Paard – varken – koe
Paard, varken en koe staan al duizenden jaren naast elkaar op het boerenerf. Toch zijn het heel verschillende dieren, en juist die verschillen worden zichtbaar wanneer ze punt voor punt naast elkaar worden gelegd: gedrag, bouw, vacht, voedsel, darmen, tanden en zintuigen.
De belangrijkste landbouwhuisdieren zijn hoefdieren. De hoefdieren worden verdeeld in de onevenhoevigen en de evenhoevigen. De evenhoevigen worden verdeeld in de varkensachtigen en de herkauwers.
Op deze pagina komen deze drie hoofdgroepen aan de orde:
- Het paard als vertegenwoordiger van de onevenhoevigen.
- Het varken als vertegenwoordiger van de varkensachtigen.
- De koe als vertegenwoordiger van de herkauwers.
De koe is als vertegenwoordiger van de hoefdieren al behandeld op de pagina over muis, leeuw en koe. Sommige stukken daarvan komen hier terug om de vergelijking makkelijker te maken. Hoefdieren zijn over het algemeen grote dieren. Het zijn dieren die de ledematen en het spijsverteringskanaal hebben gespecialiseerd.
Oorsprong
Het wilde paard dat nog leeft is het Mongoolse Przewalskipaard, dat in 1879 werd ontdekt en lange tijd alleen in dierentuinen heeft overleefd. Sinds de jaren negentig van de twintigste eeuw worden er weer dieren naar Mongolië gebracht en uitgezet. Een uitgestorven Europese verwant was het tarpanpaard. De tarpan was een muisgrijs paard. Het woog ongeveer 300 kg en met een schouderhoogte van 110 tot 130 cm leek het op een pony. De poten waren donker, manen en staart waren zwart en ook de brede aalstreep was zwart. De tarpan is aan het eind van de negentiende eeuw uitgestorven. In Polen zijn wel zogenaamde konikpaarden bewaard gebleven, die sterk leken op de tarpan. Later is daar verder mee gefokt. Deze dieren kunnen het hele jaar buiten overleven. In Nederland lopen ze onder meer in de Oostvaardersplassen en in andere natuurgebieden.
Varkens stammen af van het wilde zwijn. Deze dieren leven nog in de vrije natuur, bijvoorbeeld op de Veluwe. Het zijn massief gebouwde dieren met relatief korte poten. Ze zijn bruin en ruig behaard en hebben in vergelijking met het varken een langere snuit en kop. Everzwijnen hebben een kam van haren op de rug staan. De dieren zijn in Nederland circa 100 cm lang, 50 cm hoog en 75–150 kg zwaar. De hoektanden steken ver uit; zowel de onderste, grotere hoektanden als de bovenste hoektanden zijn naar boven gebogen. Meer over deze groep staat op de pagina over varkensachtigen.
Het oorspronkelijke wilde rund, het oerrund, was een groot dier. De stieren hadden een schouderhoogte van 1,75 tot 2 meter en een gewicht van 700 tot 1000 kg; de koeien waren ongeveer 25% kleiner. De stieren waren meestal zwart en de koeien bruin. De dieren hadden een lichtgekleurde aalstreep, een witte snuit en grote hoorns, die bij de stieren dikker en meer gedrongen waren en bij de koeien lang en naar buiten gebogen. Oerrunderen kwamen van oorsprong voor in gebieden met afwisseling van bos en open plekken.
In 1627 is het laatste oerrund gestorven. Omstreeks 1920 zijn de gebroeders Heck begonnen een oerrund terug te fokken. Uit grottekeningen en schilderijen was bekend hoe de dieren eruitzagen, en dit exterieur hebben zij geprobeerd terug te krijgen. Ze deden dat door verschillende primitieve rassen met elkaar te kruisen, totdat het exterieur van het oerrund was bereikt. Gebruikte rassen zijn onder andere het Spaanse vechtrund, het Camarguerund, het Corsicaanse rund, het Hongaarse steppenrund en het Engelse parkrund. Ook is gebruikgemaakt van enkele meer veredelde rassen, zoals het Fries-Hollandse ras en enkele Alpenrassen. Dit teruggefokte dier wordt het Heckrund genoemd. Het uiterlijk lijkt goed op het oerrund. Toch wordt de gelijkenis met het oerrund wel betwijfeld. In Nederland zijn Heckrunderen uitgezet in verschillende natuurterreinen, zoals de Oostvaardersplassen, de Slikken van Flakkee en het Lauwersmeer.
