Dynamisch

Wat zijn amfibieën? Kenmerken en voorbeelden van kikker tot salamander

Hun levenswijze tussen water en land, van kikker en pad tot salamander.

De gewone pad: poten staan aan de zijkant van het lichaam en de buik rust op de grond
De gewone pad: poten staan aan de zijkant van het lichaam en de buik rust op de grond.

Wat zijn amfibieën?

Wat zijn amfibieën precies? Wie in het voorjaar langs een sloot loopt, hoort vaak van verre gekwaak en ziet dan een kikker op het blad van een waterlelie zitten. Bij nadering springt hij in het water. Soms blijft hij stil zitten en schiet zijn tong ineens naar buiten om een langskomend insect te pakken. Een kikker is een amfibie, en in dat ene tafereel zitten al de hoofdzaken van de groep: land en water, een vochtige huid en een lichaam dat half in het ene en half in het andere milieu thuis is.

Amfibieën hebben kenmerken van dieren die tussen de vissen en de landdieren in staan. Het woord amfibie komt uit het Grieks en betekent zoiets als dubbel leven. Het zijn dieren met een tweeërlei levenswijze. De larve leeft als een visje in het water en het volwassen dier leeft grotendeels op het land. Ook de volwassen dieren hebben zowel water als land nodig. En bij watersalamanders verandert het uiterlijk als ze in de paartijd in het water leven: de mannetjes krijgen dan een kam op de rug.

Amfibieën zijn van het water naar het land gegaan. Op het land moeten ze hun eigen lichaamsgewicht dragen. Waar vissen door het water worden gedragen, merkt een amfibie hoe zwaar het lichaam is.

Er zijn drie groepen amfibieën. De grootste en bekendste zijn de kikkers en padden, daarnaast zijn er de salamanders, en ten slotte de kleine, weinig bekende groep van de wormsalamanders: pootloze, gravende dieren uit de tropen die op een regenworm lijken. Wie vraagt wat is een amfibie, kan dus aan heel verschillende vormen denken: een plompe pad, een slanke salamander of een blinde gravende worm.

De grootste soort is de Chinese reuzensalamander, die meer dan anderhalve meter lang kan worden. Het dier heeft een brede, platte kop en een lange staart. Aan de andere kant van de reeks staan kikkertjes van nog geen centimeter, zoals de Braziliaanse goudkikkertjes.

Voorbeelden van amfibieën in Nederland

In Nederland leven ruim een dozijn soorten. Voorbeelden van amfibieën die veel mensen kennen zijn de bruine kikker, de groene kikker en de gewone pad, die in het voorjaar massaal naar zijn voortplantingswater trekt. Minder bekend zijn de rugstreeppad van zandige plekken en duinen, de knoflookpad, de vroedmeesterpad, waarvan het mannetje de eisnoeren om zijn achterpoten meedraagt, en de boomkikker, die met zuignapjes aan zijn tenen in struiken klimt.

Onder de salamanders zijn de kleine watersalamander, de alpenwatersalamander, de kamsalamander en in het zuiden de vuursalamander de bekendste voorbeelden. Buiten Europa horen de kleurige gifpijlkikkers van Zuid-Amerika en de roodoogboomkikker bij de sprekendste soorten.

Waar leven amfibieën?

Amfibieën leven op het land en in het water. Het water is een stabiele omgeving. Op het land zijn de verschillen groot: warmte overdag en kou 's nachts, wisselende seizoenen, nu eens droog en dan weer nat, wind en luwte. Dat vraagt om aanpassingen van het lichaam.

Amfibieën blijven aan water gebonden, de ene soort meer dan de andere. Ze leven in het water of op plekken waar dauw en bodemvocht ze voor uitdroging behoeden, omdat hun huid water doorlaat en ze dus snel uitdrogen. Ook voor de voortplanting zijn ze op water aangewezen. Ze komen alleen voor waar land en ondiep zoet water samengaan. In zout water leeft vrijwel geen enkele soort, en ook open water mijden ze.

