Antilopen:
gazellen, dwergantilopen, duikers, schroefhoornantilopen en
grazende antilopen
Antilopen vormen een grote groep
herkauwers. Onderscheiden worden:
- gazellen of echte antilopen,
- dwergantilopen,
- duikers,
- schroefhoornantilopen en
- grazende antilopen (paardantilopen,
koeantilopen en waterbokken).
Gazellen
of echte antilopen
Gazellen
vormen een gelijkvormige groep dieren, bestaande uit 18 soorten en 75
ondersoorten. Het zijn sierlijke, middelgrote (30 - 80 kg) antilopen,
zo groot als een ree tot een damhert, die leven in open tot vrij open
gebied.
Dorcasgazelle
(circa 25 kg) en Grantgazelle, een van de grootste (circa 80 kg) met
lange hoorns en grote oren
Girafgazellen:
lange hals, spitse snuit en grote oren, een van de twee soorten waarvan
de wijfjes geen hoorns dragen
Gazellen
kunnen hard lopen met snelheden tot 100 km/h en over langere
afstanden tot 80 km/h. Daarbij zijn ze enorm wendbaar en kunnen zo
belagers als het jachtluipaard van zich afschudden. Ook kunnen
ze
enorme
sprongen maken en springen al rennend over elkaar heen. Ze kunne ook
met vier poten tegelijk van de grond komen.
Wanneer ze
echter een obstakel tegenkomen springen ze er net als de gaffelbok
niet overheen, maar lopen ze er omheen of kruipen er onderdoor.
Mannelijke gazellen markeren hun territorium tijdens het
voortplantingsseizoen met urine en mesthopen en met afscheidingen van
de oogklieren. Ze
leven in kleine groepjes op de savanne en komen soms bijeen om
grotere kuddes te maken, met name tijdens de
trek.
Lichaamsbouw
Echte antilopen
hebben een slank lichaam met een veelal rechte rug of zijn achteraan
iets hoger gebouwd. De poten zijn lang en slank. De kop is smal en
staat
hoog boven de rug, de nek is lang en slank. De kop is ook vrij lang en
slank.
De grote ogen en oren vallen op en worden vaak door de
vachtkleur
geaccentueerd. Voor het oog bevindt zich een grote geurklier. Er
komen op andere plaatsen ook geurklieren voor. De kiezen hebben een
smalle kroon.
Hoorns
De
hoorns staan recht op het voorhoofd. Ze zijn geringd en lopen
parallel. Ze buigen s-vormig naar achteren, soms naar voren en soms
opzij, liervormig (een U) of als een spiraal (een S). Beide
geslachten dragen hoorns, bij vier soorten het wijfje niet. De hoorns
van de wijfjes zijn korter en dunner dan van de mannetjes.
Kop
en hoorns van gazellen: girafgazelle, dorcas-gazelle en springbok
(overgenomen uit Spinage)
Kleur van de vacht
Gazellen
hebben veelal een witte buik en over het algemeen een reebruine rug
met daartussen een scherpe afscheiding en soms een zwarte streep. De
kop is vaak getekend met donkere en lichte strepen. Poottekeningen
komen niet voor, bij sommige soorten is de binnenkant van de poten wit.
De staart is kort en alle soorten hebben een zwarte
punt aan het eind van de staart.
Voedsel
Gazellen zijn fijnproevers. Ze eten bladeren, knoppen, groene scheuten
en gras
en selecteren hun voedsel. De
girafgazelle is een bladeter, de Thomson-gazelle is een graseter.
Karakteristiek
Gazellen zijn dieren van de savanne. Ze kunnen goed rennen en springen.
Ze hebben een lichte vachtkleur en een witte onderzijde. De ogen en
opren zijn groot. Ze hebben zenuw-zintuigkarakter en ledematenkarakter:
lang en slank,
lange poten en lange nek, slanke kop, relatief recht staande hoorns,
grote zintuigen, springen, witte buik en lichte
bovenkant.
