Op deze pagina worden drie gespecialiseerde groepen zoogdieren met elkaar vergeleken. Voor de knaagdieren wordt de muis als voorbeeld genomen, voor de roofdieren de leeuw en voor de hoefdieren de koe. Een overzicht van alle groepen staat op de pagina over zoogdieren.
Gedrag
De muis
Wie in het bos loopt, hoort soms ineens wat geritsel tussen de bladeren, dat heel snel weer ophoudt. Er is niets te zien. In de stal is wat geschuifel te horen, of op een rommelige zolder schiet iets weg, maar weer blijft het onzichtbaar. Wie wacht en stil is, ziet soms een muis die rondscharrelt en van een bes eet.
Daarmee zijn muizen al aardig gekarakteriseerd: het geluid van iets dat wegschiet is te horen, maar de dieren zelf zijn zelden te zien. Wel zijn er sporen te vinden: vraatsporen, keutels en de geur van urine. Muizen zijn schichtige dieren, die bij verstoring onmiddellijk wegduiken naar een veilige schuilplek, meestal ergens onder: een holletje onder de grond of onder de vloer.
Het gedrag van een muis is het best te zien bij een muis in een kooi. Het is een druk, actief dier dat steeds iets anders doet. Muizen zijn voortdurend bezig, besnuffelen van alles en raken alles aan. Aangeboden speeltjes zoals draaimolens gebruiken ze korte tijd, om daarna weer iets anders te doen. Ze eten meerdere keren per dag, waarbij opvalt dat ze hun voorpoten gebruiken en het voedsel soms meenemen om het ergens anders op te eten. Bij een onverwachte beweging reageert het diertje schrikachtig. Soms is het dier niet te zien, omdat het in zijn holletje slaapt. Muizen slapen niet lang achter elkaar, maar wel vaak.
Muizen zijn zenuwachtige, gevoelige en licht verstoorbare dieren. Indrukken uit de omgeving leiden tot heftige, meestal schrikachtige reacties. Ze nemen veel waar en zijn met de zintuigen sterk naar buiten gericht.
De leeuw
De leeuw wordt de koning der dieren genoemd. Met luid gebrul, dat op vele kilometers afstand te horen is, maken leeuwen hun aanwezigheid in het territorium duidelijk.
Leeuwen leven in troepen van enkele mannetjes, enkele vrouwtjes en jongere dieren. Ze kunnen urenlang in de zon of in de schaduw van een boom liggen luieren en slapen, de koppen en lichamen tegen elkaar aan, lui tegen en over elkaar hangend. Ze wrijven de koppen eens tegen elkaar en raken elkaar ‘liefdevol’ aan. Zo kunnen ze wel 20 uur per dag liggen, volledig ontspannen. Welpen spelen met elkaar. Een vreedzaam tafereel.
Plotseling kunnen enkele vrouwtjes dan een kudde prooidieren ontwaren. Ze beginnen met de jacht en kunnen een groep dieren (zebra’s, gnoes of andere hoefdieren) wel een uur lang in eendrachtige samenwerking achtervolgen en besluipen, tot ze kans zien een dier van de kudde af te zonderen. Lukt dat, dan drukken sommige leeuwinnen zich in de vegetatie om de slotaanval vanuit verrassing in te zetten. Vanaf hooguit 30 meter wordt ten slotte de prooi van achteren of van opzij besprongen. Met de hoektanden worden de luchtpijp of het ruggenmerg en de halsslagaders doorgebeten. Nadat de prooi is geveld, komen de mannetjes dichterbij en gaan als eerste eten. Grote brokken vlees worden snel naar binnen gewerkt. De vrouwtjes moeten wachten tot de mannetjes klaar zijn, anders worden ze grommend weggejaagd. Na de vrouwtjes zijn de jongen aan de beurt. Bij de maaltijd is er veel onderlinge agressie. Na het eten gaan alle dieren naar een plas om een grote hoeveelheid water te drinken, en daarna leggen ze zich ergens vreedzaam neer.