Kikkers en salamanders blijven het dichtst bij het water, omdat ze het makkelijkst uitdrogen. Padden drogen minder snel uit. Ze zoeken vochtige plekken op, zoals onder bladeren en stenen, zijn vooral 's nachts actief en gaan alleen in de paartijd naar het water: de bekende paddentrek. Boomkikkers zijn nog minder afhankelijk van water en kunnen zelfs in de zon zitten. Omdat de eieren altijd in water worden afgezet, trekken vrijwel alle dieren in de paartijd terug naar het water.

Kenmerken van amfibieën: de lichaamsbouw

Kikkers, padden en boomkikkers hebben een kort, afgerond en soms plomp lichaam met weinig wervels. De poten staan niet onder het lichaam, maar aan de zijkant. De achterpoten zijn veel sterker ontwikkeld dan de voorpoten. De grote, brede kop gaat vrijwel zonder nek in de romp over: er is maar één halswervel.

Een boomkikker met zuignapjes aan de tenen
Een boomkikker met zuignapjes aan de tenen.

Salamanders hebben een lang lichaam met een lange wervelkolom, een staart en kleine, tamelijk zwakke poten. Ook bij hen is er vrijwel geen sprake van een nek. Wie een kikker en een salamander naast elkaar legt, ziet twee tegengestelde vormen: de een samengetrokken rond het springende achterlijf, de ander uitgestrekt in de lengte.

De huid: dun, vochtig en open

Een van de duidelijkste kenmerken van amfibieën is de huid. Die is dun en doorlatend voor water en lucht. Amfibieën ademen erdoor en nemen er vocht mee op, want drinken met de bek doen ze niet. De huid sluit het dier dus niet af; het staat erdoor in verbinding met zijn omgeving. Bij padden en boomkikkers is de huid dikker en sterker verhoornd dan bij kikkers en salamanders, en daardoor kunnen die dieren zich verder van het water wagen.

In de huid zitten slijmklieren en gifklieren. Ze houden de huid vochtig en slijmerig en maken haar meer of minder giftig; de kleurrijke gifpijlkikkers uit Zuid-Amerika zijn daar het extreemste voorbeeld van. Er zit ook veel kleurstof in de huid, en bij sommige soorten, zoals de boomkikker, kan de kleur veranderen. Schubben, veren of haren hebben amfibieën niet.

Zintuigen en hersenen

Kikkers hebben grote ogen die vooral op beweging reageren, met oogleden die ze kunnen sluiten. Ze happen naar kleine dingen die bewegen; een stilzittend insect zien ze nauwelijks. Door de ogen te sluiten kan een kikker zich van de omgeving afzonderen. Van het oor is bij kikkers het trommelvlies goed ontwikkeld, als een ronde schijf achter het oog; bij salamanders ontbreekt het. De reukzin is aanwezig, maar speelt een kleinere rol. Reuk en smaak liggen aan de bovenkant van de bek, in het zogenaamde orgaan van Jacobson, dat stoffen in de bek waarneemt. De tastzin in de huid is goed ontwikkeld, zoals ook op de pagina over de tastzin beschreven staat.

De hersenen zijn iets complexer dan die van vissen. De kleine hersenen, die het evenwicht regelen, zijn juist kleiner: een kikker die op de grond zit, heeft minder moeite zijn evenwicht te bewaren dan een vis met een verticaal afgeplat lichaam in het water. Omdat de reuk minder ontwikkeld is, is ook dat hersengebied bescheiden. De middenhersenen dienen voor het zien.

Ademhaling: huid, mond en longen

Amfibieën hebben door hun koudbloedigheid weinig zuurstof nodig. De ademhaling verloopt voor een groot deel via de huid, die rijk voorzien is van bloedvaten, en via het slijmvlies van de mondholte. De longademhaling is niet krachtig.

Braziliaanse goud kikker
Braziliaanse goud kikker.

Kikkers pompen lucht in hun longen door de bodem van de bek op en neer te bewegen. Buikspieren doen daarbij nauwelijks mee, en een middenrif hebben ze niet. Er is ook geen ritmisch pulseren tussen in- en uitademen zoals bij zoogdieren.

