In de antroposofische menskunde volgt op de eerste zeven jaar een tweede periode, van ongeveer het zevende tot het veertiende jaar. Deze pagina beschrijft hoe die traditie deze fase ziet.
Lichaam en orgaansystemen
Vanaf ongeveer het zevende jaar, na de tandenwisseling, komt het kind in een nieuwe fase. Het wordt schoolrijp en kan gaan leren. Volgens deze benadering zijn er nu krachten voor het denken beschikbaar die er eerst niet waren. Dat wil zeggen: ze waren er wel, maar deze krachten (etherkrachten) werden gebruikt om het lichaam op te bouwen. Nu komen ze ten dele vrij voor het denken; een ander deel blijft werken aan de verdere opbouw van het lichaam.
Het volgende wezensdeel, het astraallichaam, leidt in dit mensbeeld de uitrijping van de ademhaling en de bloedsomloop, die nu hun voltooiing krijgen. De werking van het astraallichaam wordt bevorderd door activiteiten die het gevoel versterken, zoals kunstzinnige activiteiten, creativiteit en sociale activiteiten.
Het levenslichaam heeft volgens deze opvatting een bepaalde kleur, die het temperament wordt genoemd. Voor een goede ontwikkeling wordt het belangrijk gevonden daarmee rekening te houden.
Leren
De basis voor het gevoelsleven, van antipathie en sympathie, goed en kwaad, mooi en lelijk, wordt in deze visie in deze periode gelegd. Ademhaling en bloedsomloop zijn daarvan de lichamelijke dragers. Ze reageren op hoe iemand zich voelt: de ademhaling op invloeden van buiten, de bloedsomloop en bloeddruk op invloeden van binnen. Om daar goed mee te leren omgaan, moet een kind leren in- en uitademen. Dat is ook figuurlijk bedoeld: het kind leert ademend met zijn verhouding tot de wereld om te gaan. Het moet een andere verhouding met de omgeving ontwikkelen, omdat het niet meer in de omgeving is ingebed. Of het kind een ademende verhouding met zichzelf en zijn omgeving kan ontwikkelen, is ook van invloed op zijn levensgevoel. Een aspect hiervan is dat activiteiten ademend en ritmisch worden aangeboden.
Rol van de opvoeders
In de verhouding tot ouders, opvoeders en leraren gaat het er in deze pedagogiek om dat het kind hun autoriteit kan zien en beleven en dat zij het vertrouwen niet schaden. Een kind ervaart in principe bij elke volwassene om zich heen autoriteit. Daardoor werken de overtuigingen van leraren diep door. Is de opvoeding te autoritair, dan ademt het kind in dit beeld alleen in en wordt het introvert. Is de opvoeder anderzijds te weinig autoritair (grenzen stellen is daarvan een aspect), dan ademt het kind voortdurend uit en ontstaat er te weinig innerlijkheid. Het kind komt te weinig tot zichzelf en is overgeleverd aan de wereld. De opvoeder zoekt de juiste mate van autoriteit en verbindt die met liefde en aandacht voor de kinderen.
Opvoeders zouden volgens deze opvatting het astrale moeten terughouden: hun sympathie, antipathie en begeerten. Ten opzichte van de kinderen wordt gestreefd naar objectieve gevoelens, passend bij het gedrag van de kinderen en bij de opvoeding.
Denken
Een deel van de levenskrachten die aan de opbouw van het lichaam hebben gewerkt, komt ter beschikking voor het denken. Die krachten maken de doorlopende herinnering mogelijk en zorgen dat het kind met zijn omgeving kan communiceren. De intellectuele behoeften van het kind kunnen zo worden beantwoord dat ook de scheppende fantasiekrachten worden gevoed. In deze periode gaat het om het oefenen van het voorstellende denken via het woord. Wanneer iets wordt verteld, kan het kind er zijn eigen beeld bij maken. De wisselwerking van oog en oor helpt daarbij: in de praktijk van deze pedagogiek wordt iets wat is verteld in een tekening uitgebeeld, of iets wat is gezien in een opstel verwerkt.
Het gedachteleven kan positief worden beïnvloed door het oefenen van aandacht: het kind krijgt iets te zien en bouwt dat beeld daarna uit de herinnering weer op. Zo worden volgens deze benadering een goed geheugen, een rijke fantasie en een rijk binnenleven bevorderd. Abstracte gedachten en een wetenschappelijke benadering zijn nog niet op hun plaats en leiden in deze visie tot een verharding van het denken. Ook het ritmische aspect van het etherlichaam helpt bij het denken; te denken valt aan ritmisch stampen, tafels opzeggen en versjes reciteren. Het taalgevoel wordt gestimuleerd door vreemde talen vertellend en zingend te ondergaan.
De tweede Ik-inslag
Rond het negende tot tiende jaar is er in deze beschrijving opnieuw een Ik-inslag. Het kind trekt zich meer in zichzelf terug. Het gaat verschillen zien en merkt dat de buren anders zijn. Het eigen gevoelsleven ontwaakt. Er volgen uiteenzettingen met anderen, met de bijbehorende kritiek en oppositie.
Vervroeging
Tussen 10 en 14 jaar is er in deze ontwikkelingsfase een eigen dynamiek. De kinderen, en dan vooral de meisjes, worden lichamelijk eerder rijp en de puberteit begint vaak al ruim voor het veertiende jaar. De maatschappelijke omgeving wil het kind "vroegrijp" zien: meningen over wereldproblemen, een onbeheersbare hoeveelheid ongefilterde internetinformatie, confrontatie met diverse vormen van seksualiteit. Er bestaat volgens deze visie de neiging de zielekrachten te vroeg te belasten met zaken die pas vanaf het veertiende jaar op hun plaats zijn, zoals dat bij kleuters met de levenskrachten gebeurt. Laatbloeiers worden in deze opvatting vaak evenwichtige mensen, en pedagogisch zou er de moed moeten zijn om hier meer af te wachten. De vraag blijft of de zielekrachten eerder vrijkomen, of dat het gevoel te vroeg wordt aangesproken en het astraallichaam belast, zoals bij het jonge kind het denken te vroeg wordt aangesproken. Hoe de ontwikkeling na het veertiende jaar verder gaat, beschrijft de derde zeven jaar; de samenhang van denken, voelen en willen met het lichaam staat bij de driegeleding van de mens.