In de troep heerst weinig onderlinge strijd; binnen de groepen mannetjes en vrouwtjes heerst geen rangorde. Strijd ontbrandt pas wanneer jonge mannetjes, die jarenlang in aparte groepen leven, de heerschappij in de troep willen overnemen. De jonge mannetjes proberen dan op gewelddadige wijze de heersende mannetjes te verdrijven. Het gaat er hard aan toe. Wanneer ze de oude mannetjes hebben verdreven, moeten ze de vrouwtjes aan zich onderwerpen, en ook dat gaat met agressie gepaard. Daarna doden ze soms alle jonge dieren en dekken ze de vrouwtjes. Dan pas zijn ze echt de baas.
Bij de leeuw wisselen rustig liggen en beweging tijdens de jacht elkaar af, en vreedzaam samenleven en agressie. Vrede in de dagelijkse gang van zaken, agressie bij de strijd.
De koe
Wie in de winter 's morgens vroeg een stal binnenkomt, ziet alle koeien rustig vreten of herkauwen. Uit hun bek stijgt wat damp op en alleen het zachte geluid van het kauwen is hoorbaar. Sommige dieren kijken rustig naar de bezoeker door de kop licht te heffen; ze reageren niet of nauwelijks. De ogen lijken niet helder naar buiten te kijken, maar eerder dof naar binnen gericht. Ze gaan gewoon door met datgene waarmee ze bezig waren. De uiterlijke rust gaat gepaard met een grote spijsverteringsactiviteit.
In de zomer is de kudde in de wei te zien. Ook daar reageren de dieren nauwelijks op wie nadert, en ze grazen lopend of liggen te herkauwen. Slapend worden ze zelden aangetroffen. Per dag grazen ze 8 tot 10 uur, en evenveel tijd gebruiken ze om te herkauwen. Filmbeelden: grazende koeien en gehoornde runderen.
Vergeleken met de andere twee dieren is er bij dit kuddedier niet veel activiteit. Er is weinig interactie, behalve de voortdurende kleine dreigingen en schermutselingen om de rangorde te bepalen en te bevestigen. Koeien besteden ongeveer 1 uur per dag aan sociaal gedrag. Ze likken bijvoorbeeld elkaars huid. Om de rangorde te bevestigen dreigen de dieren elkaar, en dieren die laag in rang staan gaan opzij voor dieren die hoger in rang staan.
Runderen zijn rustige, ingetogen dieren die veel tijd besteden aan het eten en verteren van hun voedsel. Meer over de verschillende rassen staat op de pagina over runderen.
Vergelijking
De muis is met zijn zintuigen sterk naar buiten gericht: de lichtste verstoring wordt opgemerkt en levert een sterke reactie op. Die reactie is meestal vluchten: muizen verstoppen zich onder de grond in een holletje, waar ze ook slapen. Ze leven geheel in de omgeving en kunnen zich daar alleen van afsluiten door onder de grond te gaan.
De leeuw leeft in de afwisseling van rusten en jagen, van vrede en agressie. Spanning en ontspanning wisselen elkaar af bij de achtervolging en de aanval: de gespannen ontspanning in de hinderlaag en het krachtig samentrekken van de spieren in de slotaanval. Rudolf Steiner beschreef de leeuw als een voortdurend spel van uit het evenwicht vallen en weer in het evenwicht komen (GA 230).
Bij de koe is de waarneming meer naar binnen dan naar buiten gericht. Het dier is een groot deel van de dag bezig met vreten, herkauwen en het verteren van het voedsel. Het waarnemen van de omgeving en het daarop reageren (de speekselklieren in de kop zijn groter dan de hersenen) en het gevoel (runderen hebben nauwelijks gezichtsexpressie) zijn veel minder ontwikkeld.
Lichaamskenmerken
Lichaamsbouw
Muizen zijn kleine dieren met een lange staart. Ze wegen 20 tot 50 gram, en het lichaam is zonder staart 7 tot 10 cm lang; de staart is circa 7 cm. Opvallend is dat het lichaam, op de staart na, één geheel is: de kop gaat van buiten gezien schijnbaar zonder hals over in de romp, en ook de poten gaan op in de romp.
De lichaamshouding is gedrukt en in rust raakt de buik de grond, net als de lange, behaarde staart. De rug staat bol, de ruggengraat loopt bij de muis erg bol en het lichaam is aan de achterzijde hoger gebouwd dan aan de voorzijde.