De twee longen zijn eenvoudig van bouw. Bij kikkers en padden zijn het zakken met enkele opstaande richels, die het ademhalingsoppervlak vergroten. In het embryo ontstaan de longen, net als de zwemblaas van een vis, als uitstulping van de slokdarm. In de winter, wanneer de dieren in de modder op de bodem van poelen liggen, is ademen via de huid voldoende. Onder water dienen de longen vooral als drijforgaan.

De larven ademen met uitwendige kieuwen: dunne huidslipjes waar het bloed doorheen stroomt. Dat is in feite een plaatselijk zeer sterk ontwikkelde huidademhaling.

Bloedsomloop

Amfibieën hebben een dubbele bloedsomloop, die niet volledig gescheiden is. Het hart bestaat uit twee boezems en één kamer zonder scheidingswand. In de linkerboezem stroomt het bloed uit de longen, in de rechterboezem het bloed uit het lichaam. Beide stromen komen in de kamer samen en mengen zich daar gedeeltelijk; spierbalkjes in de kamer gaan een volledige menging van zuurstofrijk en zuurstofarm bloed tegen.

Omdat de huidademhaling zo belangrijk is, lopen er takken van de longslagaders naar de huid. Die voeren zuurstofarm bloed naar de huid, waarna het zuurstofrijk via de aders naar het hart terugkeert. Van het hart gaat het bloed dus naar longen en huid, vandaar weer naar het hart en dan het lichaam in.

Spijsvertering en voedsel

Amfibieën hebben niet veel voedsel nodig, omdat ze koudbloedig zijn. Hun stofwisseling ligt wel hoger dan die van vissen, omdat ze in een minder stabiel milieu leven en actiever moeten zijn. Volwassen amfibieën zijn vleeseters. Het belangrijkste voedsel bestaat uit insecten, wormen, slakken en andere kleine dieren. Een kikker vangt ze met zijn lange, kleverige tong, die voorin de bek vastzit en razendsnel naar buiten klapt. Grotere prooien worden met de kaken gepakt en in hun geheel doorgeslikt. Kikkervisjes zijn daarentegen vaak planteneters die algen van planten en stenen schrapen.

In de bek staan gelijkvormige, puntige tandjes, vooral in de bovenkaak en op het gehemelte; padden hebben geen tanden. Er is meer onderscheid tussen slokdarm en maag dan bij vissen, en de darm is verdeeld in een opgerolde dunne darm en een rechte dikke darm. Het spijsverteringskanaal is 0,5 tot 3 keer zo lang als het lichaam.

Voortbeweging

Voortbewegen op het land kost veel meer energie dan in het water. Amfibieën worden niet door het water gedragen en moeten hun lichaam van de grond tillen om vooruit te komen. Salamanders zijn op het land traag. Ze heffen het lichaam maar weinig op en slepen met de buik over de grond, geholpen door een zigzaggende, slangachtige beweging van de romp; sommige soorten kunnen over korte afstand snel vooruit.

Vuursalamander
Vuursalamander.

Padden zijn traag en lopen wat lomp, en sommige soorten hebben zwemvliezen tussen de tenen van de achterpoten. Kikkers springen en zwemmen goed, maar kunnen nauwelijks lopen en zitten in rust met de buik op de grond. Boomkikkers klimmen en springen van blad naar blad, met zuignapjes aan hun tenen.

Voortplanting en gedaantewisseling

Bij kikkers en padden klemt het mannetje zich op de rug van het vrouwtje vast. Die houding heet amplexus. Er is geen inwendige bevruchting: het vrouwtje zet de eieren af en het mannetje bevrucht ze op hetzelfde moment in het water.

Kikkers zetten veel eieren af in klompen, het kikkerdril, in het water of tussen planten, op een plek waar de zon kan instralen. De eieren hebben voor hun ontwikkeling warmte nodig. Padden leggen snoeren van eieren en salamanders zetten ze los af, vaak in een blaadje gevouwen. De eieren hebben geen schaal, maar worden omgeven door een heldere geleimantel, die bescherming biedt en de warmte vasthoudt. Juist in het ei verschillen reptiel en amfibie het sterkst: het reptielenei heeft een schaal en kan op het land liggen, het amfibieënei droogt daar binnen korte tijd uit.

