Wat zijn reptielen?
Wat zijn reptielen precies, en is een krokodil een reptiel of hoort hij bij een eigen groep? Reptielen, in het Nederlands ook kruipdieren genoemd, zijn gewervelde dieren met een droge, verhoornde huid, die met longen ademen, hun warmte uit de omgeving halen en hun eieren op het land leggen. Het Latijnse woord repere betekent kruipen. Dat past: de meeste reptielen bewegen zich dicht bij de grond, en een deel van hen is traag.
Het zijn dieren die goed in de droogte kunnen leven. Behalve wat vocht om te drinken hebben ze geen water in hun omgeving nodig, en daarin ligt het belangrijkste verschil met de amfibieën, die voor hun huid en hun voortplanting aan water gebonden blijven. Wie wil weten wat is een reptiel, kan dus beginnen bij die ene grens: een reptiel heeft het water niet meer nodig om te leven of om jongen te krijgen.
Wat zijn dan de groepen die onder dit woord vallen? Veel reptielen stoppen nooit helemaal met groeien. Dat geldt voor grote slangen, krokodillen en reuzenschildpadden. Kleinere hagedissen en schildpadden bereiken wel een vaste eindmaat. Daarmee zijn ook de vier grote groepen al genoemd: de hagedissen die op het land leven, de grotere krokodillen die op hen lijken en in en bij het water leven, de trage schildpadden met hun gepantserde lichaam en de pootloze slangen die over de grond glijden.
Het verschil in maat is enorm. Het kleinste reptiel is een dwerggekko van ongeveer 2 cm. De grootste zijn de zeekrokodil, die zo'n 7 meter lang en rond de 1000 kg zwaar kan worden, en de lederschildpad, die tot ongeveer 2 meter lang wordt.
Waar leven reptielen?
Reptielen komen in bijna iedere omgeving voor: van Lapland tot de evenaar, van de droge woestijn tot rivieren, moerassen en de open oceaan. Ze bewegen zich over de grond en door het water, maar ook door struiken en bomen. In warme streken leven veel meer soorten dan in koude, en naar de polen toe wordt hun aantal snel kleiner.
In Nederland leven maar weinig reptielen. Er zijn drie slangen, de ringslang, de gladde slang en de adder, en een handvol hagedissen, waaronder de zandhagedis, de levendbarende hagedis en de pootloze hazelworm. Ook de Europese moerasschildpad kwam hier vroeger voor. Het koele klimaat is voor dieren die hun warmte van de zon lenen een zware opgave.
Kenmerken van reptielen: de lichaamsbouw
Het lichaam bestaat uit een kop, een romp en een staart. De kop is enigszins van de romp afgescheiden door een nek, en de staart is een steeds dunner wordende voortzetting van de romp. Vergeleken met amfibieën is de kop smaller en de nek langer. De poten staan zijdelings en zijn steviger en beter geschikt om te lopen dan de poten van amfibieën.
Het aantal wervels wisselt sterk. Bij sommige slangen zijn het er wel 400. Wie de reeks van hagedis naar slang bekijkt, ziet een opvallende samenhang: hoe langer het lichaam, des te korter de poten worden. Ook neemt, naarmate het dier langer en dunner is, de oppervlakte toe waarmee het de aarde raakt. De slang ligt altijd met zijn hele lengte op de grond.
De huid: schilden, korrels en schubben
Een van de duidelijkste kenmerken van reptielen is de huid. Die draagt een zeer dikke en verharde hoornlaag. Er komen drie hoornvormen voor, elk op een eigen plek:
- schilden: groot en veelhoekig, op plaatsen waar de huid niet hoeft te bewegen, zoals op de kop van slangen en hagedissen en op het pantser van schildpadden;
- korrels: klein en rond, zodat de huid kan plooien en bewegen, onder meer aan de hals van krokodillen en schildpadden en op de overgang van poten naar romp;
- schubben: die dakpansgewijs over elkaar liggen en de beweging weinig hinderen, op de romp van slangen en hagedissen.