Dwergantilopen
Tot
deze groep van 12 soorten met 55 ondersoorten behoren o.a. bokjes,
dik-diks, klipspringer en oribie. Het zijn de kleinste antilopen en
ook de kleinste holhoornigen. Het gewicht bedraagt 2 kg bij
dwergbokje tot 20 kg bij oribie. De wijfjes zijn 10-20% groter dan de
mannetjes. Ze bewonen verschillende
habitats: van dichte wouden tot open grasland bij water en steile
rotshellingen.
Dwergantilopen leven alleen of in kleine familiegroepjes en
zijn territoriaal. De territoria worden gemarkeerd door mesthopen en
afscheidingen van
oog- en voetklieren. Als ze worden bedreigd, blijven ze eerst
stokstijf staan om vervolgens te vluchten als de predator dichterbij
komt. Ze verbergen zich dan in de vegetatie.
Steenbokantilope
met grote oren en Günthers
dik-dik met verlengde neus en een toefje haar tussen de hoorns
Lichaamsbouw
Zowel
een rondlopende (bokjes) als recht lopende rug (steenbokantilope,
oribie) komen voor. De
achterzijde van het lichaam is hoger
dan de voorzijde. De poten
zijn lang
en het lichaam is gestrekt. De achterpoten zijn langer dan de
voorpoten. Ze
hebben middellange tot lange oren en grote ogen. Bij sommige
soorten is de neus extra lang. De staart is kort tot middellang. Voor
de ogen en op andere plaatsen bevinden zich geurklieren.
Hoorns
De
hoorns zijn klein tot zo lang als de oren en komen bijna alleen voor
bij mannetjes (behalve bij de klipspringer). De hoorns zijn recht,
scherp en lopen parallel.
Kop
en hoorns van dwergantilopen, van links naar rechts: oribie,
steenbokantilope, muskusbokje, dwergbokje, kleine dik-dik,
Günthers dik-dik en beira-dwergantilope (overgenomen uit
Spinage)
Kleur van de vacht
Ze
hebben over het algemeen een witte of lichte onderkant en een
lichtbruine bovenzijde, soms een iets donkerdere streep op de
overgang. Er zijn geen koptekeningen.
Voedsel
Dwergantilopen
eten jonge bladeren en knoppen, vruchten, wortels en knollen. Ook
wordt af en toe een klein diertje verorberd. De oribie eet
gras.
Karakteristiek
Dwergantilopen laten zowel
zenuw-zintuigkenmerken zien als hart-longkenmerken. Op het eerste
wijzen de lichte onderzijde, de lichaamsbouw die hoger is aan de
achterzijde, de korte, rechte hoorns. Het gewichtsverschil, de
hoornloosheid van de wijfjes, het eten van dieren, de verlengde neus
wijzen hierop.
Duikers
Duikers
vormen een tamelijk uniforme groep van 18 soorten kleine antilopen
met 65 ondersoorten. Bij dreigend gevaar duiken ze met een sprong in
de vegetatie, een eigenschap waaraan ze hun naam ontlenen. Ze
schieten met groot gemak door dichte vegetatie. Ze zijn territoriaal
en komen solitair of in paren voor, de meeste soorten in het oerwoud
en het bos. Sommige soorten verkiezen het moeras of berggebieden, maar
altijd is er dichte vegetatie om zich in te verstoppen. Ze verbergen
zich overdag in holle bomen of achter omgevallen stammen. ’s
Nachts
zijn ze actief.
Zwartrugduiker en
rode duiker
Lichaamsbouw
Het
lichaam van duikers is relatief ongevormd en plomp, achteraan veelal
hoger dan
vooraan en met een kromme rug. Ze zijn zo groot als een haas tot een
ree, het gewicht varieert van 6 kg (blauwe duiker) tot 80 kg
(geelrugduiker). Mannetjes en vrouwtjes zijn ongeveer even groot.
De
spitse, maar niet dunne kop is met een relatief lange hals
afgescheiden van de romp en bevindt zich boven rughoogte. De
neus is stomp en groot. Onder de grote ogen bevinden zich grote
oogklieren, waarvan het vocht
wordt gebruikt om het territorium te merken, iets wat ook met klieren
tussen de hoeven gebeurt. De oren zijn kort en afgerond
(behalve de
gewone duiker: langer en meer gepunt). De poten zijn vrij lang en
slank. De voorpoten zijn korter dan de achterpoten.
