
Hond en kat
Als inleiding van de roofdieren zullen, in navolging van Schad in
Säugetier und Mensch, eerst de hond en de kat worden
besproken. Daarna
kijken we naar hun wilde verwanten, de wolf en de wilde
kat, die weer worden vergeleken met de vos en de lynx.
Gedrag
van hond en kat
Wanneer we naar een boerderij gaan, komen we als eerste de hond tegen.
Hij ziet ons van verre aankomen, komt direct naar ons toe, blaft en
springt soms tegen ons op. Dat kan vervelend zijn of plezierig,
afhankelijk
van het karakter en de opvoeding van het dier en de relatie die we met
de hond hebben. Als we verder lopen, komt de hond vaak met ons mee. Hij
kan vol verwachting zijn voor wat er gaat gebeuren en wil ons
begeleiden. Als we het woonhuis naderen, kan de hond feller aanslaan.
Vaak probeert hij uit wie de baas is: jij of hij.
Wanneer we eenmaal binnen zijn, de boer of boerin hebben begroet, onze
jas
hebben uitgetrokken en koffie hebben gekregen, worden we de kat gewaar,
die in een hoekje ligt of naast de kachel is te vinden. Hij komt
misschien geluidloos naar ons toe om een kopje te geven. Soms wil hij
op schoot liggen. Hij komt niet direct verwachtingsvol naar ons toe,
maar vertoont pas tekenen van activiteit als we al een tijdje binnen
zijn.
Verschillen
Uit deze korte beschrijvingen wordt al wat duidelijk over het verschil
tussen de hond en de kat. De hond is veel buiten en struint het gehele
terrein af dat hem (door de baas of door andere honden) wordt
toegestaan. Hij loopt langs de grenzen, bewaakt het terrein en slaat
aan, wanneer er iemand die hij niet kent binnen komt. Als hij
iemand kent kan de begroeting vriendelijk zijn of soms ook wel
onvriendelijk. Hij tast af wie de baas is: hij of wij. Wanneer hij een
bevel krijgt, gaat hij op zijn doel af en laat vaak niet los. De hond
is niet veel binnen, veelal alleen om te eten en te rusten, wat hij op
zijn eigen plek, in zijn mand, doet. Leeft een hond binnen, dan moet
zijn baas hem meerdere keren per dag uitlaten aan een lijn. Een hond is
goed op te voeden, kan veel leren en is sociaal.
Een kat die de keuze heeft gaat ook veel naar buiten, maar bepaalt dat
zelf, een kat loopt niet aan een lijn. Een kat is ook vaak binnen te
vinden. Hij ligt dan urenlang ineengerold op een wisselende, zelf
gekozen, warme plek te doezelen. Hij laat zich geen grenzen stellen
door zijn baas of door andere katten, hoewel een territorium wel wordt
verdedigd. Regelmatig is een kat in een boom of op het dak te vinden.
Hij vangt muizen en andere dieren die hij mee naar binnen neemt. Hij
gaat zelf op schoot liggen, is nauwelijks op te voeden en blijft
zichzelf en op zichzelf, het is van nature een solitair dier. Er wordt
wel gezegd: bij een kat mag je inwonen en ook wel: een hond heeft een
baas, een kat personeel.
Karakteristiek:
punt en cirkel
Een kat kun je met een punt vergelijken, een hond met een cirkel. De
kat is het punt, omdat hij naast de kachel ligt, zich in het centrum
bevindt. Zo gedraagt hij zich ook, hij blijft bij zichzelf, bepaalt wat
er gebeurt, wat hij doet komt van binnenuit. Het is een eigenzinnig,
individueel dier. In het punt is ook rust, alles komt tot stilstand en
het is afgesloten, we hebben er geen toegang toe.
De hond is de cirkel doordat die op het terrein de grenzen bewaakt. In
de cirkel zit beweging, er is activiteit. Hij is open, we hebben er
toegang toe, wat hij doet is een reactie op wat er van
buitenaf komt. De hond kan veel leren en is op te voeden.