Gedrag en gebruik
Paard
Wie ergens paarden tegenkomt, ziet dat ze reageren en kijken; veelal komen ze naar de mens toe en laten ze zich aanhalen. Ook als ze niet naderbij komen, houden ze een bezoeker in de gaten. Het zijn dieren van de vlakte: ze lopen en draven veel en kunnen goed springen. Wanneer ze een bocht maken, is te zien dat het lichaam stijf is en niet erg wendbaar. Bij gevechten bijten ze en slaan ze met hun poten. Ze foerageren onder normale omstandigheden circa 60% van de dag (14 uur); onder slechte omstandigheden kan dat oplopen tot 80%. Paarden zijn goed te beleren (denk aan dressuur) en beleren hun veulens. Ze hebben relatief veel gezichtsexpressie. Ze zijn gevoelig voor stroom (40 volt kan al te veel zijn). Ze zijn het symbool van kracht, sierlijkheid en vrijheid.
Paarden worden gebruikt om op te rijden, om karren en wagens te trekken en om lasten te vervoeren. Ze worden ook gebruikt als trekkracht bij het bewerken van het land. In Azië en soms in Europa worden paarden gehouden voor de melkgift. Ook worden ze gebruikt bij de dressuur en in het circus, om op te rijden en om hun sprongvermogen. Ze kunnen veel leren, zelfs om te ‘dansen’ op muziek.
Varken
Varkens zijn nieuwsgierige groepsdieren, die bij nadering op een bezoeker afkomen. Hun gedrag lijkt nog in veel opzichten op het gedrag van hun wilde voorouders, die in het bos voorkwamen. Hun dag bestaat uit een afwisseling van wakker zijn en rusten (dommelen en slapen). Beide doen ze ongeveer 12 uur, verdeeld over twee perioden, want ze hebben dagelijks twee actieve perioden en twee rustperioden. Slapend liggen ze tegen elkaar aan en deels ook op elkaar. Wanneer ze buiten lopen, besteden ze ongeveer 8 uur aan het zoeken naar voedsel, waarvan ze 2 uur wroeten, dat wil zeggen met de wroetschijf door de aarde gaan op zoek naar zaden, wortels en kleine dieren. Wanneer ze in de stal voer krijgen, ontstaat er agressie: ze proberen dan zoveel mogelijk voer te krijgen en jagen elkaar weg.
Ze gaan graag op onderzoek uit. Als ze in een moderne stal zitten, waar niets te ontdekken valt (de wanden en vloer zijn vlak) en er niets te scharrelen en te jagen valt, dan gaan ze elkaar als substraat gebruiken. Ze gaan staartbijten en daarna op elkaar jagen. Staartbijten is dus een vervanging van het onderzoeks- en jachtgedrag van varkens. Ze vinden het prettig om modderbaden te nemen en zich tegen bomen aan te schuren. Wilde verwanten hebben in hun biotoop altijd enkele zoelplaatsen en wrijfbomen. Deze modderbaden hebben een functie bij de huidverzorging. Varkens kunnen zich namelijk niet overal likken.
Varkens worden als alleseter gebruikt om onbruikbaar, veelsoortig voer om te zetten in vlees. Het dier is van oorsprong een verwerker van stadsafval en werd gehoed in het bos; later is het een verwerker van boerderijafval geworden en nu wordt het gevoed met voedsel van goede kwaliteit. Er is belangstelling voor het varken als gezelschapsdier. Ze zijn slim, zindelijk en vriendelijk. Een varken dat in huis wordt gehouden, raakt erg aan mensen gehecht.
Koe
Wie in de winter 's morgens vroeg een stal binnenkomt, ziet alle koeien rustig vreten of herkauwen. Uit hun bek stijgt wat damp op en alleen het zachte geluid van het kauwen is hoorbaar. Sommige dieren kijken rustig naar de bezoeker door de kop licht te heffen; ze reageren niet of nauwelijks. De ogen lijken niet helder naar buiten te kijken, maar eerder dof naar binnen gericht. Ze gaan gewoon door met datgene waarmee ze bezig waren. De uiterlijke rust gaat gepaard met een grote spijsverteringsactiviteit.