Leeuwen hebben een middelgroot, 120 tot 200 kg zwaar, soepel, beweeglijk lichaam met een lange staart. Ze maken vloeiende bewegingen en kunnen de rug krommen. De kop, die veel uitdrukkingsmogelijkheden heeft, staat met een hals op de romp en steekt boven de ruglijn uit. Bij de mannetjes is de voorhand, ook door de manen, zwaarder gebouwd dan het achterlijf; bij de vrouwtjes is dat nauwelijks het geval. De staart is vrij lang. Het lichaam raakt de grond niet.
Koeien zijn vrij grote dieren met een massief lichaam van zo'n 650 kg. Ze staan hoog op hun poten; de romp zit ver boven de grond. De romp domineert. De kop zit met een enigszins slanke hals aan de romp en komt een beetje boven de ruglijn uit. Op het voorhoofd staan twee gebogen hoorns. De stier is door de schoft aan de voorkant zwaarder gebouwd. De koe is meer in evenwicht: de schoft ontbreekt en achteraan zit het uier.
Kleur van de vacht
De vacht van muizen is aan de bovenzijde bruingrijs en aan de onderkant grijswit.
Leeuwen zijn lichtbruin en egaal gekleurd. De mannetjes hebben donkerbruin gekleurde manen. Aan het eind van de staart zit een zwart kwastje. De welpen zijn lichtbruin gevlekt; aan de onderzijde en op de poten blijven de vlekken lang zichtbaar.
Runderen zijn van oorsprong donkerbruin tot zwart gekleurde dieren met een lichter gekleurde aalstreep over de rug. Rond de bek is er een witte of lichtgekleurde ring. De meest gangbare Nederlandse rassen zijn zwart-wit of roodbruin-wit gevlekt.
Zintuigen
De grote ogen van de muis vallen als eerste op; verder hebben muizen grote oorschelpen en lange tastharen bij de bek. Die tastharen nemen de lichtste trilling van de lucht al waar. Op de poten en het lichaam zitten veel tastlichaampjes, en ook de staart is gevoelig. Ondanks de grote ogen zien muizen niet zo goed; de oriëntatie gaat grotendeels via de reuk.
Leeuwen kunnen bewegende dingen goed zien, ook in het donker. Ze horen goed en hebben een voortreffelijke reuk.
Runderen kunnen goed zien. Ook op grote afstand kunnen ze dingen of personen herkennen. Ze zien ook kleuren. Horen, ruiken en proeven gaat goed.
Hart en longen
Hartslag en ademhaling van de muis zijn snel: de ademhaling circa 160 keer per minuut, de hartslag circa 450 keer per minuut.
Leeuwen hebben een relatief groot hart en grote longen. Vooral de longen zijn ten opzichte van het lichaamsgewicht groot: ongeveer drie keer zo groot als bij een rund.
Ledematen
Bij de muis zijn de achterpoten sterker ontwikkeld dan de voorpoten. Muizen staan soms op de achterpoten en gebruiken de voorpoten als handen om voedsel vast te houden. Ze lopen op het voorste deel van de voet.
De ledematen van de leeuw zijn middellang. Leeuwen lopen op de kussens van hun tenen (teengangers). De ledematen zijn soepel. Ze lopen met een lenige, verende tred. Rond het skelet zit veel spiermassa. Een leeuw bestaat maar voor 13% uit bot (paard: 20%).
De poten van de koe zijn lang, en dat geldt vooral voor de uiterste delen van de poten: de tenen zijn extra lang. Koeien lopen op de hoeven, dat wil zeggen op de nagels van twee tenen. Wat van de ledematen zichtbaar is, zijn de onderarmen en onderbenen en de vingers en tenen; de bovenbenen en bovenarmen zijn in het lichaam opgenomen. De tred is enigszins stijf en koeien rennen moeizaam.
Voortplanting
Na een draagtijd van 3 weken werpt de muis een flinke worp naakte, blinde jongen, soms tien of meer, die na 20 dagen al zelfstandig zijn. De jongen worden in een hol ter wereld gebracht. Er worden meerdere nesten per jaar geworpen.