Bij krokodillen en schildpadden liggen onder de hoornschilden ook nog beenplaten, die de huid extra stevig maken.
Door die dikke hoornlaag droogt het dier nauwelijks uit, maar er is ook geen huidademhaling meer mogelijk. Een stevige huid groeit bovendien niet mee. Slangen vervellen daarom en werpen hun hoornhuid in zijn geheel af wanneer ze groter worden. Bij slangen loopt de huid zelfs over de ogen door, als een doorzichtig schubje dat bij het vervellen mee loskomt. Hagedissen vervellen meestal in stukken.
Veel reptielen kunnen de kleur van hun huid veranderen. Ze maken hem lichter of donkerder en gaan zo op in hun achtergrond. Kameleons zijn daar het bekendste voorbeeld van, maar bij hen hangt de kleur vaak even sterk samen met stemming, temperatuur en de omgang met soortgenoten als met camouflage.
Zintuigen
De meest gebruikte zintuigen zijn reuk, ogen en gehoor. Bij slangen is de reuk sterk ontwikkeld. Een slang steekt zijn gespleten tong even naar buiten, vangt daarmee geurdeeltjes uit de lucht en brengt de tong daarna naar het orgaan van Jacobson, een holte in het gehemelte boven de mond, waar stoffen nauwkeurig worden waargenomen. Zo ontstaat een geurbeeld van de omgeving. Een aantal slangen, zoals pythons, boa's en groefkopadders, kan bovendien warmtestraling waarnemen, waarmee ze in het donker warmbloedige prooien opsporen.
De tastzin is bij slangen over het hele lichaam aanwezig. In de huid liggen veel tastzintuigen en iedere aanraking wordt opgemerkt; de pagina over de tastzin beschrijft hoe dat zintuig werkt. Een slang leeft in zekere zin in de tastzin, en voelt trillingen van de bodem via de kaken en het lichaam.
Kameleons kunnen hun ogen los van elkaar bewegen. Met het ene oog volgen ze een prooi, met het andere houden ze de omgeving in de gaten. Veel hagedissen en schildpadden zien kleuren goed, wat ook verklaart waarom kleur bij hun balts zo'n grote plaats inneemt.
Hersenen en ademhaling
De hersenen van reptielen zijn complexer dan die van vissen en amfibieën. Vooral de kleine hersenen, die bewegingen en evenwicht regelen, zijn groter en fijner gebouwd, en ook de hersenstam is uitgebreider. De reukgebieden van de grote hersenen zijn goed ontwikkeld. Wat de hersenen vooral dragen, zijn de primaire levensfuncties: waarnemen, jagen, vluchten, zonnen, paren.
Reptielen ademen uitsluitend met longen. Die hebben tussenschotjes en een min of meer sponsachtige bouw. Vergeleken met zoogdieren is het ademhalingsoppervlak klein, vergeleken met amfibieën groot. De meeste reptielen ademen door de ribben te bewegen. Bij schildpadden kan dat niet, omdat de ribben met het schild zijn vergroeid; zij verplaatsen de lucht met spieren in de buik en rond de aanzet van de poten. Krokodillen hebben daarnaast een spier die de lever als een zuiger naar achteren trekt. Huidademhaling is er, anders dan bij amfibieën, niet.
Bloedsomloop en lichaamswarmte
Het hart van de meeste reptielen heeft twee afzonderlijke boezems en een kamer die door een onvolledige wand in delen is gescheiden. Het zuurstofrijke bloed uit de longen en het zuurstofarme bloed uit het lichaam worden daardoor een beetje vermengd, maar niet volledig: de longslagader krijgt vooral zuurstofarm bloed en de hersenen vooral zuurstofrijk bloed. De bloedsomloop is efficiënter dan die van amfibieën, al is het hart relatief klein en stroomt het bloed traag. Bij krokodillen zijn de twee hartkamers wel volledig gescheiden.
