Marterachtigen zijn kleine tot middelgrote roofdieren met een lang, gestrekt lichaam en korte poten. Samen met hond en kat behoren ze tot de roofdieren, die in de vergelijking muis – leeuw – koe als middengroep van de zoogdieren worden gezien. Hoe de zoogdierpagina's samenhangen, staat in de inleiding op de zoogdieren.
Op deze pagina worden de Nederlandse marterachtigen besproken, gekarakteriseerd en ingedeeld in de drie eerder beschreven groepen. Zij laten veranderingen in vachtkleur en voedselvoorkeur zien, die samenhangen met de driegeleding.
Besproken worden: wezel, hermelijn en bunzing - drie verwanten uit geslacht kleine marters (Mustela) -, steen- en boommarter, otter en das. Sommige soorten hebben een verlengde draagtijd door kiemrust, zoals die onder de herten ook bij het ree voorkomt, en op de das na leven ze alle solitair.
Inleiding
De wezel is een klein, slank roofdier van 20 cm met een korte staart. Hij lijkt op een slanke, lange muis, die zich snel met golvende bewegingen en grote sprongen verplaatst. Het is een nieuwsgierig en beweeglijk dier, dat graag aanvalt (vooral muizen, maar ook grotere dieren) en prikkelbaar is. Wezels achtervolgen muizen in hun gangen en holen en staan geregeld op hun achterpoten om te kijken. Ze zijn zowel overdag als 's nachts actief.
Ook de hermelijn staat vaak op zijn achterpoten op de uitkijk. Hij lijkt op een grote wezel en onderscheidt zich door een langere staart met een zwarte punt. Hij springt meer dan hij rent en bolt daarbij steeds zijn rug, daardoor valt de nadruk in de verschijning op het achterlichaam. Een hermelijn is een nieuwsgierig dier, dat relatief vaak te zien is. Wie een hermelijn heeft zien wegschieten en dan zachtjes fluit, ziet hem vaak terugkomen om rond te kijken. Hij is een fanatieke jager en is overdag en ’s nachts actief.
De bunzing is een stuk groter en is donker gekleurd met een lichtere rug. Hij is actief in de schemering en de nacht. Hij jaagt door een gebied af te zoeken naar holtes, nissen en holen. Hij loopt met bolle rug. Prooien bespringt hij bij verrassing. Overdag slaapt hij in een hol of onder een hoop takken.
Wezel, hermelijn en bunzing komen bijna overal voor, met name in open en half-open cultuurgebieden. Ook op boerderijen worden ze aangetroffen. De bunzing heeft een voorkeur voor de nabijheid van water.
Boom- en steenmarter lijken op elkaar en zijn ongeveer even groot. Ook de behendigheid, souplesse en klimvaardigheid hebben ze gemeen. Hun habitat is verschillend, de boommarter komt vaker voor in het bos, de steenmarter meer bij bebouwing.
De boommarter is de betere klimmer. Hij komt vooral voor in gebieden met veel bos. Hij is vooral actief in de schemering en de nacht en kan goed klimmen. De boommarter is een felle jager, die in boomkruinen klimt en springt en achter eekhoorns aanzit, de zwaartekracht ontkennend. Ook nestkasten zijn niet veilig voor deze acrobaat.
De steenmarter dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. Hij heeft ongeveer het formaat van een slanke kat en is alleen actief in de nacht. Hij is een opportunist en eet wat hij tegen komt. Onder de motorkap kunnen steenmarters schade veroorzaken aan bedrading en isolatiemateriaal. Het zijn voornamelijk jonge dieren die de bedrading doorbijten, om de eetbaarheid ervan uit te proberen. Vaak zijn Japanse auto’s het doelwit, omdat er kabels worden gebruikt die visolie bevatten. Volwassen dieren laten de draden met rust. Ook klagen mensen over de stank en het lawaai van dieren die in hun huis een nest hebben gemaakt.
De otter leeft bij het water, met name in veengebieden met sloten en plassen. Hun hol hebben ze in de glooiing van de oever, de ingang bevindt zich veelal onder water. De otter is dag- en nachtactief. Ook hij kan nieuwsgierig zijn en oplettend recht overeind staan. Otters kunnen 7 tot 8 uur achter elkaar zwemmen.
