Reptielen
Inleiding
Reptielen
zijn dieren die over de grond kruipen. Repere
(Latijn) betekent kruipen. Kruipen betekent zowel langzaam vooruit
komen als over de grond voortbewegen. Dat doen reptielen, ze bewegen
zich dicht bij de grond en sommige zijn traag.
Het zijn dieren
die goed in de droogte kunnen leven en ze hebben, behalve wat vocht
om te drinken, geen water in hun omgeving nodig. Dat is het
belangrijkste verschil met amfibieën.
Veel reptielen stoppen
nooit met groeien. Dat geldt voor grote slangen, krokodillen en
reuzenschildpadden. Kleinere hagedissen en schildpadden stoppen wel
met groeien. Daarmee zijn ook de vier groepen genoemd:
- de hagedissen die
op het land leven,
- de grotere
krokodillen die er op lijken en in en bij het water leven,
- de trage
schildpadden met hun gepantserde huid en
- de pootloze, over
de grond glijdende slangen.
Het kleinste
reptiel is een dwerggekko van 2 cm lang. De grootste zijn de
zeekrokodil (7 meter en 1000 kg) en de lederschildpad (tot 2 meter en
ook 1000 kg).
Soepschildpad en
panterkameleon
Kleurvariatie in de panterkameleon
Zeekrokodil - overzicht
Omgeving
Reptielen komen in iedere
omgeving voor: van Lapland tot de evenaar, van de droge woestijn tot
rivieren en de oceaan. Ze bewegen zich voort over de grond en in het
water, maar komen ook in bomen voor. In warme streken zijn veel meer
soorten dan in koude.
Lichaamsbouw
– algemeen
Het
lichaam bestaat uit een kop, romp en staart. De kop is enigszins van
de romp afgescheiden via een nek, de staart is een steeds dunner
wordende voortzetting van de romp. De kop is smaller dan van
amfibieën, de nek is langer. De poten staan zijdelings en zijn
steviger en geschikter voor het lopen dan de poten van
amfibieën.
Het aantal wervels is variabel en bedraagt bij
sommige slangen wel 400. Opvallend is dat hoe langer het lichaam is,
des te korter de poten worden. En ook: hoe langer en dunner het dier
is, hoe groter de relatieve oppervlakte is waarmee de aarde wordt
aangeraakt. De slang doet dat altijd.
De
huid bestaat uit een zeer dikke en verharde hoornlaag. Er komen
verschillende hoornvormen voor:
- schilden: groot en
veelhoekig, die op plaatsen liggen waar geen beweging is, zoals op de
kop van slangen en hagedissen en op het pantser van
schildpadden;
- korrels: klein en
rond, die het plooien en bewegen van de huid mogelijk maken, ze komen
o.a. voor aan de hals van krokodillen en schildpadden en op de
overgang van de poten en de romp;
- schubben: die
dakpansgewijs over elkaar heen liggen en zo de beweging niet al te
ernstig hinderen, ze komen voor op de romp van slangen en hagedissen.
Bij
krokodillen en schildpadden liggen onder de hoornschilden beenplaten
voor de stevigheid.
Door de dikke verhoornde huid vindt er
geen uitdroging plaats en is er geen huidademhaling mogelijk.
Zo’n
stevige huid is een belemmering om te groeien. Slangen vervellen en
werpen hun hoornhuid in zijn geheel af als ze verder groeien. De huid
loopt door over de ogen.
Veel reptielen kunnen hun huidskleur
veranderen, zodat ze moeilijk te herkennen zijn tegen hun
natuurlijke achtergrond. Ze kunnen hun huid lichter of
donkerder
maken en zo een worden met de achtergrond. Dit heet mimicry.
Hagedissen, en dan in het bijzonder kameleons, kunnen dit goed.