De leeuwin zoekt voor het werpen van de jongen een geschikte plaats uit de buurt van de troep, die bescherming biedt tegen vocht, zonlicht en tocht. Na een draagtijd van 110 dagen worden 2 tot 4 gevlekte en blinde welpen geboren. De ogen gaan na ongeveer een week open. Als de welpen kunnen lopen, kunnen er families worden gevormd van enkele leeuwinnen met hun jongen. Na 8 weken gaan moeder en welpen terug naar de troep.
Bij koeien wordt na een draagtijd van 9 maanden 1 kalf geboren, dat direct kan lopen. In het wild legt de moeder het kalf op een afgelegen plek neer, waar het enkele dagen blijft liggen. De koe gaat er enkele keren per dag heen om het kalf te zogen.
Voedsel
Muizen eten zaden en noten: hoogwaardig voedsel met een hoge concentratie zetmeel of vet. Het voedsel wordt soms meegenomen om elders op te eten. Ook worden er voedselvoorraden aangelegd.
Leeuwen eten tot 30 kg vlees per keer van grote prooidieren. Ook aas en kleinere hoefdieren worden gegeten.
Koeien eten gras en kruiden door de tong om een polletje gras heen te slaan en het los te trekken. Ze eten alleen lang gras en kunnen geen kort gras afbijten, zoals paarden. Gras is een laagwaardig, moeilijk af te breken, energiearm voedsel. Koeien eten tot 50 kg vers product per dag en drinken tot 100 liter water per dag.
Spijsvertering
De muis heeft een relatief grote maag en een kort maag-darmkanaal van 8 keer de lichaamslengte. De blinde darm is groot. De speekselklieren zijn relatief groot, wat met het droge voer te maken heeft. Muizen produceren droge keutels, die (afgezien van de hoeveelheid) nauwelijks bruikbaar zijn als mest.
Leeuwen hebben een kort spijsverteringskanaal van slechts 7 meter, of 4 keer de lichaamslengte. Het verteren van vlees vraagt een krachtige spijsvertering met sterke maagsappen, maar de vertering gaat snel en het voedsel kan snel worden opgenomen. De mest stinkt en heeft weinig bemestende waarde.
Het moeilijk verteerbare voedsel van de koe gaat eerst naar de pens, waar het enkele uren wordt verteerd door micro-organismen, met name wimperdiertjes. Daarna wordt het naar de bek opgestulpt om herkauwd te worden en gaat het weer terug naar de pens. Pas als het voldoende is afgebroken, wordt het in porties doorgelaten naar de netmaag. Het spijsverteringskanaal is 50 tot 60 m lang, 25 keer de lengte van het dier. De koe heeft vier magen: de pens, de netmaag, de boekmaag en de lebmaag. De lebmaag komt overeen met de maag van de mens; de andere drie magen zijn uitgroeisels van de slokdarm. De mest is enigszins vochtig en vruchtbaar.
Gebit
Het gebit van de muis wordt gedomineerd door vier lange, beitelvormige snijtanden, die afslijten bij het “knagen” en voortdurend aangroeien. Hoektanden ontbreken, de plooikiezen zijn groot en hebben dwarse groeven. De kauwbeweging is voor-achter.
In het gebit van de leeuw domineren lange hoektanden. De snijtanden zijn klein en de knipkiezen hebben een spitse punt en neigen naar de vorm van hoektanden. De bijtbeweging is op en neer; het vlees wordt afgescheurd.
In het gebit van de koe domineren grote plooikiezen, waarin de plooien in de lengterichting staan. Hoektanden en de snijtanden in de bovenkaak ontbreken. De kauwbeweging is zijwaarts.
| kenmerk | muis | leeuw | koe |
|---|---|---|---|
| hersenen | 3,2 % | 0,2 % | 0,07 % |
| longen | 1,7 ‰ | 2,1 ‰ | 0,7 ‰ |
| hart | 6,5 ‰ | 5,4 ‰ | 4,3–5 ‰ |
| darmlengte | 8 x | 4 x | 25 x |
| skelet | 8 % | 13 % | 18 % |
Karakteristiek
De muis
Muizen hebben grote zintuigen en relatief grote hersenen. Ze doen steeds iets anders en alles maar kort; ook slapen doen ze op een dag in verschillende korte periodes. Hart en longen gaan snel. Het dier trilt en voelt zenuwachtig aan. In de fenomenologische benadering leven muizen vanuit hun zenuwen: het zenuw-zintuigstelsel heeft het gehele lichaam doordrongen.