Hoorns
De
hoorns zijn kort, slank, recht en kegelvormig. Ze staan parallel en
zijn naar achter gericht. Bij de grote Jentinkduiker zijn ze naar
achter gebogen. Ze
zijn bij de wijfjes korter en ontbreken bij sommige soorten. De hoorns
worden
gedeeltelijk verborgen door een toefje haar op de kruin.
Kop
en hoorns van duikers: gewone duiker, blauwe duiker en geelrugduiker
(overgenomen uit Spinage)
Kleur van de vacht
De
vachtkleur is veelal roodbruin. Ook grijze, bruine, zwarte en
gestreepte soorten komen voor. Veel soorten hebben een lichte
onderzijde, andere zijn egaal gekleurd. De Jentinkduiker is opvallend
zwart-wit gekleurd. De zebraduiker is
gestreept en de
grote geelrugduiker is geel op de rug.
Voedsel
Met
hun grote mond eten duikers
fruit, paddestoelen en ander groot voedsel. Ze eten ook bessen en fruit
dat van nature op de grond valt en fruit dat apen laten vallen. Ze
volgen daarom groepen apen. Het
grootste deel van hun dieet bestaat echter uit bladeren. Soms eten
duikers
insekten (de blauwe duiker eet vaak mieren), hagedissen, vogels en
knaagdieren. Duikers zijn fijnproevers met een neiging tot het eten van
vlees.
Karakteristiek
Duikers zijn plomp gebouwde dieren met de lange, slanke poten van
antilopen, die in dichte vegetatie leven en hoogwaardig voedsel
eten. We
zien hier de combinatie van hart-longkenmerken: plomp
lichaam,
ronde rug, fruit en vlees eten. Maar we zien ook
zenuw-zintuigkenmerken: achteraan hoger gebouwd, langere
achterpoten, lange kop, de korte, rechte hoorns staan parallel, bij
onraad wegduiken
in de vegetatie.
Schroefhoorn-
en vierhoornantilopen
De
groep van de schroefhoorn- en vierhoornantilopen omvat 11 soorten met
45 ondersoorten. Het zijn middelgrote tot grote dieren. Bekende
soorten zijn de koedoe en de bongo. De kleinste is de
vierhoornantilope uit India. De beide elandantilopen zijn
de zwaarste antilopen. Er worden 2 tot 3 groepen
onderscheiden: vierhoornantilopen (vierhoornantilope en
nijlgau), schroefhoornantilopen en
soms elandantilopen.
Grote koedoe en
bongo (beide mannetjes)
Mannetje (100 kg)
en
vrouwtje nyala (60 kg)
Voorkomen
Ze
leven veelal in het bos en in half-open bosland. Enkele soorten zoals
de sitatunga zijn aan water gebonden, andere komen voor in droger
gebied.
Lichaamsbouw
Schroefhoornantilopen
zijn relatief grote antilopen. Ze zijn slank gebouwd met lange, ranke
poten met grote bijklauwen. Sommige scoorten zijn achteraan hoger
gebouwd (sitatunga,
bosbok), andere hebben een schoft (koedoe, nyala). De hals en de kop
zijn lang en ten opzichte van het lichaam relatief groot. De hals is
vaak enigszins gebogen. De kop is hertachtig, bij een aantal
soorten doet de hele verschijning aan een hert denken. Bij
sommige
soorten komen manen voor. De meeste soorten hebben een korte staart.
Ogen en oren zijn groot.
Het gewicht van de
mannetjes van de schroefhoornantilopen varieert van 75 tot 300 kilo,
de vrouwtjes zijn 30-50% lichter. De elandantilope weegt tot 800
kilo. Ze hebben een massief lichaam met slanke poten en een lange
staart. Karakteristiek is een grote halskwab.