De
ontelbare wervels (tot 400) van het skelet van een
slang
Een adder kruipt uit zijn huid
Zintuigen
De
meest gebruikte zintuigen zijn reuk, ogen en gehoor. Bij slangen is
de reuk sterk ontwikkeld doordat ze met de tong de lucht
proeven. Ze steken de gespleten tong even naar buiten en
vangen
daarmee enkele geurmoleculen. De tong wordt daarna in het zogenaamde
orgaan van Jacobson gestoken, een inwendige holte voor de
neus,
waar ze nauwkeurig ruiken en proeven. Daardoor kunnen ze een
“geurbeeld” maken van de omgeving. Sommige slangen
kunnen warmte
of infrarode straling waarnemen, daarmee zij in het donker
warmbloedige dieren kunnen opsporen.
Kameleons kunnen hun ogen
onafhankelijk van elkaar bewegen. Daardoor kunnen ze zowel een prooi
achtervolgen als (met het andere oog) de omgeving waarnemen. Leguanen
en andere hagedissen kunnen als enige groep van de reptielen
kleuren waarnemen.
Hersenen
Reptielen staan meer bloot
aan stress, hun hersenen zijn complexer dan van vissen en
amfibieën.
Met name de kleine hersenen, die dienen voor bewegingen en evenwicht,
zijn groter en complexer. Reptielenhersenen zijn vooral geschikt voor
primaire levensfuncties. De hersenstam is ook complexer geworden. Van
de grote hersenen zijn de reukzenuwen goed ontwikkeld.
Ademhaling
Reptielen
hebben longen met tussenschotjes met een min of meer sponsachtig
karakter. In vergelijking met zoogdieren is de
ademhalingsoppervlakte klein, maar in vergelijking met
amfibieën
groot. De ademhaling vindt plaats door de ribben, alleen schildpadden
hebben ademhaling via het middenrif. Er is geen
huidademhaling.
Bloedsomloop
Het hart van reptielen
bestaat uit twee afzonderlijke boezems en twee kamers, die
niet
volkomen gescheiden zijn, omdat er tussen de kamers slechts een
onvolledige scheidingswand is. Het O2-rijke
bloed uit de longen en het CO2-houdende
bloed uit het lichaam worden dus enigszins vermengd. De bloedsomloop
wordt daardoor onvolledig
gescheiden
genoemd.
Er is geen volledige menging in het hart. De
longslagader krijgt het meest O2-arme
bloed en de hersenen het meest O2-rijke
bloed. De bloedsomloop is efficiënter dan bij
amfibieën. Maar het
hart is relatief klein en het bloed stroomt traag. Bij krokodillen
zijn de hartkamers wel volkomen gescheiden.
Reptielen zijn
koudbloedig, ze worden door de zon en indirect door opgewarmde stenen
verwarmd. In koude en gematigde streken brengen ze een deel van de
winter in rusttoestand door. Als ze voldoende opgewarmd zijn, zijn ze
snel en jagen ze op voedsel. Als hun temperatuur laag is, zijn ze
(te) traag. Ze kunnen ook niet te warm worden. In de tropen liggen
reptielen midden op de dag in de schaduw wanneer ze te warm dreigen
te worden.
Het hart van een
reptiel
Spijsvertering en
voedsel
Doordat reptielen
koudbloedig zijn gebruiken ze maar 10% van de energie die een
zoogdier van gelijke grootte nodig heeft. Dat betekent dat ze maar
weinig hoeven te eten.
De meeste reptielen eten vlees, sommige
slangen eten alleen eieren. Alleen grote leguanen en enkele
andere soorten hagedissen leven voornamelijk vegetarisch en de meeste
schildpadden eten planten, maar eten zo nu en dan ook vlees.
Het
voedsel wordt over het algemeen in zijn geheel of in grote
brokstukken naar binnen geschrokt. Slangen kunnen de beide helften
van hun kaak ver van elkaar af bewegen, zodat ze prooien die anders
niet door de kaak kunnen toch naar binnen kunnen werken.
Het
gebit bestaat uit tanden, die voortdurend worden gewisseld. Er is geen
onderscheid in snij- en hoektanden en kiezen. Het gebit wordt alleen
gebruikt om de prooi vast te
houden of om er brokstukken vanaf te scheuren, het gebit wordt niet
gebruikt om het voedsel fijner te maken.
