Na de eerste en de tweede zeven jaar beschrijft de antroposofische menskunde een derde periode, van ongeveer het veertiende tot het eenentwintigste jaar.
Lichaam en orgaansystemen
In deze fase groeit het lichaam nog een keer fors en worden de ledematen, de spieren en de voortplantingsorganen uitgevormd. Dit zijn de organen waarmee in de wereld wordt ingegrepen en waarmee die wordt veranderd. Tegelijkertijd gaan jongens en meisjes sterker van elkaar verschillen, in lichaam en, volgens deze benadering, in zieleneigenschappen.
Meisjes lopen hierin voor op jongens. Een deel van het astraallichaam, dat in de vorige periode zorgde voor de vorming van ademhaling en bloedsomloop, komt in dit mensbeeld vrij voor het zelfstandige voelen. Een ander deel blijft verbonden met de beide genoemde lichaamsprocessen.
Het astraallichaam wordt volgens deze opvatting gestimuleerd door interesse en openheid voor mens en wereld, en verzwakt door navelstaren, in zichzelf broeden of het onnodig en uit gewoonte leveren van kritiek. Doordat het gevoel ervaarbaar wordt, worden absolute oordelen geveld die van voorbijgaande aard zijn. Alles is voorlopig absoluut. De traditie wijst hier op een omkering: de opbouw van het zenuwstelsel en de zintuigen wordt bevorderd door te bewegen, de opbouw van de ledematen en het spijsverteringsstelsel door goed waar te nemen.
De planetenkwaliteiten gaan in deze beschrijving een rol spelen in het astraallichaam.
Ook de hersenen veranderen tussen ongeveer 12 en 25 jaar sterk. Verbindingen die op jongere leeftijd zijn aangelegd, worden deels afgebroken en er komen nieuwe verbindingen tot stand. Dit verloopt van achteren naar voren; de hersengebieden die met verantwoordelijkheid dragen en beslissen te maken hebben, worden het laatst rijp. In gebieden die veel worden gebruikt, blijven veel verbindingen bestaan, in gebieden die weinig worden gebruikt minder. Daaruit wordt afgeleid dat de jongere kan worden gestimuleerd op veel gebieden actief te zijn. Inactiviteit in deze fase geeft in deze visie mogelijk beperkingen in het latere leven die moeilijk te overwinnen zijn.
Leren
Jongens zijn volgens deze benadering praktischer en verbinden zich meer met de aarde, meisjes verbinden zich meer met de geest. Daaruit volgt de gedachte dat het onderwijs voor jongens praktischer en beeldender kan zijn, gericht op ervaren en dingen doen, en voor meisjes theoretischer. In het theoretische, op taal gerichte onderwijs van nu halen meisjes gemiddeld betere resultaten dan jongens en stromen ze vaker met een diploma uit. Afwisseling van theorie en praktijk geldt in gemengde groepen als voordelig.
Er is een grote opnamecapaciteit. Jongeren kunnen in korte tijd veel leren. Vaak willen ze dat ook, maar weten ze niet hoe. Er is sturing nodig om aandacht en concentratie te richten en vast te houden, en die sturing verandert met de leeftijd. Tot het 17e jaar passen kleine opdrachten, daarna grotere. Met het ouder worden kan meer zelfstandigheid worden gegeven in grootte, complexiteit en structuur van opdrachten, en kan de docent zich meer op de achtergrond houden. Ook grote opdrachten worden in deze praktijk in kleine stukken verdeeld, met een inleverdatum die steeds dichtbij ligt, zodat de drang er is direct te beginnen.
Het ontwikkelen van een eigen visie is moeilijk en pas aan het eind van deze periode mogelijk. Zelfstandig leren betekent eerder dat de leerling een eigen invulling en kleur aan de opdracht geeft, dan dat de opdracht geheel zelfstandig wordt uitgevoerd.
Een gevaar in de puberteit is dat de jongere verstrikt raakt in zijn gevoelens en dat er eenzijdigheden ontstaan: extreem en zwart-wit denken, doordraven in gevoelens. Daarom wordt het nodig gevonden dat gevoelens met gedachten worden doortrokken, zodat emoties niet zonder rem worden uitgeleefd en een jongere zijn driften niet achternaloopt. Het zelfstandige denken geldt in deze pedagogiek als voorwaarde voor een evenwichtige ontwikkeling. De echtheid van de opvoeders en hun verbinding met de lesstof zijn belangrijk; hun persoonlijkheid moet zichtbaar en beleefbaar zijn.
Rol van de opvoeders
De omgeving helpt bij de ontwikkeling door de jongeren positief en met vertrouwen tegemoet te treden. Vertrouwen mag nooit worden beschaamd. Een positieve instelling en vertrouwen helpen volgens deze benadering om het astraallichaam beweeglijk te houden en met sympathie en antipathie beweeglijk om te gaan.
In de opvoeding wordt met twee principes gewerkt: het geven van verantwoordelijkheid en vrijheid enerzijds en het stellen van grenzen anderzijds. In de eerste helft van deze periode staan de grenzen voorop; in de tweede helft kan ernaar worden gestreefd een probleem voor te leggen en de jongere zelf de conclusie te laten trekken. Het maakt veel uit of een adolescent wordt gedwongen iets te doen of het na een gesprek uit eigen beweging doet.
