Dynamisch

Driegeleding van de mens

This page in English →

Skelet van de mens
Skelet van de mens.

Bij het skelet van de mens kan een polariteit met een midden worden onderscheiden. In de antroposofische menskunde is dat aanleiding om naar de driegeleding van de mens te kijken, waarbij drie functionele orgaanstelsels worden onderscheiden. Het vormt ook een inleiding voor de driegeleding bij zoogdieren.

Schedel en ledematen

Het skelet van de mens bestaat uit een groot aantal beenderen van verschillende vorm. Op het eerste gezicht vallen enerzijds de ronde schedel en anderzijds de lange ledematen op. Daartussen bevinden zich de borstkas en de wervelkolom.

  • De schedel heeft een overwegend ronde vorm en de beenderen ervan zijn gebogen platen die vast aan elkaar zijn vergroeid.
  • De ledematen bestaan uit buisvormige, langgerekte beenderen die los van elkaar zitten. De ledematen zijn stralend: van 1 opperarmbeen, naar 2 onderarmbeenderen en 3 en 4 beentjes in de hand naar 5 vingers.

In de schedel bevinden zich de hersenen en de zintuigen. De schedel beschermt deze organen. Bij de ledematen liggen de spieren om de botten heen; de botten beschermen ze niet. In de schedel heerst rust, de ledematen zijn in beweging.

De processen binnen de schedel zijn zenuwprocessen, waarbij bewustzijn nodig is. De temperatuur moet gelijk blijven en de bloedvoorziening van de hersenen moet altijd doorgaan. In de ledematen kan de temperatuur wisselen en kan de bloedtoevoer een tijd onderbroken zijn zonder dat er onherstelbare schade optreedt. Schade aan de ledematen is doorgaans herstelbaar, in tegenstelling tot de hersenen, waar schade vaak blijvend is.

Borstkas en wervelkolom

Tussen de schedel en de ledematen bevinden zich de borstkas en de wervelkolom. De ribben zijn net als de ledematen langgerekte buizen en net als de schedel gebogen. Met hun ovale vorm nemen ze een tussenpositie in tussen het ronde en het rechte principe. De borstkas als geheel is ovaal van vorm en biedt bescherming aan het hart en de longen.

De borstkas is niet geheel gesloten; hij is half open en de ribben bewegen met de ademhaling mee. Buikspieren en ribben kunnen bewust sterker worden bewogen, zodat de ademhaling dieper wordt. De bovenste ribben zijn vast met het borstbeen verbonden, naar beneden wordt de verbinding losser doordat ze via kraakbeen zijn verbonden, en de onderste twee (de zwevende) ribben hangen los.

Ribben en borstkas nemen tussen de schedel en de ledematen een middenpositie in. De vorm is ovaal en ze liggen om het hart en de longen heen, maar beschermen niet volledig.

Het hart zorgt voor de bloedsomloop en slaat in rust ongeveer 72 keer per minuut. De longen zorgen voor nieuwe lucht en de ademhaling gaat ongeveer 12 keer per minuut. Het zijn ritmisch bewegende organen.

Ook de wervelkolom ligt in dit gebied. De s-vormig gebogen wervelkolom bestaat uit meer dan 30 wervels die steeds een beetje anders zijn. De wervellichamen hebben een ronde vorm met uitsteeksels. De wervels zitten aan elkaar vast en zijn enigszins beweeglijk.

In het borstgebied zijn kenmerken van beide polen te zien en ook een eigen kenmerk: ritme. Tabel 1 zet de kenmerken naast elkaar.

schedelrompledematen
vorm van het geheelrondovaaluitstralend
vorm van de beenderenplatte platenovaal (ribben), de wervels rond met uitsteekselsbuisvormig, lang
verbindingvergroeidflexibellos
functie van het skeletbeschermt de hersenenhalf open, beschermt hart en longenaangrijpingspunt voor spieren
weefseltemperatuurconstant–wisselend
herstelbaarheid weefselneeertusseninja
kenmerk middenrondritmerecht
bewegingnietautomatischbewust

Tabel 1. Kenmerken van de schedel, de romp en de ledematen.

Driegeleding van de functionele stelsels

Uitgaande van de driegeleding van het skelet worden er in deze benadering drie functionele orgaanstelsels onderscheiden die met het skelet samenhangen.