Krokodillen en
hagedissen hebben veel gelijkvormige, spitse tanden, die naar alle
kanten staan. Wisseling van tanden vindt het hele leven plaats, dit
geldt voor alle reptielen. Gifslangen hebben twee lange giftanden,
waardoor sterk werkend, dodelijk gif in de prooi kan worden gespoten.
Grote slangen omwikkelen een prooi en wurgen die, ze drukken net zo
lang tot hij niet meer beweegt en dood is. Schildpadden hebben een
hoornsnavel en scherpe tandloze kaken om te bijten.
Evenals
bij amfibieën is er onderscheid tussen de slokdarm en de maag.
Er is
ook verschil tussen de dunne en de dikke darm. De dunne darm is soms
opgerold in een aantal lussen en de dikke darm is kort. Het
spijsverteringskanaal is 0,5 tot 3 x de lichaamslengte. Bij
plantenetende schildpadden is het darmkanaal langer.
Vertering
vindt alleen plaats als het dier warm is, bij kou stagneert de
vertering. Wanneer het dier heeft gegeten gaan de lichaamsprocessen
sneller en worden allerlei organen groter. Wanneer de prooi is
verteerd, rust het beest en verlangzamen de processen weer.
Python bij de maaltijd
Nijlkrokodil bejaagt en eet gnoes
Voortplanting
Mannetjes
hebben vaak heldere kleuren om wijfjes te lokken, er komen
versieringen voor als kragen en kammen. Reptielen paren met elkaar en
er is een inwendige bevruchting.
De voortplanting vindt niet
in het water plaats maar op het droge. Er worden eieren gelegd met
een zachte en buigzame lederen schaal. Sommige soorten hebben een
harde schaal, slangen een perkament-achtige. Zuurstof en
water kunnen de schaal passeren. De dooier zorgt voor voedsel.
Sommige hagedissen en slangen zijn zogenaamd eier-levendbarend, de
eieren ontwikkelen zich in een zakje in het lichaam (maar hebben
geen verbinding met de moeder via een placenta).
Alle soorten
leggen hun eieren op het land. Ook de zeeschildpad komt op het
land om te paren en eieren te leggen. De enige uitzondering vormen
levendbarende zeeslangen. De eieren worden in warme, door de zon
beschenen grond, in compost of onder een hoop bladeren gelegd.
Kaaimannen maken heuvelige nesten van verse vegetatie, aarde en
bladeren en krokodillen kuilen in droge grond.
De eieren
liggen in het donker en worden door een externe warmtebron
uitgebroed, zoals de zon, bodemwarmte of broeiwarmte van compost.
De
jongen van slangen komen uit het ei door een gat in de wand te slaan
met een eitand. Ze moeten zich direct zelf voeden. Hun leefwijze en
voeding verschilt nauwelijks van hun ouders. De meeste soorten
kijken niet naar de eieren om. Krokodillen vaak wel, daar ontfermt
een wijfje zich over veel jongen, ook die van andere moeders.
Een
reptiel die net is geboren is een kleine uitgave van een volwassen
reptiel, hij is net zo agressief. Er is geen metamorfose zoals bij
amfibieën.
Soepschildpad legt eieren
Nijlkrokodil verzamelt zijn jongen
Voortbeweging
De
poten komen zijdelings uit het lichaam en staan er niet onder zoals
bij vogels en zoogdieren. De poten zijn stevig.
Wanneer
een hagedis harder gaat lopen, rust het lichaam steeds op de
diagonaal staande poten, dus linksvoor en rechtsachter of linksachter
en rechtsvoor staan tegelijk op de grond. Bij het lopen ontstaat zo
een breed voetspoor.
Ze kunnen over korte afstand snel lopen,
voor het oog ziet dat er slordig uit. Wanneer krokodillen over het
land kruipen, slepen ze meestal met de buik over de grond. Alleen als
ze rennen tillen ze de buik op. Slangen kronkelen pootloos over de
grond.
Galapagos landleguaan lopend
Galapagos zeeleguaan rennend
Ringslang op het land en in het water
De vier groepen
Onder
de hagedissen
vallen gekko’s, agamen, kameleons, leguanen en
varanen.
Varanen zijn de grootste en worden tot 3 meter lang (Komodo-varaan).