Reptielen zijn koudbloedig. Ze worden door de zon verwarmd, direct of via opgewarmde stenen en grond. In koude en gematigde streken brengen ze een deel van het jaar in winterrust door. Als ze voldoende zijn opgewarmd, zijn ze snel en jagen ze. Is hun temperatuur laag, dan zijn ze traag, soms te traag om te vluchten. Ook te warm mogen ze niet worden: in de tropen liggen veel reptielen midden op de dag in de schaduw of in een hol.
Spijsvertering en voedsel
Doordat reptielen koudbloedig zijn, gebruiken ze ongeveer een tiende van de energie die een zoogdier van dezelfde grootte nodig heeft. Ze hoeven dus weinig te eten, en een grote slang kan na één flinke maaltijd lang zonder.
De meeste reptielen eten vlees, en sommige slangen eten alleen eieren. Grote leguanen en enkele andere hagedissen leven vooral van planten, en de meeste landschildpadden eten planten met af en toe iets dierlijks. Het voedsel wordt meestal in zijn geheel of in grote brokken naar binnen gewerkt. Slangen kunnen de twee helften van hun onderkaak ver uit elkaar bewegen, zodat ook prooien die breder zijn dan hun kop erdoor passen.
Het gebit bestaat uit tanden die het hele leven worden vervangen. Er is geen onderscheid in snijtanden, hoektanden en kiezen. De tanden dienen om de prooi vast te houden of om er stukken af te scheuren; kauwen doet een reptiel niet. Krokodillen en hagedissen hebben veel gelijkvormige, spitse tanden. Gifslangen hebben twee lange giftanden, waardoor gif uit een klier in de prooi wordt gespoten. Wurgslangen omwikkelen een prooi en drukken zo lang tot die niet meer beweegt. Schildpadden hebben helemaal geen tanden, maar een hoornsnavel met scherpe randen.
De slokdarm en de maag zijn duidelijk van elkaar te onderscheiden, en de darm is verdeeld in een dunne en een korte dikke darm. Het spijsverteringskanaal is 0,5 tot 3 keer zo lang als het lichaam; bij plantenetende schildpadden is het langer. Vertering vindt alleen plaats als het dier warm is. Na een maaltijd versnellen de lichaamsprocessen en worden organen zelfs tijdelijk groter; als de prooi is verteerd, rust het dier en vertragen de processen weer.
Voortplanting: het ei op het land
Mannetjes hebben vaak heldere kleuren om vrouwtjes te lokken, soms met versieringen als kragen en kammen. Reptielen paren, en de bevruchting is inwendig. De voortplanting vindt niet in het water plaats, maar op het droge.
De eieren hebben een zachte, buigzame leerachtige schaal, bij sommige soorten een harde kalkschaal, bij slangen een perkamentachtige. Zuurstof en water kunnen door de schaal, de dooier levert het voedsel, en binnen in het ei ligt het embryo in een eigen vochtige ruimte, omgeven door vliezen. Dat ei is de uitvinding waardoor reptielen het water niet meer nodig hebben. Sommige hagedissen en slangen, zoals de levendbarende hagedis en de adder, houden de eieren in het lichaam tot de jongen uitkomen.
Vrijwel alle soorten leggen hun eieren op het land. Ook zeeschildpadden komen daarvoor aan land en graven een kuil op het strand. De uitzondering zijn de zeeslangen die levende jongen krijgen. De eieren worden in warme, door de zon beschenen grond, in compost of onder een hoop bladeren gelegd. Kaaimannen bouwen heuvelnesten van verse vegetatie en aarde, krokodillen graven kuilen in droge grond. De eieren liggen in het donker en worden uitgebroed door een warmtebron van buiten: de zon, de bodem of de broeiwarmte van rottend plantenmateriaal. Bij krokodillen en veel schildpadden bepaalt die temperatuur zelfs of er mannetjes of vrouwtjes uit het ei komen.
De jongen breken met een eitand door de schaal en moeten zich meteen zelf voeden. Hun leefwijze verschilt nauwelijks van die van hun ouders. De meeste soorten kijken niet naar hun eieren om. Krokodillen vaak wel: het vrouwtje bewaakt het nest, graaft de jongen uit en draagt ze in de bek naar het water. Een pasgeboren reptiel is een kleine uitgave van een volwassen dier, en vaak even fel. Een gedaantewisseling zoals bij amfibieën is er niet.