De
vierhoornantilope is klein: schouderhoogte is 60 cm en het gewicht
circa 20 kilo. Ze hebben dunne poten. De nijlgau is groter (1,5 m
schouderhoogte en een gewicht tot 240 kilo). Hij heeft een robuust
lichaam, dat hoger is bij de schouders dan bij de staart, het loopt
af. Hij
heeft ook dunne poten en manen en een toefje haar halverwege de hals.
Hoorns
Bij
de schroefhoornantilopen (behalve de bongo) en de vierhoornantilopen
hebben alleen de mannetjes hoorns. Bij de elandantilopen dragen beide
geslachten hoorns. De vierhoornantilope is de enige herkauwer met
vier rechte hoorns, twee grotere (tot 10 cm) op het voorhoofd en twee
kleinere (tot 5 cm) ervoor. De hoorns van de nijlgau zijn licht naar
voren gedraaid en tot 25 cm lang. De overige dieren hebben hoorns met
een schroefdraad erin. Ze staan meest rechtop en zijn naar buiten en
weer naar binnen gedraaid. Bij de eland-antilope maken ze een V.
De hoorns van de grote koedoe zijn bijzonder mooi, ze draaien met 2,5
windingen naar buiten. Zie de afbeelding bovenaan de pagina
links. De
hoorns zijn groot: grote koedoe tot 1 meter,
elandantilopen tot 1,2 meter.
Hoorns van enkele
schroefhoornantilopen, van links naar rechts: eland-antilope, bongo,
grote koedoe, bosbok (overgenomen uit Spinage), vierhoornantilope en
nijlgau
Kleur
van de vacht
De
vierhoornantilope is bruin met een witte onderzijde, in de winter is
hij donkerder dan in de zomer. Het mannetje van de nijlagu is
grijs-blauw en het vrouwtje is rood-bruin, op de onderzijde loopt een
dunne witte streep die naar de staart breder wordt. Op de wangen
komen soms lichte vlekken voor.
Van de schroefhoornantilopen
zijn de meeste mannetjes grijs-bruin en de vrouwtjes rood-bruin. Deze
dieren hebben een tiental witte strepen op de rug en soms een aantal
vlekken. De kop is veelal donkerder dan het lijf en kop en poten zijn
zwart-bruin-wit getekend. Ook de eland-antilopen hebben strepen op de
rug, deze zijn dunner. Ze zijn lichtbruin van kleur.
Voedsel
Het
zijn selectieve eters, ze eten relatief hoogwaardig materiaal
(bladeren, maar ook vruchten en knollen), het spijsverteringskanaal
is minder goed ontwikkeld dan van de echte runderen. De kiezen zijn
laagkronig.
Conclusie
Schroefhoornantilopen hebben kenmerken van hart-longdieren:
- Het grote verschil in
gewicht, kleur en hoorns
tussen mannetjes en vrouwtjes.
- De strepen en vlekken op
het lichaam.
- Het opzoeken van water
door de sitatunga.
Indeling
dwergantilopen, duikers en schroefhoornantilopen
Er zijn drie groepen met
hart-longkenmerken:
- dwergantilopen
- duikers
- schroefhoornantilopen.
Conclusies
- De
schroefhoornantilopen zijn de grootste, zij vormen de
stofwisseling-ledematendieren.
- De
dwergantilopen zijn de kleinste, zij zijn de zenuw-zintuigdieren. Hun
knaagdierachtige gedrag wijst hier ook op.
- De
duikers zijn de middengroep, de hart-longdieren.
Grazende
antilopen
Grazende
antilopen zijn relatief grote antilopen (25 tot 300 kilo). Ze eten
vooral gras. De hoorns zijn geribbeld en lang en recht tot opzij
gebogen. Binnen de antilopen zijn zij de stofwisseling-ledematendieren.
Er zijn drie groepen: riet- en waterbokken,
paardantilopen en koeantilopen.
Rietbokken,
waterbokken en reebok
Deze groep bestaat uit 9 soorten en 43 ondersoorten. De
dieren lijken in het postuur, de kleur van de vacht en hun formaat op
herten. Ze hebben de geribbelde hoorns van antilopen. Alleen de
stieren hebben hoorns. Rietbokken maken hoge sprongen, waterbokken
hebben een relatief zware gang, de reebok komt voor in rotsachtig
terrein.