De blinde darm is belangrijk voor de vertering van het voedsel. In het gebit domineren de snijtanden. Muizen slaan voedsel niet in zichzelf op door vet te vormen, maar leggen buiten zich voorraden aan.
De leeuw
De leeuw heeft relatief grote longen en een goed ontwikkeld hart. Leeuwen gaan speels en liefdevol met elkaar om en gedragen zich op andere momenten agressief tegenover elkaar. De gelaatsexpressie in het middengebied van het gezicht is belangrijk in de sociale omgang. In deze benadering is het een dier dat vanuit het gevoel handelt.
In het gebit domineren de hoektanden. Het voedsel wordt snel verteerd en vormt geen belasting voor het lichaam (zoals bij de koe, die het slecht verteerbare voedsel herkauwt). Ook het waarnemen vormt geen belasting (zoals bij de muis, die op iedere prikkel reageert). Volgens Steiner (GA 230) wordt bij de koe de bloedcirculatie zwaar en bij de muis, evenals bij vogels, de ademhaling nerveus. Bij de leeuw bestaat er volgens die beschrijving evenwicht tussen ademhaling en bloedcirculatie: ademhalingsfrequentie en hartslag houden elkaar in evenwicht en zijn harmonieus.
De koe
De koe heeft een lang darmkanaal en is volledig gericht op de spijsvertering. De stofwisseling bevindt zich, door het herkauwen en de vanuit de slokdarm gevormde pens, voor in het lichaam. Bij de muis ligt die achterin (de blinde darm), bij de leeuw in het midden (de maag). In het gebit domineren de kiezen.
Runderen nemen veel laagwaardig voedsel op, waarmee ze een groot lichaam opbouwen. Om de cellulose om te zetten in melk en vlees is veel kracht in de spijsvertering nodig. In de antroposofische beschrijving verbindt het dier zich intensief met de stoffen en krachten van de aarde en stoppen runderen veel doorzettingsvermogen, een sterke wil, in hun spijsvertering. De ledematen zijn lang en gespecialiseerd, door de reductie van het aantal stralen van hand en voet. Het aandeel van het skelet in het gewicht is aanzienlijk.
Deze dieren als huisdieren
Met dieren uit de drie groepen heeft de mens een verschillende relatie. Hond en kat zijn huisdieren, dieren die in huis komen en waar mensen van houden. Koe, paard, geit en varken worden ook als huisdier gehouden, maar in de stal. Het zijn landbouwhuisdieren, die voornamelijk nuttig zijn. Muizen en ratten worden als huisdier in een kooitje gehouden, maar mensen hebben er ook last van: het zijn dieren die ongewenst het huis binnenkomen.
- Knaagdieren zijn dieren die schade veroorzaken.
- Roofdieren zijn dieren die in huis komen en waar de mens van houdt.
- Hoefdieren zijn dieren die in de stal komen en voor de mens nuttig zijn.
Conclusies
In de fenomenologische benadering van Wolfgang Schad, die voortbouwt op de driegeleding van Rudolf Steiner, worden de drie dieren als volgt gekarakteriseerd:
- De muis leeft in de buitenwereld, heeft over het hele lichaam zintuigen, neemt veel waar, reageert daar heftig op en kan zich er moeilijk voor afsluiten. De nadruk ligt op het waarnemen en het zenuw-zintuigstelsel: het is een zenuw-zintuigdier of denkdier.
- De leeuw leeft in de afwisseling van rust en agressie. Het dier leeft vanuit het ritme, en het hart-longstelsel heeft zich sterk ontwikkeld. Het is een hart-longdier of gevoelsdier. Het ritme komt ook tot uiting in de vlekken van de vacht van de welpen.
