Dynamisch

Hond en kat – gedrag, bouw en wilde verwanten

This page in English →

Kom je op het terrein van een hond, dan kan bij behoorlijk blaffen
Kom je op het terrein van een hond, dan kan bij behoorlijk blaffen.

Als inleiding op de roofdieren worden hier, in navolging van Wolfgang Schad in Säugetiere und Mensch, eerst de hond en de kat besproken. Daarna volgen hun wilde verwanten, de wolf en de wilde kat, die weer worden vergeleken met de vos en de lynx. De plaats van de roofdieren tussen de andere zoogdieren wordt uitgewerkt op de pagina over zoogdieren.

Gedrag van hond en kat

Wie een boerderij bezoekt, komt als eerste de hond tegen. Hij ziet de bezoeker van verre aankomen, komt direct aanlopen, blaft en springt soms tegen hem op. Dat kan vervelend zijn of plezierig, afhankelijk van het karakter en de opvoeding van het dier en de relatie die de bezoeker met de hond heeft. Loopt de bezoeker verder, dan gaat de hond vaak mee. Hij kan vol verwachting zijn over wat er gaat gebeuren en wil begeleiden. Bij het woonhuis kan de hond feller aanslaan. Vaak probeert hij uit wie de baas is.

Pas als de bezoeker binnen is, de boer of boerin heeft begroet, de jas heeft uitgetrokken en koffie heeft gekregen, valt de kat op. Die ligt in een hoekje of naast de kachel. Misschien komt hij geluidloos aanlopen om een kopje te geven. Soms wil hij op schoot liggen. Hij komt niet direct en verwachtingsvol op iemand af, maar vertoont pas tekenen van activiteit als de bezoeker al een tijdje binnen is.

Verschillen in gedrag

Uit deze korte beschrijvingen wordt al iets duidelijk over het verschil tussen de hond en de kat. De hond is veel buiten en struint het hele terrein af dat hem (door de baas of door andere honden) wordt toegestaan. Hij loopt langs de grenzen, bewaakt het terrein en slaat aan wanneer er iemand binnenkomt die hij niet kent. Kent hij iemand, dan kan de begroeting vriendelijk zijn, of soms ook wel onvriendelijk. Hij tast af wie de baas is. Krijgt hij een bevel, dan gaat hij op zijn doel af en laat vaak niet los.

De hond is niet veel binnen, meestal alleen om te eten en te rusten, wat hij op zijn eigen plek, in zijn mand, doet. Leeft een hond binnen, dan moet zijn baas hem meerdere keren per dag aan de lijn uitlaten. Een hond is goed op te voeden, kan veel leren en is sociaal.

Een kat die de keuze heeft, gaat ook veel naar buiten, maar bepaalt dat zelf; een kat loopt niet aan een lijn. Een kat is ook vaak binnen te vinden. Hij ligt dan urenlang ineengerold op een wisselende, zelfgekozen, warme plek te doezelen. Hij laat zich geen grenzen stellen door zijn baas of door andere katten, hoewel een territorium wel wordt verdedigd. Regelmatig zit een kat in een boom of op het dak. Hij vangt muizen en andere dieren, die hij mee naar binnen neemt. Hij gaat zelf op schoot liggen, is nauwelijks op te voeden en blijft zichzelf en op zichzelf: het is van nature een solitair dier. Er wordt wel gezegd dat een hond een baas heeft en een kat personeel.

Karakteristiek: punt en cirkel

Een kat kan met een punt worden vergeleken, een hond met een cirkel. De kat is het punt, omdat hij naast de kachel ligt en zich in het centrum bevindt. Zo gedraagt hij zich ook: hij blijft bij zichzelf, bepaalt wat er gebeurt, en wat hij doet komt van binnenuit. Het is een eigenzinnig, individueel dier. In het punt is ook rust; alles komt tot stilstand en het is afgesloten, er is geen toegang toe.

Dat kan ook vriendelijk zijn
Dat kan ook vriendelijk zijn.