Domesticatie
Hond en wolf
De hond stamt af van de wolf. De domesticatie vond circa 15.000
–
30.000 jaar geleden plaats in Oost-Azië toen de mens zijn
nomadische bestaan opgaf en landbouwer werd en een vaste woonplaats
kreeg. Wolven begonnen in deze tijd de nabijheid van de mens op te
zoeken en van hun afval te leven. Wolven huilen wanneer er een vijand
nadert, zo beschermden ze tegelijk de mens. De mens temde de wolf en de
wolf
paste zich aan de mens aan. Tijdens de domesticatie werd de
gezichtsschedel korter. In Egypte maakte men destijds al veel gebruik
van wolven voor de jacht. Ook diersoorten die we vandaag niet meer als
gedomesticeerde dieren kennen, zoals jachtluipaarden en hyena's werden
door de Egyptenaren gehouden. Honden moesten tot 100 jaar geleden
buiten blijven. Vooral in de laatste 200 jaar heeft gericht fokken voor
een explosieve vermenigvuldiging van rassen gezorgd.
Honden hebben de sociale eigenschappen van wolven behouden. Ze hebben
een sociale hiërarchie, waarin de plaats van ieder dier
vastligt.
Door hun sociale leven, dat gericht is op hun baas, kunnen honden veel
leren en kunnen ze zich aan veel situaties aanpassen.
Kat en wilde kat
De kat stamt af van de wilde kat. De domesticatie vond plaats in
Voor-Azië, circa 10.000 jaar geleden. Waarschijnlijk werden
katten
aangetrokken door muizen, die zich tegoed deden aan graan van de pas
gesettelde boeren. Door jonge katjes in huis te halen en te verzorgen
raakte de kat aan de
mens gewend. In het proces van gewenning aande mens, domesticeerde de
kat zichzelf. Tijdens dit proces is de kat
tammer geworden, maar anatomisch niet veranderd en in gedrag
grotendeels zichzelf gebleven.
Katten kunnen in de vrije natuur makkelijk verwilderen en overleven.
Verschillen
Honden zijn gedomesticeerd, katten hebben zichzelf gedomesticeerd, zo
wordt gesteld. Door
zijn sociale gedrag is de hond op de mens gericht en wil hem dienstbaar
zijn. De kat is bij de mens ingetrokken. De
vele hondenrassen verschillen veel meer van elkaar dan de kattenrassen.
Katten blijven zichzelf. Honden reageren meer op selectie dan katten.
Variatie in
honden- en kattenrassen

Afghaanse
windhond
Buldog
Pekinees

Europese korthaar
Abessijn
Noorse boskat
Er is een prachtig verhaal van Rudyard Kipling uit zijn Just so stories over
de kat en de hond (en het paard en de koe), genaamd The
cat that walked by himself.
Wolf
en wilde kat
Wolf
(sommige gegevens zijn van honden)
Een wolf is ongeveer 130 cm lang, de schouderhoogte is circa 75 cm en
hij heeft een staart van 40 cm. Hij weegt circa 50 kg (alle maten en
gewichten zijn gemiddelden). De vacht is grijs-bruin, donkerder op de
rug en lichtgrijs aan de onderzijde. De kleur is variabel, er zijn
lichte en donkere ondersoorten. Er zijn 39 ondersoorten.
Een wolf is opvallend lang. Zowel kop en schedel, lichaam als staart
zijn langgerekt. De staart wordt vrij recht gehouden
en is niet erg soepel. Hij staat vrij hoog op de poten en de poten
komen vrij sterk los van het lichaam. De poten zijn met hun relatief
grote, harde, niet intrekbare klauwen goed geschikt om te lopen. Wolven
lopen niet geluidloos.
uiterlijk
wolven in de sneeuw
Ze hebben een bijzonder goede reukzin. Ze ruiken een miljoen maal beter
dan mensen en kunnen waarnemen in welk neusgat de geur sterker is en zo
bepalen uit welke richting de geur komt. Reuk geeft een snelle reactie,
omdat er een directe verbinding is met de hersenen. De reukhersenen van
een wolf vormen circa 10% van zijn hersenen (bij de mens is dat 1%).