De das komt in de schemering te voorschijn en is overdag te vinden in zijn burcht. In de winter kan hij wekenlang in rust gaan in zijn burcht. Hij teert dan op zijn vetreserve. Hij is omnivoor. Burchten gaan soms generaties lang mee en worden continu uitgebreid. Sommige burchten zijn zelfs al enkele honderden jaren in gebruik. Ze worden over het algemeen gegraven in struiken, heggen en houtwallen. De burcht heeft drie tot tien ingangen, die tien tot twintig meter van elkaar af liggen. Voor de ingangen liggen hopen aarde en oud nestmateriaal.
Marterachtigen laten veel eigenschappen van het zenuw-zintuigstelsel, van zenuw-zintuigdieren, zien, zoals bij de knaagdieren. Het kleine lichaam, het hoger gebouwde achterlichaam, de grote zintuigen en nieuwsgierigheid, hun snelle reactievermogen, de grote bewegingsactiviteit en het maken van holen zijn kenmerken die knaagdieren ook hebben. Opvallend is ook dat veel soorten op hun achterpoten staan om te kunnen kijken en dat veel dieren hun rug bol zetten, zodat daar in de verschijningsvorm meer nadruk op valt.
Kenmerken vergeleken
Grootte en lichaamsbouw
Alle dieren hebben een lang, gestrekt lichaam, een lange schedel en nek en vaak een bolle rug. De poten zijn kort. Bij de grotere dieren is duidelijk te zien dat het achtereind van het lichaam hoger en dikker is dan de voorzijde. De kleinere dieren houden de rug gebold. Tijdens het lopen springen ze golvend, ze springen vaak.
De wezel is het kleinste, de das het grootste dier. Wezel, hermelijn en bunzing zijn het kleinst en hebben kortere poten dan de andere dieren. Bij alle soorten zijn de wijfjes een stuk (tot 30%) kleiner dan de mannetjes. Alle aangaven hieronder zijn gemiddelden.
De wezel is met een lengte van 20 cm en een hoogte van 4 cm het kleinste roofdier. De staart is kort (6 cm). Mannetjes zijn met 65 gram veel groter dan de wijfjes met slechts 35 gram lichaamsgewicht. Het lichaam is langgerekt en de nek is niet dunner dan de borst of de kop. Het lichaam lijkt wel wat op een dikke sigaar. De zintuigen zijn relatief groot.
De hermelijn is ook langgerekt en lijkt veel op een grote wezel. Mannetjes zijn 30 cm, daarbij komt nog een staart van 12 cm en ze wegen 350 gram.
De bunzing is veel groter en dikker en iets gedrongener dan de vorige twee dieren. Het achterlichaam is boller en de nadruk ligt daar op. Ze zijn 40 cm, de staart is 14 cm. Mannetjes wegen 1200 gram.
Dan volgen in grootte de steen- en de boommarter, die elkaar in grootte niet veel ontlopen. De steenmarter is zwaarder en de boommarter heeft langere poten. De boommarter is 45 cm lang, de staart voegt daar nog 20 cm aan toe en 15 cm hoog en weegt 1400 gram. Hij heeft langere en bredere oren dan de steenmarter. De steenmarter wordt 44 cm lang en de staart 26 cm en 12 cm hoog. Ze wegen 1900 gram.
De otter is een stuk groter. Hij heeft een lange staart van 40 cm en zwemvliezen. Hij wordt 120 cm lang en het gewicht varieert tussen 5 en 12 kilo. De ogen en de kleine, afsluitbare oren en neusgaten liggen op één lijn bovenop de platte kop, waardoor ze boven water blijven als het dier aan het wateroppervlak zwemt. Het lichaam is achteraan breed en hoog gebouwd. De lange, ovaalronde staart doet dienst als stabilisator en roer tijdens het zwemmen. De snuit is breed.