Denken
In het denken wordt de basis gelegd voor het zelfstandige oordeelsvermogen. Door de ontwikkeling van logica en associatief denken wordt de jongere zelfstandig tegenover heftige emoties en autoriteiten, en vrij van autoriteitsgeloof.
In het denken loopt de ontwikkeling in deze beschrijving van het zoeken naar oorzakelijke verbanden in het causale denken, via het abstracte intellectuele denken, waarvoor de exacte vakken belangrijk zijn, naar een denken vanaf het 17e jaar dat waarnemingen ordent met spiritueel inzicht.
Dit nieuw ontwikkelde denken zou niet in koude intellectualiteit moeten blijven steken, maar moeten worden verbonden met de wil van de jongere. De eerst nog onbewuste wil kan zich dan omvormen tot een motief of ideaal. De jongere kan vanuit keuzevrijheid komen tot moreel handelen, tot handelen vanuit liefde.
In de oordeelsvorming loopt dit van het praktische oordeel over waarnemingen, via het theoretische oordeelsvermogen dat wetmatigheden afleidt uit de waarnemingen, naar het persoonlijke of bezielde oordeel vanaf het 17e jaar, waarbij de wereld sterker wordt beleefd.
Zelfstandig denken heeft volgens deze opvatting ook invloed op het lichaam: iemand die zelfstandig denkt, loopt rechter op. Het legt ook de basis voor zelfvertrouwen en voor het vermogen de eigen wil vrij en verantwoord te gebruiken. Langzamerhand wordt duidelijk dat vrijheid en verantwoordelijkheid bij elkaar horen en dat de combinatie niet "vrijheid en blijheid" is, iets wat maar al te vaak wordt gezien. Dit kan worden gestimuleerd door in reële praktijksituaties gaandeweg meer vrijheid te geven en steeds wat meer verantwoordelijkheid over te dragen.
Voelen
Door het ontwaken van de eigen gevoelswereld ontstaat afstand tot de omgeving. De jongere voelt zich door zijn ouders niet meer begrepen, leraren bevallen niet meer. Op basis van gevoelens kan veel worden weggegooid: leraren en ouders, en soms ook het eigen zelf. Anderzijds zoeken jongeren de waarheid, met een neiging in extremen te vervallen, in "ismen". Er is sprake van een zoektocht naar zichzelf en de wereld, pijlen worden afgeschoten, niets is goed genoeg. De eigen wil vliegt mee met de gevoelens en is nauwelijks te beteugelen. Ouders en opvoeders houden alleen stand als ze authentiek zijn en grenzen stellen.
De puber hoort zich volgens deze visie in deze periode met de aarde te verbinden. Er zijn veel manieren om dat niet te doen: via drugs, alcohol, sciencefiction of games blijft men in een kinderlijke, fantasievolle, illusierijke niet-volwassenenwereld en wordt de verbinding met de realiteit vermeden.
Willen
De denkbeelden die iemand in deze fase ontwikkelt, hebben grote invloed op het verdere leven, omdat ze tot ideaalbeelden kunnen worden. Om tot idealen te komen, moet een jongere volgens deze benadering in aanraking komen met echte dingen waarin een ideaal is verwezenlijkt. Dat geldt op alle gebieden, ook in de kunst en op sociaal gebied. Hoe denken, voelen en willen in dit mensbeeld met het lichaam samenhangen, staat bij de driegeleding van de mens.
De derde Ik-inslag
De Ik-inslag valt in deze beschrijving rond het 19e jaar. Met 18 jaar en 7 maanden valt de zogeheten maanknoop: de knopen van de maanbaan staan dan weer op dezelfde plaats aan de hemel als bij de geboorte. In de antroposofische biografieleer wordt dit gezien als het moment waarop het lot, of beter gezegd wat iemand zich voorgeboortelijk had voorgenomen, ervaarbaar kan worden. De jongere gaat op zoek naar zijn idealen en waarden. Met de Ik-inslag wordt volgens deze opvatting de individualiteit in de wil en de activiteit geboren. Het oordeel kan daardoor persoonlijker worden en meer vanuit de eigen idealen worden gekleurd. Met de Ik-inslag wordt de geestelijke basis voor de zelfopvoeding gelegd. Er wordt veel uitgeprobeerd, beleefd en ook gereisd. Veel van wat wordt verboden, gebeurt heimelijk.
Vervroeging
Jonge mensen worden eerder zelfstandig. Vaak treedt dan, in de woorden van deze traditie, een op zichzelf gericht lager zelf op, een schijnzelf. Jongeren worden door de maatschappij gedwongen al vroeg keuzes te maken die voor het leven bepalend zijn. Keuzes die volgens deze visie pas vanaf het 18e jaar kunnen worden gemaakt (hersenrijpheid), moeten al eerder worden gemaakt, zoals de vakkenkeuze op school en de vervolgstudie. Niet zelden blijkt de keuze verkeerd en wordt ze na een crisis alsnog veranderd, waarna onder zwaardere omstandigheden een andere studie wordt gedaan. De ontberingen die daarvoor nodig zijn (bijvoorbeeld zonder studiebeurs) worden dan vaak met plezier gedragen, omdat nu de juiste keuze is gemaakt. Daartegenover staat dat bij scholieren de zelfstandigheid ook wordt uitgesteld, omdat ze weinig verantwoordelijkheid dragen.