Omdat de reuk zo sterk wordt waargenomen worden wolven door hun reuk
geleid. Het gehoor is ook goed ontwikkeld. Het zien is gericht op
bewegende dingen en ze zien geen rood. Hun kleurenspectrum is ten
opzichte van de mens verschoven naar het blauw-violet. Smaak is niet
goed ontwikkeld.
De hond heeft een groter hart en veel grotere longen dan de
kat.
Wolven zijn vleeseters en jagen op middelgrote tot grote dieren, zoals
reeën, herten, elanden, wilde zwijnen, schapen en steenbokken.
Ook
kleinere dieren als hazen en muizen worden gevangen. Ze beginnen met
het eten van de ingewanden en organen, daarna volgen de spieren. Wolven
eten in tijden van schaarste ook aas en soms wel mest. Ook planten en
bessen worden als aanvulling op het dieet gegeten. Het darmkanaal is 5
– 6 x de lichaamslengte. De blinde darm is 8 – 30
cm lang
en veel langer dan van de kat.
De kaak is relatief lang. Behalve knipkiezen zijn er enkele
knobbelkiezen.
Een wolf jaagt op geur en besluipt een prooi en probeert hem te
bespringen. Lukt dat niet, dan zet hij de achtervolging in, veelal niet
meer dan een paar km. De roedel kan ook onvermoeibaar jagen, maar doet
dat zelden. Wolven hebben een groot uithoudingsvermogen. Ze zwemmen
graag.
Wolven leven in roedels, bestaande uit een reu en een teef met hun
jongen. Het zijn familiegroepen. Ze werken met elkaar samen bij de
jacht en helpen elkaar. In de roedel heerst hiërarchie. Alleen
de
leidende dieren mogen zich voortplanten, hoewel ook de lager geplaatste
dieren hun kans wagen als de leidende dieren uit zicht zijn. De andere
dieren schikken zich in hun ondergeschikte positie. Op dit gegeven is
ook het samenleven van honden met de mens gebaseerd. Een hond erkent
zijn baas of is de baas. Als dat niet duidelijk is, moet het steeds
weer worden vastgesteld.
Wilde kat
De wilde kat is een grijs, licht gestreept dier van ongeveer 60 cm lang
met een schouderhoogte van 35 cm, de staart is met 30 cm relatief lang.
Het gewicht is circa 6 kilo. Om de staart zijn er zwarte ringen en de
staartpunt is ook zwart. Er zijn 5 ondersoorten.
Het lichaam is soepel. De schedel is ovaal-rond. Een kat heeft relatief
korte poten, die enigszins in het lichaam zijn opgenomen. De gang is
sluipend en kruipend, ze kunnen goed tijgeren. Ze trekken korte
sprintjes en rennen doen ze korte stukjes. De klauwen
kunnen worden ingetrokken. De kussens
van de poten zijn zacht en gevoelig. Katten lopen daarom onhoorbaar. De
staart is soepel en vaak in beweging.
wilde kat, overzicht
wilde kat met jongen
Katten hebben een bijzonder goed gehoor, een van de beste onder de
zoogdieren. Het bereik is meer dan 10 octaven en gaat hoger dan bij
honden. Ze kunnen ultrasone geluiden van knaagdieren horen. Het goede
gehoor wordt mede mogelijk gemaakt door de wendbare oren. Ook het zien
is goed. Ze zien in het halfdonker goed, doordat in het oog vallend
licht wordt weerkaatst. Katten zijn rood-groen kleurenblind, ze zijn
gericht op bewegende voorwerpen. De reuk is
beter ontwikkeld dan bij mensen, maar minder dan bij honden. Ze
hebben lang uitgegroeide snorharen op de kop, hiermee nemen ze o.a.
luchtstromen waar. Hun evenwichtszin is ook goed ontwikkeld, ze kunnen
uitstekend in bomen klimmen en zonder moeite over dunne richeltjes en
takken lopen.
