Amfibieën
Inleiding
Van
verre horen we gekwaak. Bij een sloot zien we een kikker op het blad
van een waterlelie. Hij springt in het water wanneer we er aan komen.
Soms blijft hij stil zitten en zien we dat hij met zijn roltong snel
een langs komend insect pakt.
Een kikker is een amfibie.
Amfibieën hebben kenmerken van dieren die tussen de vissen en
de
landdieren in staan. Het woord amfibie
betekent tweeërlei,
het zijn dieren met tweeërlei levenswijze:
- de
larve leeft als een visje in het water en het volwassen dier leeft op
het land;
- de
volwassen dieren hebben zowel water als land als omgeving nodig en
- ze
hebben een ander uiterlijk wanneer ze in de paartijd in het water leven
(ze hebben dan een kam op de rug).
Amfibieën
zijn dieren die van het water naar het land zijn gegaan. Ze moeten
hun lichaamsgewicht dragen. En merken hoe zwaar het lichaam is
wanneer het niet, zoals bij vissen, door het water wordt
gedragen.
Er zijn (naast een kleine onbekende groep) twee
groepen amfibieën:
- kikkers
en padden en
- salamanders.
De
grootste soort is de reuzensalamander, een enigszins lichtblauw dier
uit China, dat tot anderhalve meter lang wordt. Het dier heeft een
brede kop als van een kikker en een lange staart. Hij is in het
aquarium van Artis te bewonderen. De kleinste amfibie is de
goudkleurige Braziliaanse goudkikker van net geen 1,0 cm lang.
Reuzensalamander
Omgeving
Amfibieën
leven op het land en in het water. Het water is een stabiele
omgeving. Op het land zijn er grote verschillen: de warmte overdag en
de kou ’s nachts, de verschillende seizoenen, nu eens droog,
dan
weer nat, wind en luwte. Dat vraagt om aanpassingen van het
lichaam.
Amfibieën
zijn aan het water gebonden, de ene soort
meer dan de andere. Ze leven in het water of in een omgeving waar ze
door dauw en bodemvocht voor uitdroging behoed worden. Ze drogen
namelijk makkelijk uit doordat de huid doorlatend is
voor water. Ook voor de voortplanting zijn
ze gebonden aan water. Ze komen alleen voor in gebieden waar land en
ondiep zoet water zijn. In zout water en in open water komen ze niet
voor.
Salamanders en kikkers blijven het dichtst bij het
water, omdat ze het makkelijkst uitdrogen. Padden drogen minder snel
uit en zoeken vochtige plekken op, zoals onder bladeren en stenen en
zijn ’s nachts actief. Ze gaan alleen in de paartijd naar het
water
(paddentrek). Boomkikkers zijn nog onafhankelijker van water en
kunnen in de zon zitten.
Omdat de eieren altijd in water
worden afgezet, trekken de dieren in de paartijd altijd terug naar
het water.
Lichaamsbouw
– algemeen
Kikkers, padden en boomkikkers hebben een kort,
afgerond en soms plomp lichaam met weinig wervels. De poten staan
niet onder het lichaam, maar aan de zijkant. De achterpoten zijn
sterker ontwikkeld dan de voorpoten. De grote en brede kop gaat
vrijwel nekloos in de romp over, er is maar één
halswervel.
Salamanders hebben een lang lichaam met een lange
wervelkolom en een staart en kleine, tamelijk onderontwikkelde poten.
Ook hier is vrijwel geen sprake van een nek.
De huid van
amfibieën is dun en doorlatend voor water en lucht. Ze kunnen
ze
door de huid ademhalen en nemen vocht op via de huid, want drinken
kunnen ze niet. De huid sluit het dier niet af, het dier staat erdoor
in verbinding met de omgeving. De huid van padden en boomkikkers is
dikker en meer verhoornd dan die van kikkers en salamanders, daardoor
zijn deze dieren onafhankelijker van water en trekken ze er verder
van weg.
In de huid zitten slijm- en gifklieren (denk aan de
kleurrijke gifpijlkikkers uit Zuid-Amerika), die de huid slijmerig
houden en vochtig en die de huid meer of minder giftig maken. Ook zit
er veel kleurstof in en bij sommige dieren (o.a. de boomkikker) komt
kleurverandering voor.
Skelet
van een kikker en van een salamander
Zintuigen
Kikkers
hebben grote ogen die op beweging reageren, met oogleden die gesloten
kunnen worden. Ze happen naar organismen die klein zijn en bewegen.
Hij kan zich door de ogen te sluiten van de omgeving afzonderen. Van
het oor is bij kikkers het trommelvlies ontwikkeld; bij salamanders
ontbreekt dit. Ze hebben ook reukzin, maar gebruiken die minder. Reuk
en smaak zitten aan de bovenkant van de bek en worden het orgaan van
Jakobson genoemd, ze nemen stoffen in de bek waar. De tastzin in de
huid is goed ontwikkeld.