In de zomer is de kudde in de wei te zien. Ook daar reageren de dieren nauwelijks op wie nadert, en ze grazen lopend of liggen te herkauwen. Slapend worden ze zelden aangetroffen. Per dag grazen ze 8 tot 10 uur en evenveel tijd gebruiken ze om te herkauwen.
Koeien besteden ongeveer 1 uur per dag aan sociaal gedrag. Ze likken bijvoorbeeld elkaars huid. Om de rangorde te bevestigen dreigen de dieren elkaar, en dieren die laag in rang staan gaan opzij voor dieren die hoger in rang staan. Koeien worden gebruikt om gras om te zetten in melk en vlees. Vroeger werden ossen ook gebruikt om lasten te trekken (ossenwagens).
Vergelijking
Paarden zijn nieuwsgierige, gevoelige dieren. Ook varkens zijn nieuwsgierig. Koeien zijn dat veel minder. Paarden houden van draven en lopen. Varkens houden van wroeten en koeien van grazen en herkauwen; draven kunnen ze niet. Varkens liggen tegen elkaar aan en kennen een afwisseling van rust en agressie. Sociaal gedrag komt bij koeien weinig voor.
In hun gedrag lijken paarden op knaagdieren (nieuwsgierig), varkens op roofdieren (veel onderling sociaal gedrag en een afwisseling van onderlinge rust en agressie), terwijl koeien het meest de stofwisselingsdieren vertegenwoordigen.
Lichaamskenmerken
Lichaamsbouw
Een paard is een groot, tamelijk rank dier, dat hoog op zijn poten staat. Het lichaam is daardoor relatief ver van de aarde verwijderd. De kop is via een relatief lange hals verbonden met de romp en steekt hoog boven de romp uit. De kop is langgerekt; met name de onderkaak is lang. Er is geen schoft, wel zijn er manen op de nek. Het dier is vooraan tamelijk licht gebouwd, de romp is evenwichtig. De staart is lang en bedekt met lang golvend haar. De benen zijn lang, recht en gestrekt, wat vooral te zien is aan de geringe buiging van de gewrichten. Aan ieder been zit nog één hoef (de uitgegroeide nagel van een teen). Beelden van het paard dat het dichtst bij de tarpan staat: Konik of tarpan paarden.
Het varken is een niet al te groot dier, dat enigszins plomp en rondachtig is gebouwd. Het gewicht is ongeveer 150 kg. Ze zijn roze tot bruin gekleurd. De poten zijn relatief kort en hebben twee hoeven met twee smalle bijklauwen. De kop gaat (van buitenaf gezien) zonder een noemenswaardige hals over in de romp; door de enorme spiermassa valt de nek niet op. De kop zit op rughoogte. De neus is verbreed tot een beweeglijke, schotelvormige wroetschijf. De staart is kort. Het lichaam is relatief wendbaar, maar bochten nemen ze niet zo makkelijk: ze gaan min of meer haaks de bocht om, ongeveer zoals hazen dat doen.
Filmbeelden van varkens en wilde zwijnen: Varken in de wei, Gelukkige varkens en Wilde zwijnen.
Koeien zijn relatief zwaar gebouwde dieren, die minder hoog op de poten staan dan paarden. De gewrichten van de poten zijn meer gebogen. Ze lopen op twee hoeven. De kop is met een korte hals verbonden met de romp en steekt niet ver boven de ruglijn uit. De schedel is korter dan die van het paard. Met name de stier is vooraan zwaar gebouwd door de schoft. Opvallend zijn de hoorns, die op de kruin van de kop staan.
Filmbeelden van runderen: Koeien in de wei, Heck runderen en Heck runderen 2.
Bij het paard zijn de benen en de schedel lang en komt de kop hoog boven de ruglijn uit. Het varken is min of meer plomp gebouwd en heeft de kop op rughoogte. Het rund heeft de kop wat lager dan het paard, en op de kop staan hoorns.
Kleur van de vacht
Om de vachtkleur te vergelijken moeten de wilde soortgenoten worden genomen. Het Przewalskipaard is lichtbruin met een lichtere onderzijde. De manen zijn donkerder. Rond de bek is een lichtere zone.
Het everzwijn is egaal donker en stug behaard. De jongen zijn lichter en gestreept.
Het oerrund is egaal donker tot lichtbruin met een lichte aalstreep op de rug.
Het paard heeft, evenals de muis, een lichte onderzijde. Bij de wilde zwijnen zijn de jongen gestreept, een kenmerk dat veel voorkomt bij roofdieren, die gevlekt of gestreept zijn.
