De
eerste zeven jaar
Lichaam
en orgaansysteem
In de eerste zeven jaar legt een kind de lichamelijke basis voor het
leven en is alles gericht op de ontwikkeling van het fysieke lichaam.
Het lichaam groeit enorm en moet de organen en structuren ontwikkelen,
die het later in het leven nodig heeft.
Het orgaansysteem dat zich het
eerste ontwikkelt is het zenuwstelsel
met de daarbij behorende
zintuigen. Die ontwikkeling wordt na ongeveer zeven jaar (voorlopig)
afgesloten. Het zenuwstelsel en de zintuigen ontwikkelen zich goed
wanneer het kind veel kan waarnemen met al zijn zintuigen. Onder
dergelijke omstandigheden zijn er veel waarnemingsprikkels die de
zenuwen aanzetten tot het maken van veel verbindingen met andere
zenuwen. Veel waarnemen gebeurt door veel te bewegen. Een kind dat in
een boom klimt, gebruikt tegelijkertijd veel zintuigen (tast,
spierzin, pijnzin, temperatuurzin, evenwicht, reuk, zien, gehoor) en de
samenwerking tussen de zintuigen wordt gestimuleerd. Een kind dat op
televisie een ander kind in een boom ziet klimmen, gebruikt alleen zijn
ogen en oren en is zelf niet in beweging.
Hieruit volgt dat een klein
kind in een prikkelende en activerende omgeving zou moeten opgroeien en
dat actief gedrag gestimuleerd zou moeten worden. De rijkdom van de
natuurlijke omgeving is voor de ontwikkeling van het kind van belang.
Het kind is daarbij afhankelijk van zijn opvoeders.
De opbouw van het lichaam
vindt plaats door het levens- of etherlichaam (zie hiernaast), het
zijn de krachten hiervan die de stof van het fysieke lichaam vorm
geven. Het is daarom belangrijk het etherlichaam
dit werk zo goed
mogelijk te laten doen. Alles wat nu niet goed wordt opgebouwd kan
later slechts met moeite of niet worden hersteld.
Leren
Het kind leert in deze leeftijdsfase door nabootsing. Het kind
leert in
de eerste drie jaar lopen, spreken en denken door na te doen wat de
omgeving doet. Het kind gaat lopen en spreken als de ouders, een
taal of een dialect wordt automatisch overgenomen. In een stimulerende
omgeving bootst een
kind veel na en ontwikkelt daarbij tegelijk zijn zenuwstelsel en de
rest van zijn organen. Wordt een kind niet gestimuleerd en groeit het
op in passiviteit voor de tv of de pc, dan ontwikkelt het
bewegingsapparaat zich slecht, is er slechte samenwerking van de
zintuigen, kan het zich slecht concentreren en is het snel afgeleid.
Minder activiteit van het denken is het resultaat, omdat de hersenen
zich
hebben gewend aan de passieve opname van informatie. Tegelijkertijd
ontstaat er te weinig creativiteit en wil om zelf te denken. Het kind
wordt toeschouwer, heeft weinig ideeën en lost problemen niet
zelf op.
De rol van opvoeders
Kinderen komen met een natuurlijk vertrouwen ter wereld. Het natuurlijk
vertrouwen wordt in de dagelijkse praktijk geschaad, maar de leeftijd
waarop dat gebeurt is belangrijk. Hoe eerder of hoe fundamenteler het
vertrouwen wordt geschaad, hoe moeilijker het is te herstellen.
Kinderen
die in een oorlog opgroeien of kinderen in probleemgezinnen hebben een
verstoorde relatie met de wereld. Bij hen is het vertrouwen al op jonge
leeftijd geschaad en zijn er angst of wantrouwen ontstaan.
Omdat een kind in deze leeftijdsfase leert door na te bootsen, moet het
door de omhullende houding van ouders en opvoeders kunnen ervaren dat
de wereld goed is. Daarmee wordt de basis gelegd voor de morele
verhouding van een kind tot de wereld. Een opvoeder werkt vanuit het
etherlichaam en omhult de kinderen daarmee.