De das is het grootste dier (13 kg) en is 75 cm lang met een staart van 15 cm. Hij heeft een wigvormig lichaam, dat achteraan hoger is, met een vrij kleine kop en een lange snuit. Ook heeft hij korte, stevige poten en een relatief korte staart.
| kenmerk | wezel | hermelijn | bunzing | steenmarter | boommarter | otter | das |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| lichaamslengte (cm) | 20 | 30 | 40 | 44 | 45 | 80 | 75 |
| staart (cm) | 6 | 12 | 14 | 26 | 20 | 40 | 15 |
| gewicht | 65 g | 350 g | 1200 g | 1900 g | 1400 g | 8 kg | 13 kg |
| spijsverteringskanaal (× lichaamslengte) | 3 x | 4 x | 5 x | 4 x | 4,3 x | 5,6 x | 7,5 x |
Vachtkleur
De wezel is rood- tot kastanjebruin op de rug en wit op de buik. De grens tussen beide is onregelmatig. De keel is wit en het staartje is roodbruin. In het hoge noorden worden wezels in de winter (gedeeltelijk) wit.
De hermelijn heeft een iets donkerdere kastanjebruine kleur en een zwarte punt aan de staart. Op de buik is hij gelig wit. In de winter is hij wit op de zwarte staartpunt na. Keizers en koningen droegen vroeger mantels die gemaakt waren van de winterpelzen van hermelijnen.
De bunzing heeft een donkerbruine vacht, een witte snuit met witte oorrandjes, witte vlekken tussen de oren en ogen en een donker masker. De flanken zijn gelig van kleur. In de zomer is de gelige ondervacht grotendeels verborgen onder de donkerkleurige dekharen en ziet hij er donker uit. In de winter staat deze ondervacht uit waardoor een bunzing er lichter en dikker uitziet.
De boommarter is chocoladebruin met een gele keelvlek, de steenmarter is bruin met een gedeelde witte keelvlek. De keelvlek van de steenmarter is wat groter dan die van de boommarter en contrasteert meer. De oren van de boommarter hebben een lichte rand.
De otter heeft een glanzend grijsbruine vacht en is op de keel lichter gekleurd.
De das is aan de onderkant en op de poten zwart en bovenop grijs. De kop, haren op de oren en de staartpunt zijn wit. Er lopen twee brede evenwijdige strepen over beide zijden van de kop, van de snuit via de ogen naar de oren en het achterhoofd. De randen van de oren zijn wit.
Wat opvalt is:
- De vachtkleur wordt donkerder naarmate de dieren groter worden.
- De kleinste dieren, wezel en hermelijn, zijn wit aan de onderkant en donker aan de bovenzijde. Bij het grootste dier, de das, is dat omgekeerd: zwart van onder en lichtgrijs bovenop. Bij de grootste van de kleine marters, de bunzing, is dit ook al te zien: hier zijn de flanken gelig gekleurd.
- Bij de grootste van de kleine marters, de bunzing, en bij het grootste dier, de das, is ook een markante koptekening te zien.
Deze veranderingen zijn ook te zien bij andere diergroepen, bijvoorbeeld bij de geitachtigen de lichte onderkant van de gems en de egaal donkere kleur van de muskusos, bij de herkauwers de lichte onderzijde van veel antilopen en de lichte aalstreep van runderen, en bij de onevenhoevigen de lichte onderzijde van de ezels en de egale grijze huid van de neushoorns. Een koptekening is ook te zien bij vele antilopen.
| vacht | wezel | hermelijn | bunzing | marters | otter | das |
|---|---|---|---|---|---|---|
| onderzijde | wit | wit | donker | bruin | lichtgrijs | zwart |
| bovenzijde | roodbruin | kastanjebruin | flanken gelig | bruin | grijsbruin | grijs |
| overig | – | zwarte staartpunt | tekening op de kop | lichte keelvlek | – | koptekening |
Voedsel
De wezel is doorlopend actief en op jacht. Door zijn kleine lichaam verliest hij veel warmte en door zijn actieve, nerveuze, nieuwsgierige gedrag verbruikt hij veel energie en heeft hij veel voedsel nodig, dagelijks circa 1/3 van zijn gewicht. Hij moet ook iedere dag eten. Hij is gespecialiseerd in het vangen van muizen (met name woelmuizen) en kan doordat hij zo dun is, makkelijk door muizengangen kruipen. Hij eet ook grotere knaagdieren, vogels en insecten. Nadat hij een dier heeft gedood, drinkt hij eerst wat bloed en eet daarna pas van het vlees. Hij neemt zijn prooi mee naar zijn schuilplaats en maakt geen vetlaag.