Sommige soorten, zoals de hazelworm hebben geen ledematen. Een
eigenaardig verschijnsel is dat de staartpunt af kan breken (als hij
stevig wordt vastgepakt) en weer aangroeit.
Ze zijn licht en
levendig en liggen graag lang in de zon. Ze komen snel in actie en
zijn snel in hun bewegingen. Ze hebben een beweeglijke hals en een
beweeglijke kop. Er zijn veel fijn gebouwde, slanke soorten. Veel
soorten leguanen en kameleons zijn kleurrijk. Vele maken grote
sprongen. Als ze liggen is er veel contact met de grond. Bij het
lopen is het lichaam maar iets van de bodem weg, ze lopen sterk
zigzag.
Slangen
zijn pootloze reptielen met een lang, lenig lichaam. De grootste
slangen zijn tot 10 meter lang. In Nederland komen de ringslang,
gladde slang en adder voor. De wervelkolom bestaat uit tot 400
onderling gelijke wervels. Ze eten prooien die veel groter zijn dan
zijzelf.
Bij een kruipende slang draagt de bodem of hetgeen
waar hij overheen glijdt het lichaam. Hij volgt met zijn lijf het
reliëf. Een slang zoekt voortdurend en over het hele lichaam
de
aanraking. Als ze rusten, liggen ze ineengekronkeld tegen zichzelf
aan. Als een slang een steen tegenkomt, moet hij er met het hele
lichaam overheen om verder te komen. Alleen bij een aanval of bij de
vlucht kan een slang zich oprichten en sprongen maken.
In de
huid komen veel tastzintuigen voor, iedere aanraking wordt
waargenomen. Een slang leeft in de tastzin. Ook de reukzin is sterk
ontwikkeld.
In beweging is een slang gestrekt, in rust
opgerold. Bij activiteit is een slang op de omgeving gericht, bij het
rusten op zichzelf.
Schildpadden
hebben een kort breed lichaam, dat is omgeven door een beenachtig
pantser, het huis. Het been is bedekt met hoornplaten of met een
leerachtige huid. De schildpad zit vast in zijn eigen vaste vorm. Hij
heeft veel inhoud (daartegenover een slang veel oppervlakte). Hij kan
zijn kop, ledematen en staart in zijn pantser terugtrekken en heeft
zo nauwelijks nog contact met de omgeving. Hij is traag en onhandig
bij het bewegen, er is verstarring.
Een schildpad gaat
gewoonlijk rechtdoor en drukt voorwerpen opzij om er door te kunnen,
hij kan zich daarbij vast manoeuvreren. Een schildpad lijkt zelf wel
een voorwerp. Het skelet is bijvoorbeeld nauwelijks beweeglijk. Bij
landschildpadden gaat alles traag, zelfs het sterven gaat langzaam.
Ze kunnen zeer oud worden, ook de tijd lijkt langzaam te verlopen.
Als ze bedreigd worden geven vele elke vorm van activiteit op.
Schildpadden met een zacht pantser zijn het meest
agressief.
Krokodillen
leven in zoet water van tropische rivieren en langs de zeekust. Ze
hebben een zijdeling afgeplatte staart en korte poten. De buik
ligt op de grond.
Ze eten vooral vissen en kleine zoogdieren,
die gevangen worden als ze komen drinken uit de rivier. Maar ook
grote dieren worden gepakt. Dieren worden gedood door ze met de
tanden vast te houden en onder water te trekken, zodat ze verdrinken.
Ze gaan aan land om te zonnen, ze slepen zich dan traag voort om als
een dode massa te blijven liggen. Als ze gestoord worden zijn ze
plotseling actief. Ze tillen hun lichaam een beetje op, rennen direct
naar het water en glijden in de diepte weg. Ze zijn traag en zwaar op
het land; snel, beweeglijk en agressief in het water. Ze zwemmen door
met de staart te bewegen. Ze kunnen onmerkbaar zwemmen, het lichaam
blijft verborgen onder water met alleen het bovendeel van de kop met
ogen en neusgaten erboven. Doordat de mondholte van de keelholte kan
worden gescheiden, kunnen ze ademhalen en tegelijk de bek
onder
water open hebben. Als het dier in de buurt is van zijn prooi, schiet
hij ineens naar voren en pakt hij de prooi.