Voortbeweging
De poten komen zijdelings uit het lichaam en staan er niet onder zoals bij vogels en zoogdieren. Wanneer een hagedis sneller gaat, rust het lichaam steeds op de diagonaal staande poten: linksvoor met rechtsachter, of rechtsvoor met linksachter. Daarbij buigt de romp heen en weer en ontstaat een breed spoor.
Over korte afstand kunnen hagedissen snel lopen, al ziet dat er voor het oog slordig uit. Wanneer krokodillen over het land kruipen, slepen ze meestal met de buik over de grond. Alleen als ze rennen tillen ze de buik op, en dat houden ze niet lang vol. Slangen kronkelen zonder poten over de grond en duwen zich af tegen elk oneffen punt.
De soorten reptielen: vier groepen
De levende soorten worden gewoonlijk in vier groepen verdeeld. Daarnaast bestaat de brughagedis van Nieuw-Zeeland, die op een hagedis lijkt maar een eigen, zeer oude tak vormt. Elke groep laat een eigen verhouding tot de aarde zien, en juist daarom loont het om de vier naast elkaar te zetten.
Hagedissen
Onder de hagedissen vallen gekko's, agamen, kameleons, leguanen, skinken en varanen. Varanen zijn de grootsten; de komodovaraan wordt tot 3 meter lang. Sommige soorten, zoals de hazelworm, hebben geen poten. Veel hagedissen kunnen hun staart laten afbreken als die stevig wordt vastgepakt, waarna er een nieuwe aangroeit.
Hagedissen zijn licht en levendig en liggen graag lang in de zon. Ze komen snel in actie, hebben een beweeglijke hals en kop, en er zijn veel fijn gebouwde, slanke soorten. Veel leguanen en kameleons zijn kleurrijk, en sommige maken grote sprongen. In rust liggen ze met een groot deel van het lichaam op de grond; bij het lopen komt het lichaam maar een klein stukje van de bodem, en de beweging is een sterke zigzag.
Slangen
Slangen zijn pootloze reptielen met een lang, lenig lichaam. De grootste soorten, de netpython en de anaconda, worden vele meters lang. De wervelkolom bestaat uit honderden onderling gelijke wervels, en slangen eten prooien die veel dikker zijn dan zijzelf.
Bij een kruipende slang draagt de bodem het hele lichaam. Het lijf volgt het reliëf, en de slang zoekt voortdurend en over zijn hele lengte de aanraking met de ondergrond. Komt hij een steen tegen, dan moet hij er met het hele lichaam overheen. In rust liggen slangen ineengerold tegen zichzelf aan. Alleen bij een aanval of vlucht kan een slang zich oprichten of een uitval maken.
Wie de slang zo bekijkt, ziet twee toestanden die elkaar afwisselen: in beweging is het dier gestrekt en op de omgeving gericht, in rust is het opgerold en op zichzelf gericht.
Schildpadden
Schildpadden hebben een kort, breed lichaam, omgeven door een pantser van bot: het rugschild en het buikschild, die met de wervels en ribben zijn vergroeid. Het bot is bedekt met hoornplaten of, bij de lederschildpad en de weekschildpadden, met een leerachtige huid. Is een schildpad een reptiel, ook zonder schubben op de rug? Ja: de hoornplaten van het schild bestaan uit hetzelfde materiaal als de schubben van een hagedis. De meeste schildpadden kunnen kop, poten en staart geheel of gedeeltelijk in het pantser terugtrekken en hebben dan nauwelijks nog aanraking met de omgeving.
In de fenomenologische manier van kijken valt op hoe sterk de schildpad in zijn eigen vaste vorm zit. Hij heeft veel inhoud, waar de slang veel oppervlakte heeft. Een landschildpad gaat gewoonlijk rechtdoor en duwt voorwerpen opzij, waarbij hij zich soms vast manoeuvreert, en lijkt daarbij zelf bijna een voorwerp. Alles gaat traag, en de dieren kunnen zeer oud worden. Bij bedreiging geven veel soorten elke activiteit op. Schildpadden met een zacht pantser, zoals de weekschildpadden, zijn juist het feloogst.