Zenuw-zintuigstelsel

In het hoofd liggen de hersenen en de belangrijkste zintuigen (oog, oor, evenwicht, reuk, smaak). Het zenuwstelsel met de zintuigen heeft in de schedel zijn centrum en loopt uit naar alle andere delen van het lichaam. De schedel ligt om de hersenen en de zintuigen heen en beschermt ze. Hersenen en zintuigen zijn gericht op het waarnemen en denken. Er is geen uiterlijke beweging, maar wel een innerlijke, doordat waarnemingen tot bewustzijn komen en er denk- en voorstellingsprocessen plaatsvinden.

De ronde schedel met de rechte onderkaak
De ronde schedel met de rechte onderkaak.

Beweging van de hersenen is gevaarlijk; een hersenschudding wordt met rust behandeld. Bij het denken hoort een koel hoofd. Anders dan bij spierarbeid gaat hersen- en zintuigactiviteit niet gepaard met merkbare uiterlijke beweging of opwarming, en veel denken wordt vaak als verkillend beleefd. Denken en waarnemen zijn bewuste processen, die zelf geen invloed op de omgeving hebben. Door alleen te denken verandert de wereld niet.

De zintuigen nemen de omgeving en de mens zelf waar. Door de waarnemingen via het denken te verwerken, komt de mens tot bewustzijn van de omgeving en van zichzelf. De zintuigen zijn naar buiten gericht en de hersenen zijn de plaats voor het denken, dat zich binnen afspeelt. Door waar te nemen merkt de mens dat hij anders is, en grenst hij zich af van de omgeving.

Omdat alleen kan worden waargenomen wat er al is, zijn de zintuigen in deze beschouwing gericht op het verleden. Weliswaar vindt het waarnemen nu plaats, in het heden, maar wat wordt waargenomen, bestaat al langer. Wie erover nadenkt, denkt over al bestaande dingen. Wie naar een nieuwe plek gaat, maakt er een voorstelling van met behulp van al bestaande waarnemingen. Als er iets nieuws wordt gedacht of uitgevonden, zal het eerst moeten worden gemaakt om te weten of het een reële gedachte is of een fantasie.

Hart-longstelsel

In de borstkas liggen het hart en de longen. Dit zijn de organen die automatisch in voortdurende, regelmatige, ritmische beweging zijn. Het hart houdt het bloed in beweging. De longen verzorgen de ademhaling en de aanvoer van zuurstof. Bloedbanen lopen door het hele lichaam en transporteren de zuurstof. Zoals hart en longen ritmisch bewegen, bestaat het skelet van de borstkas uit veel net iets verschillende elementen: ook een ritme, maar dan in de vorm.

In het hart-longstelsel is verschoven symmetrie te vinden. Het hart is niet helemaal symmetrisch en ligt iets uit het midden in de borstkas; de longen hebben links 2 en rechts 3 kwabben en zijn evenmin symmetrisch.

Van hart en longen is de mens zich half bewust. Deze organen reageren op wat iemand meemaakt en hoe hij het ervaart, en geven de innerlijke toestand weer. In deze benadering verbindt de mens zich via hart en longen ritmisch, "ademend", met het nu, het heden. Wie schrikt, stokt even de adem. Bij angst klopt het hart sneller, bij ontspanning juist langzamer. De longen reageren sterker op de omgeving, het hart sterker op het innerlijk. Ze geven uitdrukking aan het gevoel.

Stofwisseling-ledematenstelsel

Aan de ledematen zitten de grootste spieren. De ledematen zijn het centrum van de beweging. Ook op het hoofd zitten spieren, maar de beweeglijkheid van het hoofd is op de kaak na gering. Dat geldt in mindere mate ook voor het borstgebied. Spieren die veel worden bewogen, worden warm. Zijn spieren koud, dan is het niet verstandig grote prestaties te willen leveren; de kans op beschadigingen is dan groot, al genezen die wel. Beweging van de spieren vraagt energie.

Het bewegen van de spieren is een onbewuste activiteit. Wanneer is bedacht wat er moet gebeuren, doen de spieren het vanzelf. Wie een glas water wil pakken, hoeft zijn spieren daarvoor niet afzonderlijk aan te sturen.

Dan blijven de buik en de spijsverteringsorganen over. Hoort dat gebied meer bij de borstkas of bij de ledematen? De spijsvertering verloopt niet ritmisch zoals de ademhaling en de hartslag; ze wordt pas actief na het eten. Maag en darmen liggen in de buik veel meer open dan hart en longen in de borst. Zoals de spieren om de botten liggen, zo open liggen de organen in de buikholte.

