerekend tot de stofwisseling-ledematenpool, zoals op de pagina hoefdieren wordt uitgewerkt. De roofdieren staan in het midden. Het zijn in deze lezing de hart-longdieren: dieren van afwisseling, van rust en plotselinge actie, van ontspannen liggen en gespannen sluipen.
Het gebit past in dit beeld. Het knaagdier heeft voortdurend groeiende snijtanden vooraan, het hoefdier grote maalkiezen achteraan, en bij het roofdier ligt het zwaartepunt in het midden van de tandrij, bij de hoektanden en de knipkiezen. Ook binnen de roofdieren herhaalt zich de driedeling. Op de pagina over de marterachtigen worden de kleine, beweeglijke wezelachtigen als het meest op de zintuigen gerichte deel van de roofdieren beschreven. De katten worden als het eigenlijke midden gezien, en de hondachtigen en de zware, vaak plantenetende beren neigen meer naar de stofwisselingskant.
Het is een manier om samenhangen te zien, geen vervanging van de systematiek, en de uitkomsten zijn waarnemingen die ieder zelf aan de dieren kan toetsen. Een concreet begin is de kop: de korte, ronde kattenkop met de grote, naar voren gerichte ogen tegenover de lange hondensnuit, die meer op de reuk en op de kauwende kaak is gebouwd.
Veelgestelde vragen
Wat zijn roofdieren?
In de biologie zijn roofdieren (Carnivora) een orde van zoogdieren met een gebit dat is gebouwd om vlees te snijden, met sterke hoektanden en knipkiezen. Katten, honden, marters, beren, hyena's en zeehonden horen erbij. In de gewone taal heet elk dier dat andere dieren vangt een roofdier, ook een roofvogel of een haai.
Wat zijn knipkiezen?
Knipkiezen, ook scheurkiezen genoemd, zijn de laatste voorkies in de bovenkaak en de eerste kies in de onderkaak. Ze hebben scherpe randen die als de bladen van een schaar langs elkaar schuiven. Daarmee snijdt het dier vlees en pezen door.
Welke families van roofdieren zijn er?
De bekendste families zijn de katachtigen, de hondachtigen, de marterachtigen en de beren. Daarnaast zijn er onder meer hyena's, civetkatten, mangoesten, wasberen, stinkdieren, de kleine panda en de robben met zeehonden, zeeleeuwen en de walrus.
Is een beer een roofdier?
Ja. Beren horen tot de orde van de roofdieren, ook al eten de meeste soorten veel planten, bessen en wortels. Hun kiezen zijn breder en platter dan die van een kat, wat past bij dat gemengde voedsel.
Is een panda een roofdier als hij alleen bamboe eet?
De reuzenpanda is een beer en hoort dus bij de roofdieren, al bestaat zijn voedsel bijna helemaal uit bamboe. Zijn darm is kort, zoals bij andere roofdieren, en daarom moet hij heel veel eten. De indeling volgt de bouw en de afstamming, niet alleen het menu.
Welke roofdieren leven in Nederland?
In Nederland leven onder meer de vos, de das, de otter, de boommarter, de steenmarter, de bunzing, de wezel en de hermelijn. De wilde kat komt in het zuiden voor en de wolf is de laatste jaren teruggekeerd. Aan de kust leven de gewone en de grijze zeehond.
Waarom kunnen katten hun nagels intrekken?
Bij de meeste katachtigen liggen de nagels in rust in een huidplooi en worden ze met een pees naar voren geklapt als het dier grijpt. Zo blijven ze scherp en maakt de kat geen geluid als hij sluipt. De jachtluipaard kan zijn nagels maar beperkt intrekken en gebruikt ze bij het rennen als grip.
Hoe jagen roofdieren?
Katten sluipen en springen vanuit een hinderlaag, wolven en hyena's achtervolgen een prooi lang en vaak in groep. Marters en wezels volgen hun prooi tot in de holen en de otter jaagt onder water. De jachtwijze hangt samen met de bouw van het lichaam.
Zijn zeehonden roofdieren?
Ja. Zeehonden, zeeleeuwen en de walrus worden vinpotigen genoemd en horen bij de orde van de roofdieren. Hun poten zijn tot vinnen omgevormd, maar hun schedel en afstamming verbinden ze met de landroofdieren.
Wat is het verschil tussen een teenganger en een zoolganger?
Een teenganger, zoals een kat of een hond, loopt op de tenen met de hiel van de grond. Een zoolganger, zoals een beer of een das, zet de hele voetzool neer. Teengangers zijn doorgaans snellere lopers, zoolgangers staan stevig en kunnen goed graven of klimmen.