Voedsel
Paarden eten bij voorkeur kort, relatief hoogwaardig, jong gras dat met de snijtanden wordt afgebeten. Ook eten ze bladeren, knoppen, vruchten en dergelijke. Dat voedsel bevat weinig cellulose. Oud gras laten ze staan. In een paardenwei is er een afwisseling van plekken met kort gras, die ze bijhouden, en doorgeschoten gras, dat de paarden laten staan. Toch kan een paard ook overleven op gras van slechte kwaliteit. Dan verhoogt het dier de opnamesnelheid en laat het het gras snel door zijn spijsverteringskanaal lopen (tot tweemaal de passagesnelheid van een koe). Het haalt dan niet veel voeding uit het gras, maar door de hoge doorloopsnelheid wel voldoende.
Het varken is een alleseter: het eet wortels, bladeren, vruchten, zaden en paddenstoelen. Ook neigt het naar het eten van vlees: aas, regenwormen, larven en kleine gewervelde dieren worden gegeten wanneer het ze tegenkomt.
Omdat runderen het gras met de tong afrukken, is het gras dat koeien eten lang, celluloserijk en energiearm, en daardoor laagwaardiger dan het gras dat paarden eten. Het voer komt eerst in de pens en wordt daarna herkauwd. De afgebroken plantendelen met de micro-organismen zijn het eigenlijke voer dat in de eigenlijke maag (de lebmaag) komt en wordt opgenomen. Hoe dat stelsel van magen werkt, staat uitgebreider op de pagina over herkauwers.
Paarden eten relatief hoogwaardiger plantaardig voer dan koeien. Varkens zijn alleseters en eten ook vlees; hun voedsel is het makkelijkst verteerbaar.
Spijsverteringskanaal
Het spijsverteringskanaal van het paard is ongeveer 30 m lang (15 keer de lichaamslengte). Het belangrijkste verterings- en gistingsorgaan is de blinde darm met een inhoud van 30 liter, die achter de maag zit. Het totale volume van het spijsverteringskanaal is 210 liter, waarvan de maag 9% omvat, de dunne darm 30% en de dikke en blinde darm samen 61%. Doordat de vertering vooral in de blinde darm plaatsvindt, zetten paarden het voedsel minder goed om dan herkauwers. In de warme, vrij droge uitwerpselen zit nog veel enigszins verteerd voer. In de vrije natuur poepen de leidende hengsten op hopen die wel een meter hoog kunnen worden. Hopen van andere hengsten schoppen ze kapot.
Varkens hebben een eenvoudig spijsverteringskanaal van 25 m (ca. 20 keer de lichaamslengte) met een eenkamerige maag met een uitstulping aan de kopse kant. Het volume van het spijsverteringskanaal is 27 liter, waarvan de maag 29% inneemt, de dunne darm 33% en de dikke en blinde darm 38%. Het volume is relatief klein en de maag is relatief belangrijk. De vertering vindt veelal in de maag plaats. Als ze goed gevoerd worden, hebben ze keutels als van jongvee.
Koeien hebben een lang spijsverteringskanaal van 50 tot 60 meter (ca. 30 keer de lichaamslengte). Ze hebben vier magen, waarvan de lebmaag overeenkomt met de maag van de mens. Er zijn drie magen voor gekomen, uitgroeisels van de slokdarm: de pens van 200 liter, de netmaag en de boekmaag. Net-, boek- en lebmaag hebben samen een inhoud van 50 liter. Het totale volume van het spijsverteringskanaal is 360 liter, waarvan de magen 71% innemen, de dunne darm 18% en de dikke en blinde darm samen 11%. De vertering vindt al vóór de maag plaats in de pens, en door te herkauwen wordt het voedsel in kleinere stukjes verdeeld.