Het spijsverteringsstelsel verteert het voedsel, zodat de stoffen kunnen worden opgenomen en het eigen lichaam in stand wordt gehouden. Dat is vergelijkbaar met wat de ledematen doen: die vormen uit bestaande stoffen en materialen voorwerpen die kunnen worden gebruikt. Wat de ledematen buiten het lichaam doen, doet de spijsvertering in het lichaam: stof omzetten en omvormen naar de eigen behoefte. Beide grijpen in de wereld in, veranderen die en verlopen onbewust. Spijsverteringsorganen en ledematen horen zo gezien bij elkaar; de eerste zijn naar binnen gericht, de tweede naar buiten.

Via het stofwisseling-ledematenstelsel is er een intensieve verbinding met de stoffelijke wereld. Er wordt stof omgezet en naar de eigen wensen en behoeften gevormd. Met de benen loopt men ergens naartoe en met de handen wordt er iets nieuws gemaakt. Met de spijsvertering wordt het lichaam opgebouwd en in stand gehouden.

De ledematen zijn op de omgeving gericht en de spijsvertering op het eigen lichaam. Omdat er altijd nieuwe dingen ontstaan, is dit functionele orgaanstelsel in deze beschouwing op de toekomst gericht. Er gebeurt pas iets als men zich er actief toe zet. Pas als men iets wil, begint men eraan. Willen is de activiteit die erbij hoort.

Bij dit functionele orgaanstelsel horen ook de voortplantingsorganen. Tabel 2 vat de drie stelsels samen.

zenuw-zintuigstelselhart-longstelselstofwisseling-ledematenstelsel
beendereneromheenhalf openbinnenin
uiterlijke beweginggeen, rustautomatisch, te activerenveel
temperatuurkoud, constant–warm, wisselend
bewustzijnbewusthalf bewustonbewust
naar binnen gericht procesdenkenbloedsomloopvertering
naar buiten gericht proceswaarnemenademenhandelen
karakteristiekafgrenzingritmischverbinding
tijdverledenhedentoekomst

Tabel 2. Kenmerken van de drie functionele stelsels.

Driegeleding en ziel

Denken, voelen en willen vormen in de antroposofie samen de drie vermogens van de ziel en hebben hun lichamelijke basis in de drie functionele stelsels. De ziel wordt opgevat als de verbindende schakel tussen lichaam en geest. De mens wordt gezien als een eeuwige geestkern of individualiteit die een lichaam heeft; om het lichaam te kunnen gebruiken, is de ziel de bemiddelaar voor de geest. Van de drie vermogens staat het denken het dichtst bij de geest en het willen het dichtst bij het lichaam. Op deze drie vermogens richten zich ook de nevenoefeningen van Rudolf Steiner.

De uitstralende arm
De uitstralende arm.

Denken

Denken en waarnemen zijn processen die bewust ter hand moeten worden genomen. Ze vragen om wakkerheid; wie slaperig of moe is, merkt dat beide minder goed gaan. Een gedachtegang kan helemaal worden gevolgd. Door het denken kan iets of iemand anders worden begrepen. Door waar te nemen grenst men zich van al het andere in de wereld af. Denken is de basis voor het zelfbewustzijn. Bewustzijn, wakkerheid en afgrenzing zijn begrippen die bij het denken horen.

Voelen

Zo helder als het denken kan zijn, zo helder is het gevoel niet, al is het met het denken wel te beïnvloeden. Gevoelens ontstaan onmiddellijk; ze zijn een reactie op wat men beleeft. Omdat ze zomaar ontstaan, is er weinig vat op. Ze zijn vaak slecht te benoemen. Ze zijn half bewust en worden vaak dromerig beleefd, niet helder. Door medeleven, door middel van het gevoel, kan men zich met een ander verbinden. Half-bewustzijn, dromerigheid en een ademende verbinding zijn begrippen die bij het voelen horen.

Willen

De ledematen en de spijsverteringsorganen werken zonder dat men zich daarvan bewust is. Een zin wordt gedacht en de handen typen de woorden automatisch, zonder dat erover hoeft te worden nagedacht. Het is zelfs omgekeerd: wie zijn vingers bewust wil aansturen, heeft daar veel inspanning en tijd voor nodig. Zoals men in het denken wakker is, verkeert men bij het uitvoeren van een handeling in een slaaptoestand. Het gebeurt zonder dat het bewustzijn erbij betrokken is. De ledematen maken voortdurend nieuwe dingen en zijn scheppend bezig; via de ledematen grijpt de mens in de wereld in. On-bewustzijn, slaperigheid en schepping zijn begrippen die bij het willen horen.