De hond is de cirkel, doordat hij op het terrein de grenzen bewaakt. In de cirkel zit beweging, er is activiteit. Hij is open en toegankelijk; wat hij doet, is een reactie op wat er van buitenaf komt. De hond kan veel leren en is op te voeden.

Domesticatie

Hond en wolf

De hond stamt af van de wolf. De domesticatie begon circa 15.000 tot 30.000 jaar geleden, nog voordat de mens landbouw bedreef en zich vestigde. Waar dat precies gebeurde, is onderwerp van onderzoek: Oost-Azië, Siberië en Europa worden alle genoemd. Wolven zochten in die tijd de nabijheid van de mens op en leefden van zijn afval. Wolven slaan alarm wanneer er een vijand nadert, en zo beschermden ze tegelijk de mens. De mens temde de wolf en de wolf paste zich aan de mens aan. Tijdens de domesticatie werd de gezichtsschedel korter.

In het oude Egypte werden honden al veel voor de jacht gebruikt. Ook diersoorten die tegenwoordig niet meer als gedomesticeerde dieren bekend zijn, zoals jachtluipaarden en hyena's, werden door de Egyptenaren gehouden. Op het platteland bleven honden lange tijd buiten. Vooral in de laatste 200 jaar heeft gericht fokken voor een explosieve toename van het aantal rassen gezorgd.

Honden hebben de sociale eigenschappen van wolven behouden. Ze hebben een sociale hiërarchie waarin de plaats van ieder dier vastligt. Door hun sociale leven, dat op hun baas is gericht, kunnen honden veel leren en zich aan veel situaties aanpassen.

Kat en wilde kat

De kat stamt af van de wilde kat. De domesticatie vond plaats in Voor-Azië, circa 10.000 jaar geleden. Waarschijnlijk werden katten aangetrokken door muizen, die zich tegoed deden aan het graan van de pas gevestigde boeren. Doordat jonge katjes in huis werden gehaald en verzorgd, raakte de kat aan de mens gewend. In dat proces van gewenning domesticeerde de kat zichzelf. De kat is daarbij tammer geworden, maar anatomisch nauwelijks veranderd en in gedrag grotendeels zichzelf gebleven. Katten kunnen in de vrije natuur makkelijk verwilderen en overleven.

Verschillen in domesticatie

Honden zijn gedomesticeerd, katten hebben zichzelf gedomesticeerd, zo wordt gesteld. Door zijn sociale gedrag is de hond op de mens gericht en wil hij hem van dienst zijn. De kat is bij de mens ingetrokken. De vele hondenrassen verschillen veel meer van elkaar dan de kattenrassen. Tussen een Afghaanse windhond, een buldog en een pekinees zit een wereld van verschil; een Europese korthaar, een abessijn en een Noorse boskat zijn in bouw en gedrag duidelijk verwant. Katten blijven zichzelf. Honden reageren meer op selectie dan katten.

Rudyard Kipling schreef in zijn Just So Stories een prachtig verhaal over de kat en de hond (en het paard en de koe): The Cat that Walked by Himself.

Wolf en wilde kat

Wolf

Een wolf is ongeveer 130 cm lang, de schouderhoogte is circa 75 cm en hij heeft een staart van 40 cm. Hij weegt circa 50 kg. Alle maten en gewichten zijn gemiddelden, en sommige gegevens in deze paragraaf zijn ontleend aan honden. De vacht is grijsbruin, donkerder op de rug en lichtgrijs aan de onderzijde. De kleur is variabel; er zijn lichte en donkere ondersoorten, en er zijn er tientallen beschreven.

Soms komt hij op schoot
Soms komt hij op schoot.

Een wolf is opvallend lang. Kop en schedel, lichaam en staart zijn alle langgerekt. De staart wordt vrij recht gehouden en is niet erg soepel. Hij staat vrij hoog op de poten, en de poten komen vrij sterk los van het lichaam. Met hun relatief grote, harde, niet-intrekbare klauwen zijn de poten goed geschikt om te lopen. Wolven lopen niet geluidloos.