Kob-waterbok
en poekoe
Bergrietbok en
reebok
Voorkomen
Zoals
de naam al zegt komen de meeste soorten voor in nat grasland en
overstromingsvlakten. Enkele soorten (bergrietbok en vooral reebok)
komen voor in stenig grasland in het gebergte.
Lichaamsbouw
De dieren uit deze groep zijn ongeveer zo groot als een ree tot
een edelhert. Het gewicht varieert van 25 kg (reebok) tot maximaal
250 kilo (waterbok). Ze hebben een rechte rug en zijn voor en achter
ongeveer even hoog gebouwd. De grote waterbokken hebben een kleine
schoft en de kleine reebok is achter hoger gebouwd. Waterbokken zijn
middelgrote tot grote dieren met een kortere hals, die een zware gang
hebben. Ze vluchten bij gevaar naar het water en verblijven er ook.
Rietbokken (tot 80 kilo) zijn lichte en sierlijke dieren die hoge
sprongen maken. De reebok is sierlijk gebouwd met een lange slanke
hals.
Ze hebben geen voet- of oogklieren. Ze verdedigen hun
territorium door te fluiten (rietbokken) of met urine of met
genitaalklieren (reebok).
Hoorns
Alleen de stieren hebben
hoorns, die sterk geribbeld zijn. Ze variëren van kort en
recht
(reebok), via kort en naar voren gebogen (rietbokken) tot lang en
liervormig (waterbokken). De hoorns zijn kort en staan parallel of
naar binnen gebogen in een plat vlak.
Hoorns
van waterbokken, van links naar rechts: kob-waterbok, waterbok,
Litschi-waterbok, rietbok en reebok (overgenomen
uit
Spinage)
Kleur
van de vacht
Rietbokken en reebokken zijn lichtbruin van kleur en
wit aan de onderkant. Waterbokken zijn ruig behaard en zijn egaal
bruin met een lichtere of witte onderzijde. De stieren wat donkerder
dan de koeien. Een hals- of koptekening komt soms voor. De waterbok
heeft een witte spiegel of een ellipsvormige band aan de
achterzijde.
Voedsel
Hun voedsel is vezelrijk van lage
kwaliteit: gras, kruiden, riet en waterplanten. De reebok selecteert
knoppen en bladeren van struiken en kruiden.
Paardantilopen
Er
zijn 7 soorten paardantilopen met 18 ondersoorten. Het zijn antilopen
die lijken op paarden. Ze zijn zo groot als een edelhert of
kleiner. Beide geslachten zijn gelijk van grootte en
kleur.
Mannetje en
vrouwtje sabelantilope
Addax en spiesbok
Voorkomen
Ze
komen voor op allerlei graslanden, vanaf permanent onder water staand
moeras tot grasland in de bergen en droge savannes.
Lichaamsbouw
De
paardantilopen zijn relatief groot (75 tot 280 kilo) en hebben een
lange staart. Ze hebben de slanke kop hoog op een in een verhoogde,
verzwaarde schoft overgaande brede, dikke hals staan. Het is dit deel
van het lichaam dat zwaarder is geworden. De meeste soorten hebben
manen. De oren zijn zeer groot.
Ze hebben oog- en
tussenklauwklieren. Sabelantilopen gebruiken faeces, voetklieren en
visueel beschadigde vegetatie om hun territorium af te bakenen.
Mannetjes van sabel- en roan-antilopen vechten geknield.
Kleur
van de vacht
Paardantilopen
zijn opvallend gekleurd en getekend. De kleuren zijn wit, grijs,
zwart en bruintinten. Alle
soorten hebben een witte buik. Opvallende kop-
en poottekeningen komen voor.
Hoorns
Op
de kop staan bij beide seksen lange, geringde spiesvormige hoorns,
die recht lopen of naar achteren zijn gebogen. De hoorns lopen
grotendeels parallel.