De hermelijn eet voornamelijk woelmuizen, andere knaagdieren tot het formaat van een konijn en vogels. Zijn prooien zijn wat groter dan van de wezel. Hij grijpt zijn prooi in de nek met zijn tanden en bijt hem dood. Ook hij kan eerst wat bloed drinken, sleept dan zijn prooi weg naar zijn schuilplaats en eet eerst de hersenen.
De bunzing eet muizen, kikkers, vogels, slangen, insecten en regenwormen. Hij is niet gespecialiseerd, leeft bijna geheel van dierlijk voedsel, maar kan ook hommelnesten (en toen ze nog in korven zaten ook bijennesten) openmaken voor de honing en de larven.
De steenmarter heeft een gevarieerd dierlijk en plantaardig menu. Hij leeft van allerlei kleine dieren tot het formaat van een kip of konijn en eet vaak muizen en ratten. Hij eet in de herfst en winter ook veel fruit en bessen. Het dier sleept zijn prooi eerst mee naar zijn schuilplaats en gaat dan pas eten. Als er meer prooien zijn gaat hij eerst terug om er meer te vangen alvorens te eten.
De boommarter heeft min of meer hetzelfde voedsel als de steenmarter, maar eet minder plantaardig voedsel en hij jaagt in bomen ook op eekhoorns.
De otter eet voornamelijk vis, maar ook muskusratten, watervogels en kikkers. Hij jaagt meestal 's nachts. Kleine vissen eet hij in het water op, hij ligt dan op zijn rug in het water en houdt zijn prooi met zijn voorpoten vast. Grote prooien sleept hij eerst aan land om ze daar op te eten.
De das is een alleseter en eet regenwormen, slakken, fruit, maïskolven, wortelen en af en toe een muis. Hij kan vet worden, daarop leeft hij tijdens zijn winterrust.
Samenhangend met het meer carnivore voedsel valt op dat de kleinere soorten (wezel, hermelijn) een kies minder hebben dan de grotere soorten (boommarter, das). In de eerste tabel hierboven staan gegevens over de lengte van het spijsverteringskanaal. Naarmate er meer koudbloedige dieren en plantaardig voedsel worden gegeten neemt de lengte ervan toe.
De kleinste dieren zijn pure vleeseters en eten alleen warmbloedige dieren en de kleinste ervan drinken ook het bloed en eten eerst de hersenen. De grotere dieren eten ook koudbloedige gewervelde dieren en gaan met toenemende grootte steeds meer ongewervelde eten en zelfs plantaardig voedsel. Als eerste zijn dit vruchten en daarna rijpend graan en wortelen. Een ander voorbeeld hiervan is de veelvraat. Dit circa 1 meter lange en tot 20 kg zware marterachtige leeft in de zomer vooral van aas en bessen. In de winter jaagt hij bij gebrek hieraan wel op andere zoogdieren, ook op grote zoals hert en eland.
| voedsel | wezel | hermelijn | bunzing | marters | otter | das |
|---|---|---|---|---|---|---|
| bloed | x | x | ||||
| zoogdieren | x | x | x | x | x | |
| vogels | x | x | ||||
| reptielen, amfibieën | x | x | ||||
| vissen | x | |||||
| ongewervelde dieren | x | x | x | x | ||
| honing | x | |||||
| fruit | x | x | ||||
| planten | x |
Voedselvoorkeur
In bovenstaande tabel is te zien dat er een opeenvolging is in voedselvoorkeur. Wanneer een dier behalve warmbloedige dieren ook andere dieren eet, zijn dit eerst koudbloedige gewervelde dieren die dicht bij de warmbloedige staan en daarna pas ongewervelde dieren. Daarna worden eieren en honing (een overgang van dierlijk naar plantaardig voedsel en er zitten ook insecten bij) gegeten en daarna vruchten. Pas daarna volgt groen plantaardig voedsel. Naarmate het dier groter wordt, wordt er meer plantaardig voedsel gegeten.
Het is interessant eens naar het begrip astraliteit (een korte uitleg van dit begrip) te kijken. Met dit begrip wordt in de antroposofie het dierlijke aangeduid. Volgens die opvatting is het astrale sterker ontwikkeld naarmate een dier hoger is ontwikkeld (van vissen naar zoogdieren). Ook aan planten wordt in lichte mate astraliteit toegeschreven, dan niet van binnenuit, maar van buitenaf, en het meest aan vruchten. In die lezing neemt in de tabel van links naar rechts de astraliteit van het voedsel af.