Ze hebben een bijzonder goede reukzin, veel beter dan die van mensen, en kunnen waarnemen in welk neusgat de geur sterker is en zo bepalen uit welke richting de geur komt. Reuk geeft een snelle reactie, omdat er een directe verbinding is met de hersenen. De reukhersenen van een wolf vormen circa 10% van zijn hersenen (bij de mens is dat 1%). Omdat de reuk zo sterk is, worden wolven door hun reuk geleid. Het gehoor is ook goed ontwikkeld. Het zien is gericht op bewegende dingen en ze zien geen rood; hun kleurenspectrum is ten opzichte van de mens verschoven naar blauw-violet. De smaak is niet goed ontwikkeld.

De hond heeft een groter hart en veel grotere longen dan de kat.

Wolven zijn vleeseters en jagen op middelgrote tot grote dieren, zoals reeën, herten, elanden, wilde zwijnen, schapen en steenbokken. Ook kleinere dieren als hazen en muizen worden gevangen. Ze beginnen met het eten van de ingewanden en organen, daarna volgen de spieren. In tijden van schaarste eten wolven ook aas en soms wel mest. Ook planten en bessen worden als aanvulling op het dieet gegeten. Het darmkanaal is 5 tot 6 keer de lichaamslengte. De blinde darm is 8 tot 30 cm lang, veel langer dan die van de kat.

De kaak is relatief lang. Behalve knipkiezen zijn er enkele knobbelkiezen.

Een wolf jaagt op geur, besluipt een prooi en probeert die te bespringen. Lukt dat niet, dan zet hij de achtervolging in, meestal niet meer dan een paar kilometer. De roedel kan onvermoeibaar jagen, maar doet dat zelden. Wolven hebben een groot uithoudingsvermogen. Ze zwemmen graag.

Wolven leven in roedels, bestaande uit een reu en een teef met hun jongen. Het zijn familiegroepen. Ze werken samen bij de jacht en helpen elkaar. In de roedel heerst hiërarchie. Alleen de leidende dieren planten zich voort, hoewel ook lager geplaatste dieren hun kans wagen als de leidende dieren uit het zicht zijn. De andere dieren schikken zich in hun ondergeschikte positie. Op dit gegeven is ook het samenleven van honden met de mens gebaseerd. Een hond erkent zijn baas of is de baas. Als dat niet duidelijk is, moet het steeds opnieuw worden vastgesteld.

Wilde kat

De wilde kat is een grijs, licht gestreept dier van ongeveer 60 cm lang, met een schouderhoogte van 35 cm; de staart is met 30 cm relatief lang. Het gewicht is circa 6 kilo. Om de staart liggen zwarte ringen en ook de staartpunt is zwart. Er worden meerdere ondersoorten onderscheiden; de Afrikaanse wilde kat is roder van kleur dan de Europese.

Het lichaam is soepel. De schedel is ovaal-rond. Een kat heeft relatief korte poten, die enigszins in het lichaam zijn opgenomen. De gang is sluipend en kruipend; katten kunnen goed tijgeren. Ze trekken korte sprintjes en rennen alleen korte stukjes. De klauwen kunnen worden ingetrokken. De kussens van de poten zijn zacht en gevoelig, en daarom lopen katten onhoorbaar. De staart is soepel en vaak in beweging.

Katten hebben een bijzonder goed gehoor, een van de beste onder de zoogdieren. Het bereik is meer dan 10 octaven en gaat hoger dan bij honden. Ze kunnen ultrasone geluiden van knaagdieren horen. Het goede gehoor wordt mede mogelijk gemaakt door de wendbare oren. Ook het zien is goed. In het halfdonker zien ze goed, doordat het invallende licht in het oog wordt weerkaatst. Katten zijn rood-groen kleurenblind en gericht op bewegende voorwerpen. De reuk is beter ontwikkeld dan bij mensen, maar minder dan bij honden. Ze hebben lang uitgegroeide snorharen op de kop, waarmee ze onder meer luchtstromen waarnemen. Hun evenwichtszin is ook goed ontwikkeld: ze kunnen uitstekend in bomen klimmen en zonder moeite over dunne richeltjes en takken lopen. Hoe dat zintuig werkt, staat op de pagina over de evenwichtszin.