Hoorns
van paardantilopen van links naar rechts: addax, sabel-antilope en
spiesbok
(overgenomen uit Spinage)
Voedsel
Paardantilopen
zijn vooral grazers, enkele soorten eten knoppen in het droge
seizoen. Ook meloen, komkommers en bollen en wortels worden gegeten
door de soorten die in de woestijn leven. Veel soorten kunnen lang
zonder water en de oryx is een expert in het vinden ervan door met
zijn poten op droge plekken naar het grondwater te
graven.
Koeantilopen
Er zijn 8 soorten met 32
ondersoorten. De gnoe, de bontebok en het hartebeest zijn
koeantilopen. Koeantilopen zijn honkvast of nomadisch. Koeantilopen
lopen snel. Het hartebeest (afgeleid van hard (lopend) beest) kan
harder lopen dan een paard. Bij het hard lopen trekken koeantilopen
de kop op, zoals bij een geteugeld paard.
Bontebok en
Hunter-antilope
Topi (een
donkere ondersoort van de lierantilope) en een witstaartgnoe
Voorkomen
Koeantilopen
komen voor op vruchtbaar, vochtig grasland en half open grasland van
de savanne. Gnoes komen voor in open gras- en bosland en dan vooral
in gebieden die al door andere dieren zijn kort
gegraasd. Territoria
worden gemarkeerd met faeces en uitscheidingen van de oogklieren,
niet met urine.
Lichaamsbouw
Koeantilopen ogen weinig elegant en
lijken te zijn ‘verbouwd’. Het lichaam is vooraan
hoger dan
achteraan gebouwd en het loopt sterk af. De schouders zijn verhoogd.
De poten zijn dun en de voorpoten zijn langer dan de achterpoten. Het
lichaam toont slanker dan van paardenantilopen. De kop zit boven de
ruglijn, behalve bij de gnoes. De kop en de hals zijn lang en slank.
De kop is enigszins naar beneden gericht en eindigt in een relatief
brede snuit. De ogen zijn relatief klein. Het lichaam van gnoes is
massiever en minder slank en de kop is nog meer naar beneden gericht.
Gnoes hebben manen en een baard en een lange staart.
Hoorns
Op de kop staan bij beide seksen
s-vormig naar buiten gebogen en dan soms weer naar binnen gebogen
hoorns. Ze zijn minder lang dan van de paardantilopen. Bij de gnoes
zijn de hoorns glad en zeer naar opzij gebogen, met een scherpe hoek,
ongeveer zoals bij de muskusos. Bij de andere soorten zijn de hoorns
geribbeld.
Hoorns
van koeantilopen van links naar rechts: hartebeest, hunter-antilope,
bontebok, witstaartgnoe en blauwe gnoe (overgenomen uit
Spinage)
Kleur
van de vacht
De dieren zijn over het algemeen egaal donker gekleurd. De rug is
roodbruin, bruin, grijs of zwart. De buik is soms wat lichter van
kleur. Alleen de bontebok en blesbok zijn anders: donkere bovenkant en
witte
onderzijde met scherpe grens. Zij hebben een
kop- en poottekening.
Voedsel
Gnoes eten kort, voedselrijk gras, de
witstaartgnoe eet in de winter ook knoppen. De andere soorten eten
bijna uitsluitend gras.
Witstaart- en
blauwe gnoe
Nog enkele opmerkingen over
de gnoe. Er zijn twee soorten, de kleinere witstaartgnoe (180 kg) met
een witte staart en
de grotere gestreepte of blauwe gnoe (> 200 kg) met een zwarte
staart. Het kleinere dier heeft een witte en het grotere
dier een zwarte. Het kleinere dier is minder massief, maar
maakt aan de voorkant wel een massieve indruk door de stugge
opgerichte manen en de keelharen. De voorkant van het dier doet denken
aan
een neushoorn. De lange kop wordt op dezelfde wijze gehouden en gaat
op vergelijkbare wijze in het lichaam over. De
grotere gestreepte gnoe lijkt aan de voorkant meer op een bizon op
lange poten met
zijn massieve, brede borst. Dit dier heeft langere, niet stugge
keelharen en
manen. Het lijf van de witstaartgnoe loopt recht, dat van de
gestreepte loopt naar de staart af. De hoorns van de witstaartgnoe
zijn op dezelfde wijze gebogen als van de gestreepte gnoe, maar
wijzen naar voren en niet naar opzij, zie hierboven.