De spijsvertering is iets van grote hoeveelheden. Zo wordt er meer dan 100 liter speeksel per dag geproduceerd (mens 1 tot 2 liter, paard 40 liter); bij een dieet van voornamelijk ruwvoer zijn zelfs waarden van 400 liter per dag vastgesteld. Koeien foerageren circa 8 tot 10 uur per dag en herkauwen even lang. In vergelijking met het paard (14 uur) besteden ze minder tijd aan grazen; daar staat tegenover dat ze langer bezig zijn met de verwerking van het voer. De mest houdt het midden tussen die van het paard en het varken, zowel wat de mate van vertering betreft als de vochtigheid. Het is een goede meststof.
| lengte (m) | relatieve lengte | volume (l) | maag | dunne darm | blinde darm | dikke darm | speeksel (l) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| paard | 30 | 15 x | 210 | 9 % | 30 % | 16 % | 45 % | 40 |
| varken | 25 | 20 x | 27 | 29 % | 34 % | 6 % | 32 % | 15 |
| koe | 50–60 | 30 x | 360 | 71 % | 18 % | 3 % | 8 % | > 100 |
Runderen hebben het langste spijsverteringskanaal met het grootste volume; dat van paarden is het kortst. Het volume is bij varkens het kleinst, wat samenhangt met de goede verteerbaarheid van hun voedsel. Runderen verteren het voedsel vóór de eigenlijke maag in de pens, en paarden doen dat na de maag in de blinde darm.
Gebit
Het gebit van paarden bestaat uit grote snijtanden boven en onder, die loodrecht op elkaar staan en waarmee ze het gras afknippen. Daarna ontbreken de hoektanden (hengsten hebben wel kleine hoektanden) en volgen er grote plooikiezen met ribbels in de lengte van de kaak. Paarden kauwen hun voedsel zijdelings. De onderkaak, die overeenkomt met het beweeglijke ledematendeel van de schedel, is zeer groot en massief.
Bij varkens zijn alle tanden en kiezen aanwezig. De snijtanden staan naar voren, de hoektanden (houwers) zijn groot, steken bij het mannetje uit de bek en zijn naar boven gebogen. De knobbelkiezen zijn weinig gespecialiseerd. De voorste kiezen zijn net als bij roofdieren zijdelings afgeplat, de achterste kiezen zijn platte knobbelkiezen. Het verschil met de hoektanden van roofdieren is dat ze bij het varken wortelloos zijn, blijven groeien en aan elkaar afslijpen.
In het gebit van de koe domineren grote plooikiezen, waarin de plooien net als bij het paard in de lengterichting staan. Snijtanden zijn er alleen in de onderkaak, in de bovenkaak ontbreken ze. Hoektanden ontbreken; de lege ruimte in het gebit wordt diastema genoemd. De kauwbeweging is zijwaarts.
Zintuigen
Paarden hebben grote ogen die vrij ver naar achteren op de schedel staan. Hun gezichtsveld is breed. Ze zien goed, ook 's nachts. Ook de oren zijn groot en ze horen goed. Door de oren te richten kunnen paarden bepalen waar het geluid vandaan komt. Wanneer een paard heeft gezien waar het vandaan komt, kan het ook zonder aanwijzingen van de berijder de weg terug vinden. Toen paarden vroeger werden gebruikt als trekkracht voor bijvoorbeeld de melkwagen, wist het paard precies waar het moest stoppen.
Varkens hebben relatief kleine ogen en tamelijk lange, expressieve oren. Gehoor en reuk zijn buitengewoon goed ontwikkeld. Vallende vruchten vinden ze feilloos op het gehoor, en ook brekende takjes kunnen ze op grote afstand horen. Met hun reuk kunnen ze voedsel opsporen, zoals eikels; die reuk wordt ook benut door varkens truffels te laten zoeken. In de gevoelige wroetschijf bevinden zich veel tastzintuigen.
Koeien kunnen goed kijken en horen, hoewel ze waarschijnlijk alleen bewegende voorwerpen zien en onbeweeglijke pas van dichtbij. Vaak is door hun doffe blik niet duidelijk dat de dieren iets zien. De reuk en de smaak zijn beter ontwikkeld.
| orgaan | paard | varken | koe |
|---|---|---|---|
| hersenen | 1,5 ‰ | 1,0 ‰ | 0,7 ‰ |
| hart | 7,8 ‰ | 3 ‰ | 4,3–5 ‰ |
| longen | 1,2 ‰ | ? | 0,7 ‰ |
| skelet | 20 % | 18 % | 18 % |
Karakteristiek
Het paard
Het paard is rank gebouwd. Het draagt de kop hoog, heeft een lange nek en lange, gestrekte ledematen. Het kan goed draven en springen. Aan de onderzijde is het wilde paard lichter van kleur. Het heeft grote zintuigen en reageert alert. Het belangrijkste verteringsorgaan is de blinde darm, waar het door de snijtanden afgeknipte, relatief hoogwaardige gras wordt verteerd. Het paard heeft een aantal kenmerken die ook bij de muis voorkomen (grote zintuigen, lichte onderzijde, snijtanden, blinde darm).