Krokodillen
Krokodillen, kaaimannen, alligators en gavialen leven in zoet water van tropische rivieren en moerassen, en de zeekrokodil ook langs de kust. Ze hebben een zijdelings afgeplatte staart, korte poten en een lange snuit. Op het land ligt de buik op de grond.
Ze eten vooral vissen en kleinere dieren die komen drinken, maar grote krokodillen pakken ook gnoes en zebra's. De prooi wordt met de tanden vastgehouden en onder water getrokken. Aan land slepen krokodillen zich traag voort om daarna als een dode massa te blijven liggen. Worden ze gestoord, dan zijn ze plotseling actief: ze tillen het lichaam op, rennen naar het water en glijden weg in de diepte. Traag en zwaar op het land, snel en beweeglijk in het water – dat is het beeld.
Ze zwemmen met slagen van de staart en kunnen vrijwel onzichtbaar liggen, met alleen de ogen en de neusgaten boven water. Doordat de mondholte met een klep van de keel kan worden afgesloten, kunnen ze ademen terwijl de bek onder water openstaat. Als het dier dicht genoeg bij zijn prooi is, schiet het ineens naar voren.
Is een krokodil een reptiel?
Ja. Wie vraagt is een krokodil een reptiel, krijgt een helder antwoord uit de lichaamsbouw: een droge huid met hoornschilden en beenplaten, ademhaling met longen, een lichaamstemperatuur die van zon en water afhangt, en eieren met een kalkschaal die op het land worden gelegd. Dat een krokodil in het water jaagt, maakt hem nog geen amfibie. Zijn eieren zouden in het water juist verdrinken.
Binnen de reptielen nemen krokodillen wel een bijzondere plaats in. Hun hart heeft vier volledig gescheiden ruimten, zoals bij vogels en zoogdieren, en veel moeders zorgen voor hun jongen. Dat is geen toeval: krokodillen zijn de naaste levende verwanten van de vogels, en beide stammen af van dezelfde groep waaruit ook de dinosauriërs voortkwamen.
Is een schildpad een reptiel?
Ook hier is het antwoord ja. De vraag is een schildpad een reptiel komt vaak op omdat veel schildpadden in het water leven en er zo anders uitzien dan een hagedis. Toch hebben ze alle kenmerken van de groep: een verhoornde huid, longen, koudbloedigheid en eieren met een schaal. Zelfs zeeschildpadden, die bijna hun hele leven in de oceaan doorbrengen, komen aan land om hun eieren in het zand te leggen, en jonge schildpadden moeten bij het uitkomen meteen lucht ademen.
Het schild is geen aparte schelp, maar een deel van het skelet. Een schildpad kan er dus niet uit kruipen. In het skelet zijn de ribben en de wervels van de romp met het bot van het rugschild vergroeid, zodat de romp vrijwel onbeweeglijk is.
Reptielen en amfibieën vergeleken
Wat is een reptiel, als het naast een amfibie wordt gelegd? De vergelijking maakt de groep het scherpst zichtbaar. Reptielen hebben de gebondenheid aan het water die amfibieën nog kennen, overwonnen met hun dichte huid. Het zijn echte landdieren. Die huid is echter zo dicht dat er geen ademhaling meer door plaatsvindt; bij schildpadden is ze een behuizing geworden en slangen moeten haar afwerpen om te kunnen groeien. Nergens in het dierenrijk bestaat zo'n sterk afgesloten huid. Dat verklaart ook waarom reptielen goed in zout water kunnen leven, iets wat vrijwel geen amfibie kan.