Voortbeweging
Wezel en hermelijn maken sprongetjes, waarbij ze hun rug krommen en zich met voor- en achterpoten tegelijk afzetten. Ze gaan vaak op hun achterpoten staan. De bunzing loopt veel meer, maar kan zich ook met sprongetjes voortbewegen. De boommarter is een behendige klimmer, gaat met groot gemak langs een boomstam omhoog of omlaag, hij is even snel als een eekhoorn. Hij springt in boomkruinen van tak naar tak. De steenmarter is veel minder behendig, maar is op de grond wel even wendbaar hoewel hij kortere poten heeft. De otter zwemt en duikt uitstekend. Hij heeft zwemvliezen tussen zijn tenen en gebruikt in het water zijn staart voor voortstuwing. Hij is met zijn korte poten op het land wat onbeholpen. De das heeft een tamelijk langzame gang.
Conclusies
De marterachtigen behoren tot de roofdieren en zijn in de eerste plaats hart-longdieren (zie muis - leeuw – koe). Binnen deze groep zijn het de dieren die sterk leven vanuit de zenuw-zintuig- processen.
Voor een indeling worden de drie verwante kleine dieren samengenomen, en ook de beide verwante marters. De wezelachtigen zijn de meest nerveuze en ook nieuwsgierige dieren, die snelle energie nodig hebben. De marters zijn dieren die van klimmen houden en de otter zit in het water. De grote das eet veel plantaardig voedsel en is een traag dier, dat het minst actief is. Hij legt ook een vetreserve aan, de wezel moet daarentegen dagelijks voedsel opnemen.
Indeling
- De wezelachtigen zijn de zenuw-zintuigdieren,
- de marters en de otter zijn de hart-longdieren en
- de das is het stofwisseling-ledematendier.
Bij hart-longdieren is vaak te zien dat het grootste dier het water opzoekt en het kleinste dier van klimmen houdt. De marters klimmen beide, de kleinste, de boommarter, doet dat bijzonder goed. Bij de hoefdieren komt dit fenomeen ook voor: daar zoeken de kleinste hart-longdieren rotsen op en de grootste ook het water of moeras.
Van de drie wezelachtigen is de wezel het kleinste en het meest actieve dier, de bunzing is het grotere dier, de hermelijn is wat groter dan de wezel en heeft een zwarte staartpunt. De wezel heeft een roodbruine kleur en een witte buik, de hermelijn is wat donkerder en heeft een gelig-witte buik, de bunzing is weer donkerder en heeft gelige flanken. De wezel drinkt bloed en eet alleen vlees, de hermelijn vooral vlees en de bunzing neemt naast vlees ook honing tot zich. De hermelijn heeft een (ritmische) afwisseling van zomer- en wintervacht.
Deze dieren zijn zo in te delen:
- Wezel zenuw-zintuigdier
- Hermelijn hart-longdier
- Bunzing stofwisseling-ledematendier
Samenvatting
- De lichaamsbouw van marterachtigen lijkt op die van knaagdieren: bolle rug en nadruk op het achterlichaam.
- De kleinste dieren zijn licht van onder en donker van boven en bij het grootste dier is dat omgekeerd. Daartussen staan dieren met keelvlekken.
- De kleinste dieren zijn het meest nerveus en agressief, het grootste dier is rustig.
- De kleinste dieren zijn reine vleeseters, in volgorde van grootte komen er daarna koudbloedige dieren bij op het menu en daarna insecten en wormen, honing, fruit en overig plantaardig voedsel.
- Van de middengroep zoekt het kleinste dier de lucht op en het grootste dier het water.
Kiemrust en voortplanting
Bij kiemrust nestelt de bevruchte eicel zich niet meteen in de baarmoederwand. De ontwikkeling van het embryo ligt dan maanden stil. Daardoor kan de paring in de zomer plaatsvinden, terwijl de jongen pas in het voorjaar daarop worden geboren, op het moment dat er voedsel genoeg is. Onder de Nederlandse marterachtigen komt kiemrust voor bij de das, de hermelijn, de boommarter en de steenmarter. Bij de hermelijn kan de tijd tussen paring en geboorte zo tot bijna een jaar oplopen.