Het voedsel is puur dierlijk: vlees en vis. Het moet wel vers zijn,
want bedorven vlees laten ze
staan en aas eten ze niet. Plantaardig materiaal wordt gegeten via de
darminhoud van prooien. Soms eten katten gras. Ze jagen vooral op
kleine vogels en knaagdieren, zoals muizen. Een kat heeft een zeer
korte blinde darm ( 2 – 4 cm). Ze hebben puntige knipkiezen
in
een korte kaak. Katten hebben 2 kiezen per kaakhelft minder dan honden
(vereenvoudigde formule bij de kat: 3-1-3-1 en bij de hond: 3-1-4-2).
Prooien worden beslopen. Wanneer ze een prooi in het oog hebben, kunnen
ze lange tijd geconcentreerd aandachtig blijven kijken. Vanuit
stilstand of vanuit een hinderlaag wordt de prooi besprongen. De
reflexen zijn snel. Een kat is een goede springer. Hij kan goed klimmen
en komt glijdend en half vallend weer beneden. Ze kunnen met vallen
grote hoogteverschillen overleven. Tijdens de val draaien de
poten altijd naar beneden. Er wordt wel gezegd dat een kat negen levens
heeft.
Katten leren jagen van hun ouders. Bij onze katten thuis kwam moeder
toen de jongen 6 weken oud waren met een vogel in de bek aanlopen. Ze
paradeerde voor haar jongen en legde het dier neer en bleef erbij
kijken. Sommige jongen hadden geen belangstelling, maar een ging erheen
en probeerde wat aan de vogel te sjorren. Zonder resultaat. Een tijdje
later probeerde een ander jong het en die begon de vogel te plukken en
begon ervan te eten onder het goedkeurende oog van moeder. Daarna
werden er meer prooien binnengebracht, veelal muizen, soms een vogel.
Toen de jongen 9 – 10 weken waren hoorden we een kreet. Een
half-dode muis werd binnengebracht en de jongen speelden met hem en
doodden hem. Daarna een half-dode kikker en een piepende vogel. Met 12
weken werden er levende vogels binnengebracht. Het was zeker de
bedoeling dat de jongen die dieren zouden doden, maar daar kregen ze
geen kans voor, we hebben die dieren gered. Buiten gaat de opvoeding
door, maar helaas buiten ons zichtsveld. Katten in het wild geven hun
jongen ook steeds meer te doen bij de jacht.
Wilde katten zijn dieren die hun eigen weg gaan, ze leven voor een
groot deel solitair. Ze besteden veel tijd aan zichzelf schoonpoetsen.
Een kat heeft een groter hersenvolume, kleinere longen en een kleiner
hart dan de hond. Het darmkanaal is korter en de maag is groter. De
blinde darm is zeer kort. Een kat heeft een lichter skelet.

Skelet van de hod
(links) en de kat. De hond heeft een rechtere, langere schedel, een
rechte ruggegraad en rechtere poten. De kat heeft een ronde schedel,
een gebogen ruggegraad en meer gebogen poten.
| |
hond |
kat |
| hersenen |
0,6% |
0,9% |
| hart |
6,8‰ |
5,3‰ |
| longen |
1,4% |
1,0% |
| darmlengte
t.o.v. van lichaam |
5 - 6 x |
3 - 4 x |
| maag
- dunne darm - dikke en blinde darm |
62 - 23 - 15% |
69 - 15 - 16% |
| skelet |
14% |
11,5% |
Gegevens over hond
en kat (in % of ‰ van het
lichaamsgewicht, gegevens uit Flindt)
Conclusies
hond/wolf
en kat/wilde kat
Honden en katten zijn roofdieren, dieren die vanuit het ritmische
leven. Het
zijn hart-longdieren (zie de pagina muis
– leeuw
– koe).
Vergelijken we ze met elkaar dan zien we dat de kat vanuit zijn hart
leeft en
een hond vanuit zijn longen.