Het voedsel is puur dierlijk: vlees en vis. Het moet wel vers zijn, want bedorven vlees laten ze staan en aas eten ze niet. Plantaardig materiaal krijgen ze binnen via de darminhoud van prooien. Soms eten katten gras. Ze jagen vooral op kleine vogels en knaagdieren, zoals muizen. Een kat heeft een zeer korte blinde darm (2 tot 4 cm). Ze hebben puntige knipkiezen in een korte kaak. Katten hebben per kaakhelft 2 kiezen minder dan honden (vereenvoudigde formule bij de kat: 3-1-3-1 en bij de hond: 3-1-4-2).

Prooien worden beslopen. Heeft een kat een prooi in het oog, dan kan hij lange tijd geconcentreerd blijven kijken. Vanuit stilstand of vanuit een hinderlaag wordt de prooi besprongen. De reflexen zijn snel. Een kat is een goede springer. Hij kan goed klimmen en komt glijdend en half vallend weer beneden. Katten kunnen bij een val grote hoogteverschillen overleven. Tijdens de val draaien de poten altijd naar beneden. Er wordt wel gezegd dat een kat negen levens heeft.

Katten leren jagen van hun moeder. De moederkat brengt eerst dode prooien naar het nest en legt ze voor de jongen neer. Aanvankelijk hebben niet alle jongen er belangstelling voor; één jong sjort er wat aan, een ander begint te plukken en te eten. Later brengt de moeder halfdode prooien binnen, waarmee de jongen spelen en die ze doden, en ten slotte levende dieren. Buiten gaat de opvoeding verder. Ook wilde katten geven hun jongen bij de jacht steeds meer zelf te doen.

Wilde katten gaan hun eigen weg en leven grotendeels solitair. Ze besteden veel tijd aan het schoonpoetsen van zichzelf.

Een kat heeft een groter hersenvolume, kleinere longen en een kleiner hart dan de hond. Het darmkanaal is korter en de maag is groter. De blinde darm is zeer kort. Een kat heeft een lichter skelet. De hond heeft een rechtere, langere schedel, een rechte ruggengraat en rechtere poten; de kat heeft een ronde schedel, een gebogen ruggengraat en meer gebogen poten.

Gegevens over hond en kat (in % of ‰ van het lichaamsgewicht, gegevens uit Flindt)
hondkat
hersenen0,6%0,9%
hart6,8‰5,3‰
longen1,4%1,0%
darmlengte t.o.v. lichaam5–6 x3–4 x
maag – dunne darm – dikke en blinde darm62 – 23 – 15%69 – 15 – 16%
skelet14%11,5%

Conclusies hond/wolf en kat/wilde kat

Honden en katten zijn roofdieren. In de fenomenologische benadering van Schad zijn het dieren die vanuit het ritmische leven bestaan: hart-longdieren (zie de pagina muis – leeuw – koe).

In Egypte hield men honden en hyena''s
In Egypte hield men honden en hyena''s.

Worden ze in die benadering met elkaar vergeleken, dan leeft de kat vanuit zijn hart en de hond vanuit zijn longen.

Een kat blijft zichzelf, gaat zijn eigen weg, is eigenzinnig en houdt zijn vorm vast. Bij de kat staat het ronde voorop: een ronde schedel, een rond, soepel lichaam, ingetrokken klauwen. Alles lijkt vanuit een centrum, een hart, te komen.

Een hond is open naar de omgeving, is op zijn baas gericht en leerbaar, en er is veel rasvariatie. Bij de hond staat het rechte voorop: een stijver lichaam, een stijve staart, niet-intrekbare klauwen. Hij lijkt te reageren op wat er uit de omgeving op hem afkomt. Alles lijkt uit de periferie te komen. (In deze benadering reageren ook de longen, in het gevoel, op wat van buiten op de mens afkomt.)