Conclusie
en indeling van de grazende antilopen
De grazende antilopen vormen de stofwisseling-ledematengroep van de
antilopen. Het zijn grote dieren, die voornamelijk bladeren en gras
eten.
De water- en rietbokken zijn binnen deze groep de hart-longdieren. Er
is sexueel dimorfisme doordat de mannetjes wel en de wijfjes geen
hoorns dragen. Ook hun biotoop pleit daarvoor. Enerzijds begrachtig
grasland voor de kleine dieren en overstromingsvlakten en moeras voor
de grote dieren. De hoornvorm staat tussen die van de andere twwe
groepen in. Opvallend is nog de witte spiegel van de waterbok.
De
paardantilopen zijn de zenuw-zintuigdieren met hun opvallende
vachtkleur met lichte onderzijde en kop- en poottekening. De hoorns
staan recht en buigen weinig naar opzij.
De koeantilopen zijn de stofwisseling-ledematendieren met hun
overwegend egale donkere vachtkleur en de opzij gebogen hoorns.
Indeling
van de antilopen
Er zijn veel indelingen van de antilopen, die nogal verschillend van
elkaar zijn. Soms worden de gazellen en dwergantilopen samen genomen,
soms de duikers en dwergantilopen, soms worden de duikers samen genomen
met de water- en rietbokken, soms worden de schroefhoornantilopen met
de runderen in een groep geplaatst. Stteds blijven er soorten over die
men slecht ofniet kan plaatsen. Er is geen eensluidendheid. Vanuit
de driegeleding kunnen de antilopen als volgt worden ingedeeld:
Zenuw-zintuigdieren: gazellen of echte antilopen
Hart-longdieren: dwergantilopen (zenuw-zinuig)
duikers (hart-long)
schroefhoornsantilopen (stofwisseling-ledematen)
Stofwisseling-ledematendieren: paardantilopen
(zenuw-zintuig)
water- en
rietbokken (hart-long)
koeantilopen (stofwisseling-ledematen)
|
Gazellen
Thomsongazelle met opvallende zwarte band op de flanken, een van de
grotere soorten
Damagazelle, hoorns buigen naar voren
Een springbok springt met vier poten tegelijk
Girafgazellen hebben een lange nek en eten staand op hun achterpoten
bladeren van een struik
Duingazelle
Dwergantilopen
Bates bokje (3 kg), achterwaarts gerichte korte, rechte hoorns
Klipspringer: smalle hoeven, een rotsbewoner
Oribie, leeft op grasvlakten in de buurt van water
Duikers
De kleinste duiker is de blauwe duiker (6 kilo): een witte onderzijde
De grootste duiker is de geelrugduiker (80 kilo):
een gele baan op de
rug
Zebraduiker
Gewone duiker, korte rechte hoorns en voor het oog de grote oogklier
De Jentinkduiker, de een na grootste met een opvallende tekening
Schroefhoorn-
en vierhoornantilopen
Wijfje grote koedoe
De moerasbewonende Sitatunga (man)
Sitatunga (wijfje)
Eland-antilopen
Grote eland-antilope met grote keelkwab
Vierhoornantilope (man)
Mannetje nijlgau: grijsbruin met poottekening
Water-
en rietbokken
Waterbok, mannetje
Waterbok, vrouwtje, met een witte spiegel
Litschi-waterbokken in hun biotoop
Gewone rietbok
Een Defassa waterbok met ellipsvormige
witte
band bij de staart
Paardantilopen
Arabische oryx
Roan-antilope
Een spiesbok in de woestijn
Kop van een spiesbok
Algazel
Koeantilopen
Blauwe gnoe of wildebeest
Enkele hartebeesten
Kongoni (een ondersoort van het hartebeest)
Witstaartgnoe met kalf
Blesbok: opvallende kop- en poottekening
Topi met donkere vlekken
Zijaanzicht van de kop en hoorns van een topi
|