Ten opzichte van de amfibieën is er op een reeks punten iets veranderd. Ze hebben geen open water meer nodig. De huid is afgesloten voor lucht en water, zodat ze in de zon kunnen liggen zonder uit te drogen. De ademhaling is verbeterd: ze ademen met hun ribben en de longen hebben een groter oppervlak. De bloedsomloop is sterker gescheiden. Ze pakken hun voedsel met de kaken en eten ook grotere prooien en planten. Ze lopen beter, ook al liggen ze in rust op hun buik. En ze leggen eieren met voedsel en een eigen vochtige binnenruimte op het land, waar een warmtebron van buiten ze uitbroedt.
Uitgestorven reptielen: dinosauriërs en hun verwanten
Tot de verbeelding spreken de dinosauriërs, die in het Mesozoïcum leefden, in de drie tijdperken Trias, Jura en Krijt, tot zo'n 66 miljoen jaar geleden. Naast hen leefden andere reptielen die er soms sterk op lijken maar geen dinosauriërs waren:
- ichthyosauriërs, die er visachtig of dolfijnachtig uitzagen;
- plesiosauriërs, zeereptielen met een lange hals;
- pterosauriërs, vliegende reptielen met vleugels van huid;
- de voorouders van de krokodillen.
Ook de therapsiden, dieren met zoogdierachtige trekken, worden vaak in dit verband genoemd. Zij horen bij de tak die naar de zoogdieren leidde. De dinosauriërs zelf omvatten plantenetende en vleesetende vormen, en uit een groep van kleine, vleesetende dinosauriërs zijn de vogels voortgekomen. Hoe de dinosauriërs zich ontwikkelden, beschrijft de pagina over de evolutie van dinosauriërs.
Reptielen als gestalte: gebonden aan de aarde
Wie reptielen als geheel bekijkt, ziet dieren die sterk aan de aarde gebonden zijn. Ze liggen op de grond, lijken de zwaarte te voelen en zijn vaak traag. Voor hun activiteit hebben ze een warmtebron van buiten nodig, en ook hun eieren komen alleen uit door warmte van zon of bodem. In die zin leven ze met de omgeving mee zonder er zelf warmte aan toe te voegen.
De vier groepen laten daarbinnen elk een eigen richting zien. De hagedis is licht en snel en zoekt de zon. De slang ligt over zijn volle lengte op de aarde en leeft in de tast. De schildpad sluit zich op in zijn vaste vorm. De krokodil wisselt tussen zwaar liggen op de oever en bliksemsnel handelen in het water. Zet men daar een zoogdier naast, dat zijn romp op rechte poten van de grond tilt en zijn eigen warmte meedraagt, dan wordt zichtbaar hoe dicht bij de aarde een reptiel in feite blijft: zelfs een rennende krokodil tilt zijn buik maar een paar tellen van de grond.
Veelgestelde vragen
Wat is een reptiel?
Een reptiel is een gewerveld dier met een droge huid vol hoornschubben of hoornschilden, dat met longen ademt, zijn lichaamswarmte uit de omgeving haalt en eieren op het land legt of levende jongen krijgt. Er is geen larvestadium in het water. Hagedissen, slangen, schildpadden en krokodillen zijn reptielen.
Is een krokodil een reptiel?
Ja, een krokodil is een reptiel. Hij heeft een geschubde huid met beenplaten, ademt met longen, is koudbloedig en legt eieren met een schaal op het land. Binnen de reptielen zijn krokodillen wel de naaste levende verwanten van de vogels.
Is een schildpad een reptiel?
Ja, een schildpad is een reptiel, ook als hij grotendeels in het water leeft. Het schild bestaat uit bot dat met de wervels en ribben is vergroeid en is bedekt met hoornplaten of een leerachtige huid. Alle schildpadden leggen hun eieren op het land.
Wat zijn de kenmerken van reptielen?
De belangrijkste kenmerken van reptielen zijn een droge, verhoornde huid zonder huidademhaling, ademhaling met longen, een lichaamstemperatuur die van de omgeving afhangt, inwendige bevruchting en een ei met een schaal dat op het land kan liggen. De poten staan, als ze er zijn, zijdelings van de romp.
Welke soorten reptielen zijn er?