Daarnaast heeft de wolf/hond meer de eigenschappen van het stofwisseling-ledematenstelsel:

  • groter, stijver lichaam, langere en stijvere poten,
  • minder soepele loopbewegingen, achtervolger, groter uithoudingsvermogen,
  • reuk zeer goed,
  • vlees- en aaseter, eet eerst ingewanden, knip- en knobbelkiezen, langer darmkanaal.

De kat heeft meer de eigenschappen van het zenuw-zintuigstelsel:

  • kleiner, soepel lichaam, ronde schedel, kortere poten,
  • soepele gang, beweeglijke staart, springer, achtervolgt niet,
  • bijzonder goed gehoor en zicht, grotere hersenen,
  • vleeseter, puntige knipkiezen, grotere maag.

Ook klimt de kleine kat in bomen, terwijl de grote hond of wolf graag zwemt.

Maten van wolf, vos, lynx en wilde kat
wolfvoslynxwilde kat
lengte kop-romp (cm)1307010060
lengte staart (cm)40402030
schouderhoogte (cm)75356035
gewicht (kg)506,5226

Wolf en vos

Een verwant van de wolf in Europa is de vos. Een vos is 70 cm lang; daar komt nog 40 cm bij voor de dikke, ruige staart, die bij het lopen recht naar achteren steekt. De schouderhoogte is 35 cm. Gemiddeld wegen vossen 6,5 kilo. Ze zijn roodbruin gekleurd met een witte onderkant en een witte bef. Ook rond de bek is de vos wit. De onderste delen van de poten zijn zwart. Er zijn 45 ondersoorten beschreven.

Het lichaam van de vos is relatief lang. De snuit is slank en langgerekt. De staart is lang en dik. De poten zijn korter en de klauwen relatief kleiner dan die van de wolf. De klauwen kunnen gedeeltelijk worden ingetrokken.

Het hart van de vos is relatief groter dan dat van de wolf.

Het gehoor is goed ontwikkeld: het gepiep van een muis hoort een vos op een afstand van 100 meter, vliegende kraaien op 250 tot 500 meter. Vossen zien goed en zijn vooral op beweging gericht. Ze hebben een goede reuk, maar minder goed dan die van honden.

De kiezen zijn scherper en relatief langer dan die van de wolf. Het darmkanaal is relatief korter.

Een vos is een opportunist en alleseter. Hij eet kevers, muizen, hazen, kippen, eieren, vruchten, aas en afval. Net als de wolf kan hij voedsel begraven en er later naar teruggaan.

Een vos jaagt solitair. Hij kan hard rennen, maar benadert zijn prooien sluipend en kan, net als een kat, een tijd bij een hol staan om erop te springen zodra hij de prooi ziet. Hij jaagt als een kat en is minder een achtervolger dan de wolf. De sluwheid van een vos is legendarisch. Wil een vos ergens in, dan zoekt hij net zo lang tot hij een gaatje vindt, een tunnel kan graven of ergens overheen kan springen.

De vos is lenig en kan over hekken van 2 meter springen. Vossen zijn goede zwemmers en kunnen in bomen klimmen. Ze hebben een hol of burcht en kunnen in kleine groepen leven, van soms zo'n zes dieren, bestaande uit een leidend mannetje en vrouwtje en een aantal ondergeschikte vrouwtjes uit eerdere worpen.

Wordt de wolf met de vos vergeleken, dan heeft de vos eigenschappen die aan de kat doen denken, zoals:

  • scherpe en lange kiezen
  • korter darmkanaal
  • springt en jaagt als een kat
  • eet beter verteerbaar voedsel
  • klauwen zijn gedeeltelijk intrekbaar
  • goed gehoor
  • lange staart

Kat en Europese lynx

De kat heeft een wilde verwant in de bosrijke delen van Europa: de lynx of los. De Europese lynx heeft een lichaamslengte van circa 100 cm, een schouderhoogte van 60 cm en een staart van 15 tot 20 cm. Het gewicht is 22 kilo. De rug is even lang als de poten, zodat een lynx een vierkante verschijning heeft.