De vele elementen van de borstkas met de wervelkolom
De vele elementen van de borstkas met de wervelkolom.

Driegeleding van het hoofd

Er kan ook worden gekeken of de driegeleding op een lager niveau terug te vinden is, bijvoorbeeld in de schedel en het hoofd.

De hersenschedel is rond van vorm. In de onderkaak overheerst de langgerekte vorm; de beenderen zijn echter niet buisvormig zoals bij de ledematen, maar plat. De onderkaak is het beweeglijke deel van het hoofd en de mond is het begin van het spijsverteringskanaal. Tussen schedel en kaak ligt de gezichtsschedel, het gebied met de neus en de inwendige holtes (kaakholtes, neusholtes, voorhoofdsholte), die betrokken zijn bij de ademhaling. Bij iedere ademteug komt er verse lucht in. Zit een holte verstopt, zoals bij een bijholteontsteking, dan komt er geen verse lucht meer in en doet het pijn. Ook blozen, als uiting van het gevoel, is in het middendeel van het gezicht zichtbaar.

Binnen het zenuw-zintuiggebied, dat de schedel voornamelijk is, is deze verdeling te zien:

  • de hersenschedel vormt het zenuw-zintuiggebied (rond),
  • de holtes en de neus vormen het hart-longgebied,
  • de mond en kaak zijn het langgerekte en beweeglijke stofwisseling-ledematengebied.

De mond

De mond kan ook apart worden bekeken. De lippen, het puntje van de tong en de snijtanden zijn zeer gevoelig; voedsel wordt voorzichtig in de mond genomen. Daar wordt het best gevoeld hoe het smaakt en of het hard of zacht, warm of koud is. Het oordeel of het eten goed is, valt in het middengebied van de mond, waar de smaak wordt waargenomen. Tot slot komt het voedsel achter in de keel in het onbewuste stofwisselingsgebied. Daar wordt niets meer geproefd; hooguit valt op dat iets te groot of te heet is, omdat de keel dan pijn doet. Wie bewust iets wil doorslikken, bijvoorbeeld een grote pil, merkt dat het dan moeilijker gaat. Vooraan: waarnemen (bewust), halverwege: oordelen (half bewust) en in de keel: stofwisseling (onbewust).

Het gebit

Ook in het gebit is de driegeleding terug te zien: de snijtanden als het gevoeligste deel, waar het voedsel wordt afgetast, de hoektanden om iets vast te pakken (wie ergens zijn tanden in zet, zet er vooral de hoektanden in, die de duidelijkste afdruk achterlaten) en de kiezen om het voedsel fijn te malen. De snijtanden staan in een gebogen rij en de kiezen in een rechte rij.

Aan deze voorbeelden is te zien dat binnen het zenuw-zintuigstelsel van het hoofd op een lager niveau principes van de drie orgaanstelsels zijn terug te vinden, en dat zelfs binnen de mond en het gebit de drie gebieden kunnen worden onderscheiden. Een Engelse versie van deze beschouwing staat op The threefold human being; hoe de ontwikkeling van het kind in deze menskunde wordt beschreven, staat bij de eerste zeven jaar.

Veelgestelde vragen

Wat is de driegeleding van de mens?

In de antroposofische menskunde wordt de mens beschreven als opgebouwd uit drie functionele stelsels: het zenuw-zintuigstelsel in het hoofd, het ritmische hart-longstelsel in de borst en het stofwisseling-ledematenstelsel. Aan elk stelsel wordt een zielenvermogen verbonden: denken, voelen en willen.

Waarom staat de borstkas in het midden?

De ribben zijn langgerekt zoals de ledematen en gebogen zoals de schedel. Met hun ovale vorm en de ritmische beweging van hart en longen nemen ze in deze beschouwing een middenpositie in tussen het ronde en het rechte principe.

Waar komt de driegeleding terug bij dieren?

Dezelfde indeling wordt in deze benadering gebruikt om de bouw van zoogdieren te bekijken, bijvoorbeeld bij de hoorns en geweien van de herkauwers en bij hond en kat.

↑