Het varken
Het varken is plomp gebouwd en egaal donker van kleur. Het heeft grote hoektanden en eet, als het voor de bek komt, een diertje. Het belangrijkste verteringsorgaan is de maag. Er worden gestreepte jongen geboren die het prettig vinden om tegen elkaar aan te liggen. Het varken heeft een aantal kenmerken die ook bij de leeuw voorkomen (sociaal gedrag, afwisseling van rust en agressie, hoektanden, maag, eet vlees).
De koe
De koe heeft een massief gebouwd, stijf lichaam met een lichte aalstreep. Het rund heeft grote kiezen, verteert in de pens en leeft van laagwaardig voedsel.
Conclusies
In de fenomenologische benadering die op de pagina over muis, leeuw en koe is uitgewerkt, worden de hoefdieren gekarakteriseerd als de stofwisseling-ledematendieren. Hier zijn van de drie groepen daarbinnen drie vertegenwoordigers vergeleken. Binnen de stofwisseling-ledematendieren is in die zienswijze:
- Het paard het zenuw-zintuigdier. Het heeft vergelijkbare kenmerken als de muis. De muis heeft geen lange nek, het paard wel. De lange nek scheidt het zenuw-zintuiggebied van het stofwisselings-ledematengebied, waardoor het paard een zintuigactief dier kan zijn.
- Het varken het hart-longdier. Hier zijn de kenmerken vergelijkbaar met die van de leeuw.
- De koe het stofwisseling-ledematendier.
Een andere indeling is dat:
- Het paard de ledematen heeft gespecialiseerd (draaft veel, loopt op een hoef, lange ledematen).
- De koe de stofwisseling heeft gespecialiseerd (eet laagwaardig voedsel, lang spijsverteringskanaal, herkauwer).
- Het varken in dit opzicht ongespecialiseerd is; bij het varken is de voortplanting gespecialiseerd, met zijn vele nakomelingen.
Hoe meer de stofwisseling is gespecialiseerd, hoe meer die naar voren schuift. Bij het paard is het belangrijkste verteringsorgaan de blinde darm, bij het varken de maag en bij de koe de pens (een uitgroeisel van de slokdarm).
| kenmerk | paard | varken | koe |
|---|---|---|---|
| gebit | snijtanden | hoektanden | kiezen |
| voedsel | hoogwaardig plantaardig | divers plantaardig, vlees | laagwaardig plantaardig |
| spijsvertering | blinde darm | maag | pens, herkauwen |
| gedrag | wakker | sociaal, afwisselend rust en agressie | ingekeerd |
| lichaam | kop hoog | kop midden | kop iets hoger, hoorns |
| gebruik | rijdier, lastdier | afvalverwerker, gezelschapsdier | melk en vlees |
| specialisatie | ledematen | voortplanting | stofwisseling |
| conclusie | zenuw-zintuigdier | hart-longdier | stofwisseling-ledematendier |
De drie dieren in hun afstamming
De drie dieren staan in de biologische systematiek verder uit elkaar dan hun plaats op het erf doet vermoeden. Paard en neushoorn horen bij de onevenhoevigen, varken en koe bij de evenhoevigen. Binnen de evenhoevigen zijn varkens en herkauwers aparte lijnen, en genetisch onderzoek plaatst ook de walvissen binnen de evenhoevigen, met de nijlpaarden als naaste verwanten. Het varken is in die groep de minst gespecialiseerde vorm: een maag met één kamer, een volledig gebit en een dieet van bijna alles.
Bij het paard is de lange ontstaansgeschiedenis uitzonderlijk goed gedocumenteerd met fossielen, van kleine bosbewoners met meerdere tenen tot het eenhoevige steppedier van nu. Die reeks, en de vraag hoe rechtlijnig ze werkelijk is, wordt besproken op de pagina over de evolutie van het paard. Wie de bouw van het paard naast die van het varken legt, ziet in het klein wat de reeks in de tijd laat zien: langere benen, minder tenen, een langere schedel en kiezen die op hard gras zijn berekend.