De wezel kent geen kiemrust. Hij kan in een goed muizenjaar meer dan één worp per jaar grootbrengen en reageert daarmee direct op het aanbod van prooien. Ook hierin is het kleinste dier het meest op de omgeving gericht: het ritme van de voortplanting volgt de muizen, niet het seizoen.
De otter in Nederland
De otter was in Nederland in 1988 uitgestorven. Waterverontreiniging, het verdwijnen van rustige oevers en het verkeer hadden de laatste dieren doen verdwijnen. Vanaf 2002 zijn otters in De Weerribben in Overijssel uitgezet, en sindsdien heeft de soort zich van daaruit over een groter deel van het land verspreid. Verkeer blijft een van de belangrijkste doodsoorzaken, en onder wegen door worden daarom faunatunnels en loopstroken langs het water aangelegd.
Veelgestelde vragen
Welke marterachtigen leven in Nederland?
In Nederland komen de wezel, de hermelijn, de bunzing, de steenmarter, de boommarter, de otter en de das voor. Wezel, hermelijn en bunzing zijn nauw verwante kleine marters uit het geslacht Mustela. De das is de grootste en leeft als enige in groepen.
Wat is het verschil tussen een wezel en een hermelijn?
De hermelijn is groter dan de wezel en heeft een langere staart met een zwarte punt, ook in de witte wintervacht. Bij de wezel is de staart kort en roodbruin en is de grens tussen de bruine rug en de witte buik onregelmatig. Bij de hermelijn is die grens scherp.
Hoe zijn boommarter en steenmarter te onderscheiden?
Het duidelijkste kenmerk is de keelvlek. De boommarter is chocoladebruin met een gele keelvlek, de steenmarter heeft een witte, gedeelde keelvlek die groter is en meer contrasteert. De boommarter heeft ook langere poten en oren met een lichte rand.
Waarom bijten steenmarters in autokabels?
Het zijn vooral jonge steenmarters die bedrading en isolatiemateriaal onder de motorkap doorbijten, waarschijnlijk om uit te proberen of het eetbaar is. Volwassen dieren laten de draden meestal met rust.
Wat eet een das?
De das is een alleseter die vooral regenwormen en slakken eet, aangevuld met fruit, maïs, wortels en af en toe een muis. Hij kan in de herfst vet worden en leeft daarop tijdens zijn winterrust in de burcht.
Hoeveel moet een wezel per dag eten?
Een wezel eet dagelijks ongeveer een derde van zijn lichaamsgewicht. Door zijn kleine lichaam verliest hij veel warmte, en door zijn onrustige, actieve gedrag verbruikt hij veel energie. Hij legt geen vetreserve aan en moet dus elke dag jagen.
Wat is kiemrust bij marterachtigen?
Bij kiemrust nestelt de bevruchte eicel zich niet meteen in de baarmoeder, zodat de ontwikkeling maanden stilligt. Zo kan de paring in de zomer vallen en de geboorte toch in het voorjaar. Het komt onder meer voor bij de das, de hermelijn en de beide marters.
Hoe lang is een otter?
Een otter wordt met staart ongeveer 120 cm lang, waarvan zo'n 40 cm staart. Het gewicht ligt tussen de 5 en 12 kilo. Ogen, oren en neusgaten liggen op één lijn bovenop de platte kop, zodat ze boven water blijven als het dier aan het oppervlak zwemt.
Waarom wordt de wintervacht van de hermelijn wit?
In gebieden met sneeuw verruilt de hermelijn in de herfst zijn bruine vacht voor een witte wintervacht; alleen de staartpunt blijft zwart. Die witte winterpelzen werden vroeger gebruikt voor de mantels van vorsten. In zachte winters worden hermelijnen in Nederland vaak maar gedeeltelijk wit.
Hoe worden marterachtigen ingedeeld volgens de driegeleding?
In de driegeleding worden de marterachtigen als roofdieren tot de hart-longdieren gerekend. Daarbinnen worden de wezelachtigen gezien als zenuw-zintuigdieren, de marters en de otter als hart-longdieren en de das als stofwisseling-ledematendier. Het is een manier van kijken die let op vorm, vachtkleur en voedsel, naast de gangbare systematiek.