- De koe leeft in de krachtige spijsvertering en stofopbouw en heeft de ledematen gespecialiseerd. Het stofwisseling-ledematenstelsel is goed ontwikkeld: het is een stofwisseling-ledematendier of wilsdier.
Daarbij hoort ook de lichaamsgrootte:
- Het zenuw-zintuigdier is het kleinste dier. Zenuwactiviteit en naar buiten gericht zijn vragen veel energie; het hoogwaardige voedsel wordt snel in activiteit omgezet.
- Het stofwisseling-ledematendier is het grootste dier. Het laagwaardige voedsel wordt omgezet in lichaamsmassa. Het dier is niet erg wakker en ingekeerd, en het voedsel wordt voor lichaamsopbouw gebruikt.
- Het hart-longdier neemt tussen beide een tussenpositie in.
| eigenschap | muis | leeuw | koe |
|---|---|---|---|
| gedrag | schrikachtig, nerveus | rust en agressie | rustig, ingekeerd |
| lichaamsgrootte | klein | middel | groot |
| lichaamskenmerken | rond, geen hals, bij de grond | soepel | stijf, lang, lange poten, ver van de grond |
| kleur | lichtbruin, lichte onderzijde | bruin, jongen gevlekt | donker, egaal, lichte aalstreep |
| zintuigen | tast, overal zintuigen | reuk, zicht en gehoor | reuk, smaak |
| hart en longen | snelle hartslag en ademhaling | groot hart en grote longen | relatief klein |
| spijsverteringskanaal | eenvoudig, grote blinde darm | kort, maag is belangrijk | lang, vier magen, pens, herkauwen |
| lengte t.o.v. lichaam | 8 x | 4 x | 25 x |
| voedsel | hoogwaardig, plantaardig | dierlijk | laagwaardig, plantaardig |
| mest | droge keutels | stinkend | vochtig, vruchtbaar |
| gebit (nadruk) | snijtanden | hoektanden | kiezen |
| kauwrichting | voor-achter | op en neer | zijwaarts |
| ledematen | kort | soepel | extra lang |
| loopt | op voorvoet | op de bal van de voet | op twee nagels van tenen (hoeven) |
| jongen | naakt en blind, ondergronds | behaard, blind, in nest | behaard en ziend |
| karakteristiek 1 | zenuw-zintuigdier | hart-longdier | stofwisseling-ledematendier |
| karakteristiek 2 | denkdier | gevoelsdier | wilsdier |
Polariteit van functioneel stelsel en zwaartepunt lichaam
In deze benadering bestaat er een polariteit tussen de activiteitenpool en het zwaartepunt van het lichaam. Bij de muis ligt de nadruk op het zenuw-zintuigachtige. Het hele lichaam staat in dienst van dit functionele stelsel. Het centrum van dit stelsel zetelt in het hoofd, terwijl het zwaartepunt van het lichaam juist achteraan ligt, waar het dier hoger is gebouwd, en bij de lange staart.
Bij de koe, en nog meer bij de stier, is het lichaam vooraan zwaarder en zit de meeste activiteit in het achterlichaam, waar het stofwisseling-ledematengebied zetelt.
De leeuw neemt een middenpositie in. Het lichaam is meer uitgebalanceerd; voor- noch achterpool is vergroot. Dezelfde polariteit wordt op de pagina over de evolutie van dinosauriërs doorgetrokken naar een heel andere diergroep.
De drie groepen in de biologische systematiek
De driedeling knaagdier, roofdier en hoefdier is een vergelijking van vormen en leefwijzen, geen stamboom. In de gangbare systematiek, die steeds meer op DNA-onderzoek steunt, staan de drie groepen anders ten opzichte van elkaar. De knaagdieren horen samen met de haasachtigen tot een grote tak waartoe ook de primaten, en dus de mens, behoren. Roofdieren en hoefdieren staan dichter bij elkaar: ze worden samen met onder meer de vleermuizen, de insecteneters zoals de egel en de walvissen tot een andere grote tak gerekend.