Domesticatie
Alle drie de dieren zijn door de mens gedomesticeerd, maar op verschillende momenten en om verschillende redenen. Runderen en varkens werden gehouden voor vlees, en bij runderen kwamen melk, huiden en trekkracht erbij. Het paard werd later gedomesticeerd en was vooral waardevol als rijdier en trekdier, waarmee het de afstanden die mensen konden afleggen sterk vergrootte.
Het tamme varken verschilt van het wilde zwijn vooral in snuit en kop, die korter zijn geworden, en in de vacht, die bij veel rassen dun en roze is. Het wilde zwijn heeft zijn gestreepte biggen, zijn haarkam en zijn uitstekende houwers behouden. Bij het rund zijn de verschillen tussen rassen groot: van zwaar gebouwde vleesrassen tot de melkkoe met een groot uier. Bij het paard loopt de reeks rassen van de zware trekpaarden tot de lichte, snelle volbloeden, terwijl het Przewalskipaard en de konik laten zien hoe een paard eruitziet dat zijn eigen jaar buiten doorbrengt.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen onevenhoevigen en evenhoevigen?
Onevenhoevigen, zoals het paard, dragen hun gewicht op een oneven aantal tenen; bij het paard is dat één teen met een hoef. Evenhoevigen, zoals varken en koe, lopen op twee hoeven. De evenhoevigen worden weer verdeeld in de varkensachtigen en de herkauwers. Meer over de eerste groep staat op de pagina over onevenhoevigen.
Waarvan stammen paard, varken en koe af?
Het tamme varken stamt af van het wilde zwijn en de koe van het uitgestorven oerrund. Het Przewalskipaard is het enige wilde paard dat nog leeft; de uitgestorven tarpan was een Europese verwant. Het konikpaard lijkt sterk op die tarpan.
Wanneer is het oerrund uitgestorven?
Het laatste oerrund stierf in 1627. Vanaf omstreeks 1920 probeerden de gebroeders Heck het dier terug te fokken door primitieve runderrassen te kruisen. Het resultaat, het Heckrund, lijkt uiterlijk op het oerrund, maar de gelijkenis wordt betwijfeld.
Hoe lang is het spijsverteringskanaal van een koe?
Het spijsverteringskanaal van een koe is 50 tot 60 meter lang, ongeveer dertig keer de lichaamslengte. Bij het paard is dat ongeveer 30 meter en bij het varken ongeveer 25 meter. De koe heeft ook het grootste volume, ongeveer 360 liter.
Waarom verteert een paard gras minder goed dan een koe?
Bij het paard vindt de vertering vooral plaats in de blinde darm, achter de maag. Een herkauwer breekt het voer al vóór de eigenlijke maag af in de pens en kauwt het opnieuw. Daardoor bevat paardenmest nog veel deels verteerd voer.
Waarom bijten varkens in de stal elkaars staart?
Varkens zijn van nature onderzoekende dieren die veel tijd besteden aan wroeten en zoeken naar voedsel. In een kale stal zonder iets om te onderzoeken gaan ze elkaar als substraat gebruiken. Staartbijten is zo een vervanging van onderzoeks- en jachtgedrag.
Waarom nemen varkens modderbaden?
Modderbaden dienen de huidverzorging. Varkens kunnen zich niet overal likken, daarom rollen ze in de modder en schuren ze zich tegen bomen. Wilde zwijnen hebben in hun leefgebied altijd enkele zoelplaatsen en wrijfbomen.
Welke tanden heeft een koe?
Een koe heeft grote plooikiezen met plooien in de lengterichting. Snijtanden zitten alleen in de onderkaak; in de bovenkaak en op de plaats van de hoektanden is een lege ruimte, het diastema. De kauwbeweging is zijwaarts.
Hoe goed zien en horen paarden?
Paarden hebben grote ogen ver naar achteren op de schedel en een breed gezichtsveld; ze zien ook 's nachts goed. Met hun grote, draaibare oren bepalen ze waar een geluid vandaan komt. Een paard vindt een eenmaal geziene weg vaak zelf terug.
Wat wordt bedoeld met het paard als zenuw-zintuigdier?
Dat is een indeling uit de fenomenologische benadering, geen biologische classificatie. Daarin gelden de hoefdieren als stofwisseling-ledematendieren, en binnen die groep lijkt het paard met zijn grote zintuigen en alerte gedrag op de muis, het varken op de leeuw en de koe het meest op het stofwisselingsdier. Dezelfde driedeling wordt uitgewerkt op de pagina muis, leeuw en koe.