Dinosauriërs
Tot
de verbeelding spreken de dinosauriërs,
die geleefd hebben in het Mezozoïcum, 230 tot 70 miljoen jaar
geleden, in de drie tijdperken Trias, Jura en Krijt. Er zijn veel
vormen van bekend, o.a.:
- ichtyosaurus (visachtig)
- pleisiosaurus (slangachtig)
- therapsiden (zoogdierachtig)
- thecodonten (krokodilachtig)
- dinosauriërs (herbivoren en carnivoren)
- pterosauriers (vogelachtig)
Samenvatting
Reptielen
hebben het probleem van de gebondenheid aan het water van de
amfibieën overwonnen door de dichte lederhuid. Het zijn echte
landdieren. De huid is echter zo dicht dat ze er ook niet meer door
kunnen ademhalen. Bij schildpadden is hij een behuizing geworden en
slangen moeten hem afwerpen om te kunnen groeien. Ze zijn van het
vocht uit de omgeving geïsoleerd, ze hebben hun
onafhankelijkheid
van het water sterk (of te sterk) doorgevoerd. Nergens in het
dierenrijk is er zo’n sterk afgesloten huid te vinden. Dat
wil niet
zeggen dat ze niet ook in het water voorkomen. Door de dichte huid
kunnen ze goed in zout water leven.
Reptielen zijn sterk aan
de aarde gebonden, ze voelen de zwaarte, ze liggen op de aarde en
zijn traag. Ze hebben een externe warmtebron nodig om actief te
worden en ook hun voortplanting is van externe warmtebronnen
afhankelijk.
Veranderingen ten opzichte van de amfibieën:
- Ze zijn
onafhankelijk van het water.
- De huid is
afgesloten voor lucht en water. Ze kunnen beter in de zon liggen en
warm worden.
- De ademhaling is
verbeterd, ze ademen met hun ribben en de longen functioneren beter.
- De bloedsomloop is
meer gescheiden en bijna gesloten.
- Ze pakken het
voedsel met hun kaken, eten ook grotere prooien en planten.
- Ze kunnen beter
lopen, hoewel ze op hun buik liggen.
- Ze leggen eieren
met voedsel in een donkere omgeving op het land.
- Uitbroeden ervan
door een externe warmtebron.
|
Een inheemse hagedis: de zandhagedis
Een inheemse slang: de giftige adder
Krokodillen in het moeras, hun biotoop
Een Europese moerasschildpad in de zon (kwam vroeger ook in Nederland
voor)
Skelet van een schildpad
Schedel van een krokodil, de tanden staan naar alle kanten
Ringslang die "ruikt" met zijn gespleten tong
Hersenen van een krokodil (V = grote hersenen, M = middenhersenen, H =
kleine hersenen, N = hersenstam)
De bloedsomloop
Giftanden
van een slang
G = gifklier (zichtbaar doordat een deel van de
zijwand van de kop is weggenomen); t = giftand; l = opening
van de
luchtpijp; a = afvoerbuis van de gifklier;
d = doorboring van de
giftand; o = opening.
Een kameleon vangt een insekt met zijn lange, kleverige roltong
Boa
constrictor na een maaltijd
Spijsverteringskanaal van een krokodil en een kameleon
Spijsverteringskanaal van een schildpad en een slang
Een schildpad legt eieren in een kuil, die door de zon wordt beschenen
De
poten van een zoogdier (links) en een reptiel (rechts). Bij
het zoogdier staan de poten recht onder de romp. De poten van een
reptiel staan zijdelings. Boven zoals het dier loopt,
onder is het dier in rusttoestand getekend, de buik rust dan op de
grond (uit Verhulst).
Een krokodil kan een tijdje zijn lichaam opheffen en rennen
Een krokodil en een python met elkaar in gevecht
Een slang in dreigende houding

Een anaconda eet een 50 kilo zware capibara
Een groene basilisk
Een van de giftigste slangen: de
groene mamba
|