Een kat
blijft zichzelf, gaat zijn eigen weg, is eigenzinnig en houdt zijn vorm
vast. Bij de kat staat het ronde voorop: een ronde schedel, een rond
soepel lichaam, ingetrokken klauwen. Alles lijkt vanuit een centrum,
een hart, te
komen.
Een hond is open naar de omgeving, is op zijn baas gericht,
leerbaar, er is veel rasvariatie. Bij de hond staat het rechte voorop:
een stijver lichaam, een stijve staart, niet intrekbare klauwen. Hij
lijkt te reageren op wat er uit de omgeving op hem afkomt. Alles lijkt
uit de periferie te komen. (De longen reageren in het
gevoel op hetgeen
op ons af komt.)
Maar ook zien we dat:
De wolf/hond
meer de eigenschappen van het
stofwisseling-ledematenstelsel heeft:
- groter, stijver lichaam, langere
en stijvere poten,
- minder soepele loopbewegingen, achtervolger, groter
uithoudingsvermogen,
- reuk zeer goed,
- vlees- en aaseter, eet eerst ingewanden, knip- en
knobbelkiezen, langer darmkanaal.
De kat de
eigenschappen
van het zenuw-zintuigstelsel heeft:
- kleiner,
soepel lichaam, ronde schedel, kortere poten,
- soepele gang, beweeglijke
staart, springer, achtervolgt niet,
- bijzonder goed gehoor en zicht, grotere
hersenen,
- vleeseter, puntige
knipkiezen, grotere maag.
Ook zien we dat de
kleine kat in bomen klimt en de grote hond/wolf
graag zwemt.
| |
wolf |
vos |
lynx |
wilde kat |
| lengte kop -
romp (cm) |
130 |
70 |
100 |
60 |
| lengte
staart (cm) |
40 |
40 |
20 |
30 |
| schouderhoogte
(cm) |
75 |
35 |
60 |
35 |
| gewicht (kg) |
50 |
6,5 |
22 |
6 |
Maten van wolf,
vos, lynx en wilde kat
Wolf
en vos
Een verwant van de wolf in Europa is de vos. Een vos is 70 cm lang,
daar komt nog 40 cm bij voor de dikke, ruige staart, die bij het lopen
recht naar achteren steekt. De schouderhoogte is 35 cm. Gemiddeld wegen
vossen 6,5 kilo. Ze zijn roodbruin gekleurd met een witte onderkant
en een witte bef. Rond de bek is hij ook wit. De onderste delen van de
poten zijn zwart. Er zijn
45 ondersoorten.
Het lichaam van de vos is relatief lang. De snuit is slank en
langgerekt. De staart is lang en dik. De poten zijn korter en de
klauwen relatief kleiner dan van de wolf. De klauwen kunnen
gedeeltelijk worden ingetrokken.
vos, overzicht
vos begraaft voedsel
Het hart van de vos is relatief groter dan van de wolf.
Het gehoor is goed ontwikkeld, het gepiep van een muis hoort hij op een
afstand van 100 meter, vliegende kraaien op 250-500 meter. Ze zien
goed en zijn vooral op beweging gericht. Ze hebben een goede reuk,
maar minder goed dan bij honden.
De kiezen zijn scherper en relatief langer dan van de wolf. Het
darmkanaal is relatief korter.
Een vos is een opportunist en alleseter. Hij eet kevers, muizen, hazen,
kippen, eieren, vruchten, aas en afval. Net als de wolf kan hij voedsel
begraven en er naar terug gaan.
Een vos jaagt solitair. Hij kan hard rennen, maar benadert zijn prooien
sluipend en kan net als een kat een tijd bij een hol staan om als hij
de prooi ziet er op te springen. Hij jaagt als een kat. Hij is minder
een achtervolger dan de wolf. De sluwheid van een vos is legendarisch.
Wanneer een vos ergens in wil zoekt hij net zo lang tot hij een gaatje
vindt, een tunnel kan graven of ergens overheen kan springen.
De vos is lenig en kan over hekken van 2 meter springen. Ze zijn een
goede zwemmers en klimmen in bomen. Vossen hebben een hol of burcht en
leven in groepen van 6 dieren, bestaande uit een leidend mannetje en
vrouwtje en een aantal ondergeschikte vrouwtjes uit eerdere worpen.