Hersenen
De
hersenen zijn iets complexer dan van vissen. De kleine hersenen die
voor de evenwichtszin zorgen zijn kleiner dan bij vissen, kikkers
hebben minder moeite hun evenwicht te houden dan de verticaal
afgeplatte vissen. Omdat de reuk minder ontwikkeld is, is ook dat
hersengebied slechter ontwikkeld. De middenhersenen dienen voor het
zien.
Ademhaling
Amfibieën
hebben door hun koudbloedigheid een geringe behoefte aan O2.
De ademhaling vindt ook of met name plaats via de rijkelijk van
bloedvaten voorziene huid en via de slijmhuid van de mondholte. De
longademhaling is niet krachtig en er bevindt zich geen O2-rijke
lucht in de longen.
Kikkers slikken lucht in hun longen door
de beweging van de onderkant van de bek. De buikspieren spelen
maar een kleine rol bij de ademhaling en het middenrif wordt helemaal
niet gebruikt. De ademhaling is geen ritmisch pulseren tussen in- en
uitademing.
De twee longen zijn eenvoudig van bouw. Het zijn
bij kikkers en padden zakken met enkele opstaande lijsten, die de
ademhalingsoppervlakte vergroten. De longen ontstaan in het embryo
–
net als de zwemblaas – vanuit de slokdarm. In de winter, als
de
dieren in de modder op de bodem van poelen liggen, is alleen de
huidademhaling voldoende. Onder water dienen de longen als een
drijforgaan.
De larven ademen via uitwendige kieuwen: dunne
huidslipjes, waar het bloed doorheen stroomt. Het is een plaatselijk
zeer goed ontwikkelde huidademhaling.
Bloedsomloop
Amfibieën
hebben een dubbele bloedsomloop, die niet geheel gescheiden is. Het
bloed is gemengd.
Het hart bestaat uit twee boezems en
een kamer, die niet door een scheidingswand in twee delen is
verdeeld. In de linkerboezem stroomt het uit de longen komende bloed,
in de rechterboezem komt het bloed van het lichaam. Beide stromen in
de kamer, waar het deels mengt. Er zijn in de kamer
spierbalkjes die een algehele menging van O2-rijk en O2-arm
bloed tegengaan. Doordat de huidademhaling belangrijk is, gaan er
takken van de longslagaders naar de huid. Ze voeren O2-arm
bloed naar de huid en voeren O2-rijk
bloed naar de holle aders die naar het hart gaan.
De
bloedsomloop: van het hart gaat het zuurstofarme bloed naar de longen
en de huid, vandaar weer naar het hart en naar het lichaam.
Spijsvertering
en voedsel
Amfibieën hebben niet veel voedsel nodig, het zijn
koudbloedige dieren. Hun metabolisme ligt hoger dan bij vissen,
doorat ze in een minder stabiel milieu leven en meer activiteit
moeten ontplooien. Het belangrijkste voedsel zijn insecten en kleine
dieren, die worden gevangen met de lange en kleverige tong, die
razendsnel naar buiten wordt geslingerd. Ziet een kikker een vlieg
lopen, dan springt hij er snel heen en slaat zijn tong eromheen.
Grotere prooien worden met de kaken vastgepakt. Het voedsel wordt in
zijn geheel doorgeslikt.
In de bek staan gelijkvormige,
puntige tanden op de kaken, ook op het gehemelte staan nog een paar
kiezen.
Er is meer onderscheid tussen slokdarm en maag dan bij
vissen en de darm is verdeeld in de opgerolde dunne darm en de rechte
dikke darm. Het spijsverteringskanaal is 0,5 tot 3 x de
lichaamslengte.
Voortbeweging
Voortbeweging
op het land kost veel meer energie dan in het water. Amfibieën
worden niet door het water gedragen en moeten het lichaam van de
grond opheffen om zich te kunnen voortbewegen. Salamanders zijn op
het land traag, ze heffen het lichaam maar weinig op en slepen met de
buik over de grond. De voortbeweging wordt door een zigzaggende,
slangachtige beweging van het lichaam ondersteund en sommige soorten
kunnen een korte afstand snel vooruit gaan. Padden zijn traag en
lopen lomp, sommige soorten hebben zwemvliezen tussen hun achterste
tenen. Kikkers springen en hebben een betere voortbeweging, maar
kunnen nauwelijks lopen en zitten ook met hun buik op de grond.
Boomkikkers kunnen klimmen en springen van blad naar blad en hebben
zuignapjes aan hun tenen.
De
slingerende voortbeweging van een
salamander
Voortplanting
Mannetjes
en wijfjes van kikkers en padden paren met elkaar, maar er is geen
inwendige bevruchting. Het wijfje scheidt de eieren af en
onmiddellijk worden ze door het mannetje bevrucht. De houding waarin
beide dieren op elkaar zitten heet amplexus.
Kikkers
zetten veel eieren in klompen (kikkerdril) af in het water of aan
planten, ze doen dat op een plek waar de zon kan instralen. De eieren
hebben voor hun ontwikkeling warmte nodig. Padden maken snoeren van
eieren en salamanders zetten ze afzonderlijk af. De eieren zijn
omgeven door een heldere geleimantel, die voedsel bevat en dient om
de warmte te concentreren.