Opvoeders zouden zich
tegelijkertijd kunnen terughouden door niet te veel invloed uit te
oefenen op het spel van de kinderen. Daardoor wordt het spel en worden
de bewegingen van binnenuit vormgegeven en niet van buitenaf. Kinderen
moeten de regels ook per spel kunnen veranderen in deze levensfase. Ook
zouden bewegingsvoorkeuren niet te ver moeten doorwerken bij het kind.
Behalve omhullen, vertrouwen schenken en zich terughouden moeten
opvoeders ook grenzen
stellen aan hetgeen kinderen doen en willen. Vaak
wordt gezegd dat kinderen zelf om grenzen vragen, dat is al reden
genoeg het te doen. Maar ook is het goed dat een kind leert dat het
niet in alles zijn zin krijgt. Daardoor leert het met teleurstellingen
om te gaan, dat het zelf begrensd is en wat het is om innerlijk pijn
te lijden. Dit laatste is belangrijk om later het (abstracte) denken
tot ontwikkeling te brengen, want ook daarbij lijdt men pijn doordat
men zichzelf moet overwinnen en door (denk)barrières heen
moet breken.
Denken
Een goed ontwikkeld zenuwstelsel vormt de basis voor een goed denk- en
voorstellingsvermogen. Het kleine kind denkt in beelden, het leeft in
voorstellingen en kan makkelijk voorstellingen maken wanneer er een
verhaal wordt verteld. Intellectueel denken is nog niet op zijn plaats,
dat onttrekt krachten aan het levenslichaam en onttrekt zo opbouwende
krachten aan het lichaam. Een kind dat in de eerste zeven jaren (te
vroeg en te veel) intellectueel wordt gestimuleerd, is vaker moe en
heeft minder levenskrachten ter beschikking voor de opbouw van het
fysieke lichaam. Als gevolg daarvan is er een grotere kans op ziektes.
Ik-inslag
Halverwege, ongeveer op driejarige leeftijd•, gaat het kind
zichzelf aan duiden met “IK” in plaats van met zijn
eigen naam. Het maakt vanaf dat moment onderscheid tussen zichzelf en
alle andere wezens en dingen. Dit is ook het moment dat men
herinneringen gaat
vasthouden. Van voor dit moment zijn er nauwelijks concrete
herinneringen, wel kunnen er sfeerherinneringen zijn. Dit moment heeft
als ook kenmerk dat het kind nee tegen dingen gaat zeggen. Zeker vanaf
dat moment is het belangrijk het kind grenzen te stellen, zodat het
kind ook zijn eigen grens leert kennen: “dit ben jij, dat is
de wereld”.
|
Behalve het fysieke lichaam worden bij de mens in de antroposofische
geesteswetenschap drie andere niet fysieke lichamen onderscheiden. Dit
zijn:
- Het levenslichaam of etherlichaam, het lichaam dat
zorgdraagt voor
het leven van de stof. Evenals mensen hebben ook dieren en planten een
levenslichaam. Kenmerkend voor dit lichaam zijn vitaliteit, energie,
ritme en tijd. Levende organismen zijn onderhevig aan ritmes en hebben
een bepaalde, hoewel variabele levensduur. Ook lichtheid en oprichtende
kracht (planten, dieren en mensen heffen hun materie van de aarde
omhoog) zijn er eigenschappen van.
- Het ziele- of astraallichaam heeft de mens met de
dieren
gemeen. Het zorgt voor de waarneming, beweging en emoties. Kenmerken
van het astraallichaam zijn de gevoelswereld, afgeslotenheid (dieren en
mensen zijn afgesloten, een plant is een open, bijna onbegrensd
organisme).
- Het laatste lichaam is de ik-organisatie, het lichaam
dat
de mens tot een individu maakt, hem een centrum geeft en dat de mens
scheppend en creatief actief maakt.
|