Afbeelding van een kat in het oude Egypte
Afbeelding van een kat in het oude Egypte.

De voorpoten zijn korter dan de achterpoten. De klauwen zijn ongeveer driemaal zo groot als die van de kat. De kop is rond en breed, mede door de brede bakkebaarden. Ten opzichte van de kat heeft de lynx langere poten en een aanzienlijk kortere staart. De ledematen zijn minder in het lichaam opgenomen. Er worden meerdere ondersoorten onderscheiden.

Een lynx is licht roodbruin gekleurd met een zwarte staartpunt. Verspreid over het lichaam liggen kleine, donkere vlekken. Vooral de ledematen zijn duidelijk gevlekt. De kin en de onderzijde zijn licht gekleurd.

Het gehoor is uitstekend: het geruis van een muis hoort een lynx op 50 meter, en een ree die voorbijgaat wordt al op 500 meter waargenomen. Op de oren staat een pluim, die vermoedelijk een functie heeft bij het horen; er wordt aangenomen dat een lynx zonder die pluimen minder goed kan bepalen waar een geluid vandaan komt. De ogen zijn het belangrijkste zintuig. Een muis wordt op 75 meter gezien, een haas op 300 en een ree op 500 meter. Net als de kat kan de lynx in het donker zien. Reuk is bij de jacht onbelangrijk. Lynxen hebben een goed ruimtelijk geheugen.

Lynxen leven solitair en jagen vooral op vogels, hazen, reeën en gemzen. Kleine dieren worden beslopen en besprongen, grote worden vanuit een hinderlaag achter struiken of in een boom besprongen. Grote prooien worden verstopt, en een lynx kan daar meerdere dagen van eten. Lynxen eten ook aas. Een lynx loopt en achtervolgt meer dan de kat om een prooi te vangen; achtervolgingen van 200 tot 300 meter op hazen en rendieren zijn verrassend vaak succesvol. Lynxen zwemmen meer dan katten.

Wordt de lynx met de kat vergeleken, dan heeft de lynx eigenschappen die aan de wolf doen denken, zoals:

  • kortere staart
  • grote klauwen
  • hoger op de poten
  • eet ook aas, moeilijker verteerbaar voedsel
  • achtervolgt zijn prooi meer, zwemt

Bij beide paren geldt dat het grotere dier een kortere staart heeft en dat de klauwen extra groot zijn.

Klauwen

Opvallend is dat wolf en lynx beide relatief grotere klauwen hebben dan vos en kat. In de literatuur worden de grote klauwen van de lynx verklaard doordat de lynx meer op sneeuw loopt dan de kat en de grotere klauwen goed kan gebruiken. In de fenomenologische benadering wordt die redenering ook omgedraaid: doordat de lynx grotere klauwen heeft, loopt hij meer op sneeuw dan de kat. Waarom zouden wolf en lynx beide grotere klauwen hebben, als wel de lynx maar niet de wolf vaker op sneeuw loopt dan respectievelijk de kat en de vos? Het blijkt een regel te zijn bij katachtigen en hondachtigen: het grotere dier heeft relatief grotere klauwen.

De vacht is donkerder op de rug dan aan de onderzijde
De vacht is donkerder op de rug dan aan de onderzijde.

Vleeseter en alleseter in het lichaam

Het verschil tussen de strikte vleeseter en de veelzijdiger eter is ook in de fysiologie terug te vinden. Katten zijn zogenoemde obligate carnivoren: ze kunnen enkele voedingsstoffen, zoals het aminozuur taurine, zelf onvoldoende aanmaken en moeten die uit vlees halen. Een kat die alleen plantaardig voer krijgt, wordt ziek. Honden kunnen veel breder eten. Genetisch onderzoek heeft laten zien dat honden in de loop van de domesticatie meer kopieën hebben gekregen van een gen dat betrokken is bij de vertering van zetmeel, wat past bij een leven naast mensen die graan gingen verbouwen.