Salamanders hebben een paringsritueel waarbij het mannetje het vrouwtje lokt en een pakketje zaad afzet, dat het vrouwtje opneemt. Hier is de bevruchting dus wel inwendig. Daarna legt zij de eieren, en sommige salamanders bewaken ze.

Bij voldoende warmte ontwikkelen de eieren zich en ontstaat een kikkervisje. Kikkervisjes liggen vaak op de bodem of hangen met hun zuignapjes aan planten; ze zweven niet zoals vissen vrij in het water. De zwaarte speelt in hun leven al een rol. De larve van een kikker heeft een verticaal afgeplatte staart om mee te zwemmen, twee zuignapjes op de kop om zich vast te zetten, en uitwendige kieuwen.

Bij verdere ontwikkeling verschrompelen de uitwendige kieuwen en breken er kieuwspleten door, die de keelruimte met de omgeving verbinden. Aan de schotten tussen de spleten ontstaan kieuwplaatjes: er zijn nu inwendige kieuwen. Aan weerszijden groeit een huidplooi over de kieuwspleten heen, zodat een kieuwholte ontstaat. Daarin groeien de voorpoten, die daardoor een tijd onzichtbaar zijn. De achterpoten zijn eerder te zien.

Terwijl de longen zich als uitgroeisels van de slokdarm vormen, worden de kieuwen en de staart van binnenuit afgebroken. Eerst is er nog een stadium waarin het kikkertje vier poten én een staart heeft. De bek verandert tegelijk van een kleine schraapbek in de brede kikkerbek, en de darm wordt korter omdat het dier van planteneter vleeseter wordt. Deze metamorfose duurt, afhankelijk van soort en temperatuur, enkele maanden. Het jonge kikkertje moet daarna lucht kunnen happen en gaat aan land.

Salamanderlarven houden hun uitwendige kieuwen tot aan de gedaantewisseling. Ze behouden hun staart, en bij hen verschijnen de voorpoten vóór de achterpoten, net andersom dan bij de kikker.

Waarin verschillen reptiel en amfibie?

Hoe verschillen reptiel en amfibie van elkaar, als ze allebei koudbloedig zijn en allebei vier poten kunnen hebben? Het verschil zit in de verhouding tot het water. Een amfibie heeft een dunne, vochtige huid zonder schubben, waardoor het ademt en water opneemt, en legt eieren zonder schaal in het water. Uit die eieren komen larven met kieuwen, die pas na een gedaantewisseling op het land kunnen leven.

Een reptiel heeft daarentegen een droge huid met hoornschubben, waardoor het niet uitdroogt maar ook niet meer kan ademen. Het legt eieren met een schaal op het land, en uit die eieren komt geen larve maar een kleine uitgave van de ouders. Ook de poten en klauwen, de langere nek en het hart met een gedeeltelijk gescheiden kamer onderscheiden het reptiel. Een salamander en een hagedis lijken daarom op elkaar, maar de een is een amfibie en de ander een reptiel. Voor de vraag wat is een amfibie en wat een reptiel, is de huid daarom de eenvoudigste eerste toets: vochtig en glad, of droog en geschubd. Meer over die tweede groep staat op de pagina over reptielen.

Amfibieën tussen water en land

Wat zijn amfibieën dus, als geheel bekeken? Wie de groep zo beschouwt, ziet dieren die halverwege blijven. Door het water te verlaten veranderde de omgeving: het gelijkmatige water dat de vissen droeg en omgaf, maakte plaats voor het veranderlijke klimaat op het land, waar het dier tegenover de elementen komt te staan. Dat vraagt om aanpassingen van het lichaam.

Op sommige punten zijn amfibieën landbewoners geworden, met ledematen en longen. Op andere punten blijven ze van het water afhankelijk, voor de opname van vocht via de huid en voor de voortplanting. Ook de zwaarte laat zich zien: het lichaam wordt niet meer door water gedragen, de buik rust op de grond, en iedere verplaatsing vraagt inspanning van het eigen lichaam. Voor hun activiteit hangen ze van de zonnewarmte af, en ook voor hun eieren zijn ze op de omgeving aangewezen, op warmte en op de kans dat een rover het dril vindt.