De levende reptielen worden meestal in vier groepen verdeeld: hagedissen, slangen, schildpadden en krokodilachtigen. Een vijfde, kleine groep vormt de brughagedis van Nieuw-Zeeland, die op een hagedis lijkt maar een eigen tak is. Hagedissen en slangen samen zijn verreweg de soortenrijkste groep.
Wat zijn reptielen in het Nederlands?
In het Nederlands heten reptielen ook kruipdieren. Het woord reptiel komt van het Latijnse repere, kruipen. Dat past bij dieren die dicht bij de grond leven en vaak met de buik over de bodem gaan.
Waarom zijn reptielen koudbloedig?
Reptielen maken zelf weinig warmte aan en halen hun lichaamstemperatuur uit de omgeving, door in de zon of op warme stenen te liggen. Daardoor hebben ze maar een fractie van het voedsel nodig dat een even groot zoogdier gebruikt. Bij kou worden ze traag en in koude streken houden ze een winterrust.
Waarom vervellen slangen?
De hoornlaag van de huid groeit niet mee. Slangen werpen hem daarom in zijn geheel af wanneer ze groter worden, inclusief het doorzichtige schubje over de ogen. Hagedissen vervellen in stukken.
Hoe ruikt een slang met zijn tong?
Een slang steekt zijn gespleten tong uit en vangt daarmee geurdeeltjes uit de lucht. Daarna brengt hij de tongpunten naar het orgaan van Jacobson in het gehemelte, waar de stoffen worden waargenomen. Zo ontstaat een geurbeeld van de omgeving, met richting erbij doordat de twee punten net iets anders opvangen.
Welke reptielen leven in Nederland?
In Nederland komen drie slangen voor: de ringslang, de gladde slang en de adder, waarvan alleen de adder giftig is. Daarnaast leven er hagedissen zoals de zandhagedis, de levendbarende hagedis, de muurhagedis en de pootloze hazelworm. De Europese moerasschildpad kwam vroeger ook in Nederland voor.
Wat is het verschil tussen reptielen en amfibieën?
Amfibieën hebben een dunne, vochtige huid waardoor ze ademen, en hun eieren komen in het water uit als larven die later een gedaantewisseling doormaken. Reptielen hebben een droge, geschubde huid en leggen eieren met een schaal op het land, waaruit kleine volwassen dieren komen. Meer hierover staat op de pagina over amfibieën.
Zijn dinosauriërs reptielen?
Dinosauriërs worden tot de reptielen gerekend en waren nauw verwant aan de krokodillen. De vogels zijn uit een groep van kleine dinosauriërs ontstaan. Visachtige ichthyosauriërs, plesiosauriërs en vliegende pterosauriërs waren wel reptielen, maar geen dinosauriërs.
Hoe krijgen reptielen jongen?
De meeste reptielen leggen eieren met een leerachtige of harde schaal, die door de zon of de warmte van de bodem worden uitgebroed. Sommige hagedissen en slangen houden de eieren in het lichaam tot de jongen uitkomen. Er is geen larvestadium: het jong is meteen een kleine uitgave van de ouders.
Hebben reptielen tanden?
De meeste reptielen hebben tanden die het hele leven worden vervangen. Ze zijn gelijkvormig en dienen om vast te houden of te scheuren, niet om te kauwen. Schildpadden hebben geen tanden, maar een scherpe hoornsnavel.
Wat is het grootste reptiel?
Het zwaarste levende reptiel is de zeekrokodil, die zo'n zeven meter lang en rond de duizend kilo zwaar kan worden. De lederschildpad is de grootste schildpad. De kleinste reptielen zijn dwerggekko's van ongeveer twee centimeter.
Waarom staan de poten van reptielen opzij?
Bij hagedissen, schildpadden en krokodillen komen de poten zijdelings uit de romp en buigen dan naar beneden. In rust ligt de buik daardoor op de grond. Zoogdieren hebben de poten recht onder het lichaam en dragen hun romp vrij van de aarde, zoals op de pagina over zoogdieren te lezen is.
