Dynamisch

De eerste zeven jaar

Behalve het fysieke lichaam worden bij de mens in de antroposofische geesteswetenschap drie andere niet fysieke lichamen onde
Behalve het fysieke lichaam worden bij de mens in de antroposofische geesteswetenschap drie andere niet fysieke lichamen onderscheiden. Dit zijn:.

In de antroposofische menskunde wordt het leven ingedeeld in perioden van ongeveer zeven jaar, elk met een eigen ontwikkelingstaak. Deze pagina beschrijft hoe die traditie naar de eerste periode kijkt; daarna volgen de tweede zeven jaar en de derde zeven jaar.

Lichaam en orgaansysteem

Volgens deze benadering legt een kind in de eerste zeven jaar de lichamelijke basis voor het leven en is alles gericht op de ontwikkeling van het fysieke lichaam. Het lichaam groeit enorm en moet de organen en structuren ontwikkelen die het later in het leven nodig heeft.

Het orgaansysteem dat zich als eerste ontwikkelt, is het zenuwstelsel met de bijbehorende zintuigen. Die ontwikkeling wordt in deze visie na ongeveer zeven jaar (voorlopig) afgesloten. Het zenuwstelsel en de zintuigen ontwikkelen zich goed wanneer het kind veel kan waarnemen met al zijn zintuigen. Onder zulke omstandigheden zijn er veel waarnemingsprikkels die de zenuwen aanzetten tot het maken van veel verbindingen met andere zenuwen. Veel waarnemen gebeurt door veel te bewegen. Een kind dat in een boom klimt, gebruikt tegelijkertijd veel zintuigen (tast, spierzin, pijnzin, temperatuurzin, evenwicht, reuk, zien, gehoor) en de samenwerking tussen de zintuigen wordt gestimuleerd. Een kind dat op televisie een ander kind in een boom ziet klimmen, gebruikt alleen zijn ogen en oren en is zelf niet in beweging.

Hieruit wordt in de antroposofische pedagogiek afgeleid dat een klein kind in een prikkelende en activerende omgeving zou moeten opgroeien en dat actief gedrag gestimuleerd zou moeten worden. De rijkdom van de natuurlijke omgeving geldt als van belang voor de ontwikkeling van het kind. Het kind is daarbij afhankelijk van zijn opvoeders.

De opbouw van het lichaam vindt in dit mensbeeld plaats door het levens- of etherlichaam: het zijn de krachten daarvan die de stof van het fysieke lichaam vorm geven. Daarom wordt het belangrijk gevonden het etherlichaam dit werk zo goed mogelijk te laten doen. Wat nu niet goed wordt opgebouwd, kan volgens deze opvatting later slechts met moeite of niet worden hersteld.

Leren

Het kind leert in deze leeftijdsfase door nabootsing. In de eerste drie jaar leert het lopen, spreken en denken door na te doen wat de omgeving doet. Het gaat lopen en spreken zoals de ouders, en een taal of dialect wordt vanzelf overgenomen. In een stimulerende omgeving bootst een kind veel na en ontwikkelt daarbij tegelijk zijn zenuwstelsel en de rest van zijn organen. Wordt een kind niet gestimuleerd en groeit het op in passiviteit voor de tv of de pc, dan ontwikkelt volgens deze benadering het bewegingsapparaat zich slecht, werken de zintuigen slecht samen, kan het zich slecht concentreren en is het snel afgeleid. Minder activiteit van het denken is dan het gevolg, omdat de hersenen zich hebben gewend aan het passief opnemen van informatie. Tegelijkertijd ontstaat er te weinig creativiteit en wil om zelf te denken. Het kind wordt toeschouwer, heeft weinig ideeën en lost problemen niet zelf op.

De rol van opvoeders

Kinderen komen in deze visie met een natuurlijk vertrouwen ter wereld. Dat vertrouwen wordt in de dagelijkse praktijk geschaad, maar de leeftijd waarop dat gebeurt, telt. Hoe eerder of hoe fundamenteler het vertrouwen wordt geschaad, hoe moeilijker het te herstellen is. Kinderen die in een oorlog opgroeien of in probleemgezinnen hebben een verstoorde relatie met de wereld; bij hen is het vertrouwen al op jonge leeftijd geschaad en zijn angst of wantrouwen ontstaan. Omdat een kind in deze fase leert door na te bootsen, moet het door de omhullende houding van ouders en opvoeders kunnen ervaren dat de wereld goed is. Daarmee wordt volgens de antroposofische pedagogiek de basis gelegd voor de morele verhouding van het kind tot de wereld. Een opvoeder werkt in deze opvatting vanuit het etherlichaam en omhult de kinderen daarmee.

Opvoeders zouden zich tegelijkertijd kunnen terughouden door niet te veel invloed uit te oefenen op het spel van de kinderen. Zo wordt het spel, en worden de bewegingen, van binnenuit vormgegeven en niet van buitenaf. Kinderen moeten in deze levensfase de regels ook per spel kunnen veranderen. Ook zouden bewegingsvoorkeuren niet te ver moeten doorwerken bij het kind.

Behalve omhullen, vertrouwen schenken en zich terughouden stellen opvoeders ook grenzen aan wat kinderen doen en willen. Vaak wordt gezegd dat kinderen zelf om grenzen vragen, en dat is al reden genoeg. Maar het kind leert zo ook dat het niet in alles zijn zin krijgt. Daardoor leert het met teleurstellingen om te gaan, dat het zelf begrensd is en wat het is om innerlijk pijn te lijden. Dit laatste wordt belangrijk gevonden om later het (abstracte) denken tot ontwikkeling te brengen, want ook daarbij lijdt men pijn doordat men zichzelf moet overwinnen en door (denk)barrières heen moet breken.

Denken

Een goed ontwikkeld zenuwstelsel vormt de basis voor een goed denk- en voorstellingsvermogen. Het kleine kind denkt in beelden, leeft in voorstellingen en kan makkelijk voorstellingen maken wanneer er een verhaal wordt verteld. Intellectueel denken is volgens deze benadering nog niet op zijn plaats: het onttrekt krachten aan het levenslichaam en daarmee opbouwende krachten aan het lichaam. Een kind dat in de eerste zeven jaar te vroeg en te veel intellectueel wordt gestimuleerd, is in deze visie vaker moe en heeft minder levenskrachten ter beschikking voor de opbouw van het fysieke lichaam.

De eerste ikinslag

Halverwege, rond het derde jaar, gaat het kind naar zichzelf verwijzen in de eerste persoon in plaats van met zijn eigen naam. Het maakt vanaf dat moment onderscheid tussen zichzelf en alle andere wezens en dingen. Rond dezelfde tijd beginnen herinneringen te blijven: van daarvoor zijn er nauwelijks concrete herinneringen, hoogstens sfeerherinneringen. Een ander kenmerk van dit moment is dat het kind nee gaat zeggen. Zeker vanaf dan wordt het in deze pedagogiek belangrijk gevonden het kind grenzen te stellen, zodat het ook zijn eigen grens leert kennen: "dit ben jij, dat is de wereld". Hoe lichaam, ziel en geest in dit mensbeeld samenhangen, beschrijft de pagina over de driegeleding van de mens.

↑