Salamanders hebben een kort
paringsritueel, waarbij het mannetje het wijfje lokt, gevolgd door
een lozing van de zaadbevattende vloeistof, die door het vrouwtje
wordt opgenomen voor inwendige bevruchting. Vervolgens legt ze de
eieren. Sommige salamanders bewaken hun eieren.
Bij voldoende
warmte ontwikkelen de eieren zich (zie tekening hieronder: 1). Van
buiten af is te zien hoe
de kern zich ontwikkelt (2) en er een kikkervisje ontstaat (3).
Kikkervisjes liggen op de grond of hangen met hun zuignappen aan
planten, ze drijven niet (zoals vissen) in het water. Zwaarte speelt
een rol in hun leven.
De larve van
een kikker heeft:
- een
verticaal afgeplatte staart, die wordt gebruikt om te zwemmen,
- op
de kop twee zuignapjes, waarmee de larve zich kan vastzetten en
- uitwendige
kieuwen (3).
Bij
verdere ontwikkeling verschrompelen de uitwendige kieuwen en breken
er kieuwspleten door, die de keelruimte met de omgeving verbinden.
Aan de schotten tussen de spleten ontstaan kieuwplaatjes, er zijn nu
inwendige kieuwen. Aan weerszijden groeien er kieuwdeksels over de
kieuwspleten heen, zo ontstaan er kieuwruimtes (5). Hierin ontstaan
de voorpoten, die daardoor een tijd onzichtbaar zijn (6 en 7). De
achterpoten zijn eerder te zien (6).
De twee longen ontstaan
als uitgroeisels van de slokdarm, tegelijk worden de kieuwen en de
staart van binnen uit afgebroken en verdwijnen (9). Eerst is er nog
een stadium waarin een kikker vier poten heeft en een staart (8). De
bek verandert tegelijkertijd van een zuigbek in de brede
kikkerbek.
Deze metamorfose duurt vier tot vijf maanden.
Wanneer een kikker volgroeid is, moet hij zich uit het water
terugtrekken en aan land gaan, anders verdrinkt hij.
Salamanders
hebben uitwendige kieuwen en behouden die ook als er kieuwspleten
ontstaan, er ontstaan geen inwendige kieuwen. Ze behouden hun staart
en de voorpoten verschijnen voor de achterpoten.
De
fases in de ontwikkeling van kikkerdril via kikkervisje tot
kikker
Van eicel tot kikkervisje
Van kikkervisje tot kikker
Samenvatting
- Door
het water te verlaten veranderde de omgeving. Het gelijkmatige water
dat de vissen
droeg en ze geheel omgaf, maakte plaats voor het veranderlijke klimaat
op het
land waar de dieren tegenover staan. Dat vraagt om aanpassingen van het
lichaam
aan de nieuwe omstandigheden.
- Amfibieën
laten zien dat het moeite kost om het water te verlaten en de
verbinding met
het land te vinden. Ze zijn bewoners gebleven van beide milieus, op
verschillende punten zijn ze afhankelijk gebleven van het water (opname
van water via de huid en de voortplanting) en op andere zijn ze
landbewoners geworden (ledematen, longen).
- Ook
zien we dat ze moeite hebben met de zwaarte van het lichaam, dat niet
meer door
het water wordt gedragen, op het land (de buik rust op de grond). De
zwaarte leidt tot activiteit in het eigen lichaam, ze moeten moeite
doen om zich te verplaatsen.
- Voor
hun activiteit zijn ze afhankelijk van de zonnewarmte. Vissen hadden
een stabiele omgeving, die van amfibieën is veranderlijk. Ook
voor
de voortplanting zijn ze afhankelijk van de omgeving (predatie,
zonnewarmte).
- Bij
sommige kenmerken nemen ze een positie in tussen de vissen en de
overige
landdieren, zoals de onvolledige gescheiden dubbele bloedsomloop en de
longen die nog niet helemaal functioneren. Hier is ook te denken aan de
metamorfose die ze doormaken van visje tot volwassene.
|
De gewone pad: poten staan aan de zijkant van het
lichaam en de buik rust op de grond
Een boomkikker met zuignapjes aan de tenen
Braziliaanse goud kikker
Vuursalamander
Watersalamander met een kam in de fase dat hij in
het water is.
Groene kikker
Hersenen van een kikker (V= grote
hersenen, M = middenhersenen, H = kleine hersenen)
De longen van een salamander (l) en een kikker (r)
Het hart
Gifpijlkikkers zijn niet alleen giftig, maar ook kleurrijk
Kikker die met zijn tong een insekt vangt
Spijsverteringskanaal van een pad. Dunne en dikke darm kunnen worden
onderscheiden.
En van een salamander
Gewone pad vrouwtje en mannatje in amplexus
Kikkerlarven
Larve van de watersalamander
Een vroedmeesterpad draagt zijn eieren met zich mee
Bijzonder kleurrijk: de roodoogboomkikker
Alpenwatersalamander
|