Vergelijken we de wolf met de vos dan heeft de vos eigenschappen die
aan de kat doen denken, zoals:
- scherpe en lange kiezen
- korter darmkanaal
- springt en jaagt als een kat
- eet beter verteerbaar voedsel
- klauwen zijn gedeeltelijk intrekbaar
- goed gehoor
- lange staart

Jagende
vos
Door zijn lange poten heeft de lynx een
vierkante verschijning
Kat
en Europese lynx
De kat heeft een wilde verwant in de bosrijke delen van Europa en dat
is de lynx of los.
De Europese lynx heeft een lichaamslengte van circa 100 cm, een
schouderhoogte van 60 cm en een staart van 15-20 cm. Het gewicht is 22
kilo. De rug is even lang als de poten, zodat een lynx een vierkante
verschijning heeft.
De voorpoten zijn korter dan de achterpoten. De
klauwen zijn ongeveer driemaal zo groot als van de kat. De kop is rond
en breed, mede door de brede bakkebaarden. Ten opzichte van de kat
heeft de lynx langere poten en een aanzienlijk
kortere staart. De ledematen zijn minder in het lichaam opgenomen. Er
zijn 10 ondersoorten.
Een lynx is licht roodbruin gekleurd met een zwarte staartpunt.
Verspreid over zijn lichaam liggen meerdere kleine, donkere vlekken.
Vooral
de ledematen zijn duidelijk gevlekt. De kin en onderzijde zijn licht
gekleurd.
Iberische lynx (geen video van de Europese
gevonden)
Iberische lynx verzorgt zichzelf
Het gehoor is uitstekend, het geruis van een muis hoort hij op 50 meter
en een ree dat voorbij gaat wordt al op 500 meter waargenomen. Op de
oren staat een pluim, die een rol speelt bij het horen (als hij wordt
afgeknipt hoort een lynx minder goed en kan hij minder goed bepalen
waar het geluid vandaan komt). De ogen zijn het belangrijkste zintuig.
Een muis wordt op 75 meter gezien, een haas op 300 en een ree op 500.
Net als de kat kan de lynx in het donker zien. Reuk is bij de jacht
onbelangrijk. Lynxen hebben een goed ruimtelijk geheugen.
Lynxen leven solitair en jagen vooral op vogels, hazen, reeën
en gemzen. Kleine
dieren worden beslopen en besprongen, grote worden vanuit een
hinderlaag achter struiken of in een boom besprongen. Grote prooien
worden
verstopt en een lynx kan daar meerdere dagen van eten. Ze eten ook aas.
Hij loopt en achtervolgt meer dan de kat om een prooi te vangen,
achtervolgingen van 200 – 300 meter van hazen en rendieren
zijn
verrassend vaak succesvol. Ze zwemmen meer dan katten.
Vergelijken we de lynx met de kat, dan heeft de lynx eigenschappen die
aan de wolf doen denken, zoals:
- kortere staart
- grote klauwen
- hoger op de poten
- eet ook aas, moeilijker verteerbaar voedsel
- achtervolgt zijn prooi meer, zwemt
Bij beide paren geldt
dat het grotere dier een kortere staart heeft en dat de klauwen extra
groot zijn.
Klauwen
Interessant is dat wolf en lynx beide relatief grotere klauwen hebben
dan vos en kat. In de literatuur worden de grote klauwen van de lynx
verklaard doordat de lynx meer op sneeuw loopt dan de kat en de grotere
klauwen wel kan gebruiken. Je kunt dit ook omdraaien. Doordat de lynx
grotere klauwen heeft loopt hij meer op sneeuw dan de kat. Waarom
zouden wolf en lynx beide grotere klauwen hebben, als de lynx wel en de
wolf niet vaker op sneeuw loopt dan respectievelijk de kat en de vos?
Het blijkt een regel te zijn bij katachtigen en hondachtigen: het
grotere dier heeft relatief grotere klauwen.
|
|