Ook dat sluit aan bij wat hierboven werd beschreven: de kat met de korte darm en de kleine blinde darm, gericht op vers vlees; de hond en de wolf met een langer darmkanaal, die ook aas, bessen en keukenafval verwerken. Van de hier besproken hondachtigen is de vos het meest een alleseter, en de lynx eet, anders dan de kat, ook aas. Een vergelijkbare tegenstelling binnen een andere familie van roofdieren komt aan bod op de pagina over de marterachtigen.

Veelgestelde vragen

Waarvan stamt de hond af?

De hond stamt af van de wolf. De domesticatie begon ongeveer 15.000 tot 30.000 jaar geleden, nog voordat de mens landbouw bedreef. Waar dat precies gebeurde, is nog onderwerp van onderzoek; Oost-Azië, Siberië en Europa worden genoemd.

Waarvan stamt de huiskat af?

De huiskat stamt af van de wilde kat, en dan vooral van de Afrikaanse of Nabije-Oosterse vorm. De domesticatie vond plaats in Voor-Azië, ongeveer 10.000 jaar geleden, toen katten werden aangetrokken door muizen in de graanvoorraden van de eerste boeren.

Waarom wordt gezegd dat katten zichzelf hebben gedomesticeerd?

Katten kwamen uit zichzelf naar de nederzettingen, waar muizen op het graan afkwamen, en raakten zo aan de mens gewend. Ze zijn daarbij tammer geworden, maar anatomisch nauwelijks veranderd en in gedrag grotendeels zichzelf gebleven. Verwilderde katten overleven daarom makkelijk in de vrije natuur.

Waarom verschillen hondenrassen zoveel meer dan kattenrassen?

Honden reageren sterker op selectie dan katten, en vooral in de laatste twee eeuwen is er gericht op veel verschillende eigenschappen gefokt. Tussen een Afghaanse windhond en een pekinees zit daardoor veel meer verschil dan tussen een Europese korthaar en een Noorse boskat.

Hoe goed ruikt een wolf?

Wolven hebben een bijzonder goede reukzin, veel beter dan die van mensen. Ze kunnen waarnemen in welk neusgat een geur sterker is en zo de richting bepalen. De reukhersenen vormen bij de wolf ongeveer 10% van de hersenen, bij de mens ongeveer 1%. Meer over dit zintuig staat op de pagina over reuk.

Hoe goed horen katten?

Katten hebben een van de beste gehoren onder de zoogdieren. Het bereik is meer dan tien octaven en gaat hoger dan bij honden, zodat ze ultrasone geluiden van knaagdieren kunnen horen. Hun wendbare oren helpen om een geluid precies te lokaliseren.

Waarom kunnen katten in het donker zien?

Achter het netvlies ligt bij katten een weerkaatsende laag die invallend licht terugkaatst, zodat het licht twee keer langs de zintuigcellen gaat. Daardoor zien ze in het halfdonker goed. Die laag is ook de reden dat kattenogen oplichten in het licht van een lamp.

Wat is het verschil tussen het gebit van hond en kat?

Katten hebben per kaakhelft twee kiezen minder dan honden en puntige knipkiezen in een korte kaak. Honden hebben naast knipkiezen ook enkele knobbelkiezen en een langere kaak. Dat past bij het dieet: katten eten puur vlees, honden en wolven eten ook aas en wat plantaardig voedsel.

Waarom heeft de lynx zulke grote poten?

Vaak wordt gezegd dat de lynx grote poten heeft omdat hij veel op sneeuw loopt. Bij katachtigen en hondachtigen blijkt echter een algemene regel te gelden: het grotere dier heeft relatief grotere klauwen. Wolf en lynx hebben beide grotere klauwen dan vos en kat.

Wat betekent het dat hond en kat hart-longdieren zijn?

Dat is een indeling uit de fenomenologische benadering van Wolfgang Schad. Roofdieren gelden daarin als dieren die vanuit het ritmische stelsel van hart en longen leven, tussen de knaagdieren en de hoefdieren in. Binnen die groep wordt de kat met het hart en de hond met de longen verbonden. Zie ook muis, leeuw en koe.

↑