In de ontwikkeling van één kikker is die tussenpositie nog eens te volgen. Hoe de gewervelde dieren zich in de loop van de aardgeschiedenis ontwikkelden, beschrijft de pagina over evolutie; wie het vervolg zoekt aan de landkant, vindt bij de zoogdieren dieren die hun romp op rechte poten van de grond tillen. De amfibie maakt die stap in haar eigen leven maar half: het kikkervisje begint als een visje met kieuwen en zwemstaart, en het volwassen dier springt bij het minste gevaar nog altijd terug in het water.

Veelgestelde vragen

Wat is een amfibie?

Een amfibie is een koudbloedig gewerveld dier met een dunne, vochtige huid, dat zijn leven meestal begint als larve in het water en na een gedaantewisseling op het land leeft. Het ademt met longen, met de huid en met het slijmvlies van de mond. Kikkers, padden en salamanders zijn amfibieën.

Wat zijn amfibieën voor dieren?

Amfibieën zijn gewervelde dieren die tussen de vissen en de echte landdieren in staan. Ze leven deels in het water en deels op het land en blijven voor hun huid en hun eieren van vocht afhankelijk. Er zijn drie groepen: kikkers en padden, salamanders, en de pootloze wormsalamanders.

Wat zijn voorbeelden van amfibieën?

Bekende voorbeelden van amfibieën in Nederland zijn de bruine kikker, de groene kikker, de gewone pad, de rugstreeppad, de boomkikker, de kleine watersalamander en de alpenwatersalamander. Buiten Europa horen onder meer de gifpijlkikkers, de roodoogboomkikker en de Chinese reuzensalamander erbij.

Wat zijn de kenmerken van amfibieën?

De belangrijkste kenmerken zijn een dunne, klierrijke huid zonder schubben, ademhaling via huid, mond en longen, een hart met twee boezems en één kamer, koudbloedigheid, en eieren zonder schaal die in water worden afgezet. Uit het ei komt een larve met kieuwen, die door een gedaantewisseling verandert.

Waarin verschillen reptiel en amfibie?

Een amfibie heeft een vochtige, doorlatende huid en legt eieren zonder schaal in het water, waaruit larven komen. Een reptiel heeft een droge huid met hoornschubben en legt eieren met een schaal op het land, waaruit meteen kleine volwassen dieren komen. Meer over die groep staat op de pagina over reptielen.

Is een salamander een amfibie of een reptiel?

Een salamander is een amfibie, ook al lijkt hij op een hagedis. Hij heeft een gladde, vochtige huid zonder schubben, legt zijn eieren in het water en heeft een larve met uitwendige kieuwen. Een hagedis heeft een geschubde huid en is een reptiel.

Waarom moeten amfibieën in de buurt van water leven?

Hun huid laat water door en droogt snel uit, en hun eieren hebben geen schaal en moeten in water liggen. Daarom leven de meeste amfibieën in of vlak bij zoet water, of op vochtige plekken onder bladeren en stenen. In de paartijd trekken ze terug naar het water.

Hoe ademt een kikker?

Een kikker ademt op drie manieren: door de huid, door het slijmvlies van de mondholte en met zijn longen. De lucht wordt niet ingezogen met ribben of een middenrif, maar met de bodem van de bek de longen in gepompt. In de winterrust op de bodem van een poel is ademhaling via de huid voldoende.

Hoe wordt een kikkervisje een kikker?

Het kikkervisje heeft eerst uitwendige kieuwen en een zwemstaart. Daarna ontstaan inwendige kieuwen, groeien eerst de achterpoten en dan de voorpoten, vormen zich longen en wordt de staart van binnenuit afgebroken. Die gedaantewisseling heet metamorfose en duurt enkele maanden.

Kunnen amfibieën drinken?

Amfibieën drinken niet met de bek zoals zoogdieren. Ze nemen water op door hun huid, vooral via de buik en de dijen wanneer ze op een natte ondergrond zitten. Daarom is een vochtige omgeving voor hen zo belangrijk.

Wat is de grootste amfibie?

De grootste amfibie is de Chinese reuzensalamander, die meer dan anderhalve meter lang kan worden. Hij heeft een brede, platte kop en een lange staart en leeft in koele, snelstromende beken. De kleinste amfibieën zijn kikkertjes van nog geen centimeter.

↑