Ook de hoefdieren zelf zijn geen eenheid. De onevenhoevigen, zoals paard en neushoorn, en de evenhoevigen, zoals varken, koe en hert, hebben hun hoeven waarschijnlijk elk langs een eigen weg ontwikkeld. Dat hoeven, lange darmen en een plantaardig dieet bij zulke verschillende lijnen samen voorkomen, verklaart de biologie uit vergelijkbare leefwijzen op open grasland. De fenomenologische benadering ziet er een terugkerend gestaltepatroon in. Beide lezingen beginnen bij dezelfde waarneming: een muis, een leeuw en een koe zijn tot in hun tanden en darmen verschillend gebouwd.
Veelgestelde vragen
Waarom worden muis, leeuw en koe met elkaar vergeleken?
Ze vertegenwoordigen drie sterk gespecialiseerde groepen zoogdieren: de knaagdieren, de roofdieren en de hoefdieren. Door ze punt voor punt naast elkaar te leggen, worden de verschillen in gedrag, bouw, voedsel en spijsvertering goed zichtbaar. Vergelijkbare paren staan op de pagina's over paard, varken en koe en hond en kat.
Wat is de driegeleding van zoogdieren?
Het is een indeling uit de fenomenologische benadering, uitgewerkt door Wolfgang Schad en gebaseerd op de drie orgaanstelsels die Rudolf Steiner onderscheidde. Knaagdieren gelden daarin als zenuw-zintuigdieren, roofdieren als hart-longdieren en hoefdieren als stofwisseling-ledematendieren. Het is een manier van kijken, geen onderdeel van de biologische systematiek.
Waarom blijven de tanden van een muis groeien?
De vier lange, beitelvormige snijtanden van een muis slijten voortdurend af door het knagen. Omdat ze wortelloos zijn en steeds aangroeien, blijft de lengte op peil. Zonder slijtage zouden ze te lang worden.
Hoeveel uur per dag rusten leeuwen?
Leeuwen kunnen wel 20 uur per dag liggen rusten of slapen, vaak dicht tegen elkaar aan. Die lange rust wordt afgewisseld met korte periodes van intensieve jacht, waarbij vooral de leeuwinnen in samenwerking een prooi besluipen en bespringen.
Waarom herkauwt een koe?
Gras is laagwaardig, celluloserijk voedsel dat moeilijk af te breken is. De koe laat het eerst in de pens door micro-organismen voorverteren, stulpt het dan weer op naar de bek en kauwt het opnieuw. Pas als het voldoende is afgebroken, gaat het verder door de andere magen. Meer staat op de pagina over herkauwers.
Hoeveel magen heeft een koe?
Een koe heeft vier magen: de pens, de netmaag, de boekmaag en de lebmaag. De lebmaag komt overeen met de maag van de mens. De andere drie zijn uitgroeisels van de slokdarm.
Hoe lang is het darmkanaal van muis, leeuw en koe?
Het darmkanaal van de muis is ongeveer 8 keer de lichaamslengte, dat van de leeuw ongeveer 4 keer (zo'n 7 meter) en dat van de koe ongeveer 25 keer (50 tot 60 meter). Vleeseten vraagt het kortste darmkanaal, gras het langste.
Hoe lopen muis, leeuw en koe?
De muis loopt op het voorste deel van de voet, de leeuw op de kussens van zijn tenen en de koe op de hoeven, de nagels van twee tenen. Bij de koe zijn de bovenbenen en bovenarmen grotendeels in het lichaam opgenomen, zodat vooral onderbenen en tenen zichtbaar zijn.
Waarom zijn leeuwenwelpen gevlekt?
Leeuwenwelpen worden gevlekt geboren; aan de onderzijde en op de poten blijven de vlekken lang zichtbaar, terwijl volwassen leeuwen egaal lichtbruin zijn. In de fenomenologische benadering wordt in die vlekken het ritmische karakter van het roofdier gezien. Gangbare biologie ziet in de vlekken vooral schutkleur voor de jonge, kwetsbare dieren.
Wat bedoelt Steiner met denkdier, gevoelsdier en wilsdier?
In de antroposofische benadering wordt de muis, als zenuw-zintuigdier, een denkdier genoemd, de leeuw als hart-longdier een gevoelsdier en de koe als stofwisseling-ledematendier een wilsdier. Het zijn beelden uit die traditie, geen biologische begrippen. Zie ook de pagina over de driegeleding van de mens.
