Waarnemen gebeurt met de zintuigen. Alles wat over de wereld bekend kan worden, begint met een zintuiglijke indruk: een kleur, een klank, een geur, de hardheid van een steen of de warmte van een hand. Dat er twaalf zintuigen worden onderscheiden, gaat terug op Rudolf Steiner. In de antroposofische benadering wordt het van belang geacht zoveel mogelijk alle zintuigen te ontwikkelen en te gebruiken, omdat ieder zintuig een ander aspect van de zintuiglijke werkelijkheid laat zien en omdat de zintuiglijke waarneming de basis vormt voor de relatie van de mens met zichzelf, met de omgeving en met de mensen in die omgeving. Goed waarnemen vraagt in die opvatting dat de zintuigen goed en veel worden gebruikt.
Van vijf naar twaalf zintuigen
De bekende indeling in vijf zintuigen – zien, horen, ruiken, proeven en tasten – gaat terug op de Griekse filosoof Aristoteles. Ze volgt de organen die aan de buitenkant van het lichaam zichtbaar zijn: ogen, oren, neus, tong en huid. Dat maakt de indeling helder, maar ze laat veel weg. Wie met gesloten ogen de eigen neus aanwijst, gebruikt een zintuig dat in dit rijtje niet voorkomt. Wie na een draaimolen duizelig uitstapt, ervaart een ander.
De fysiologie van de negentiende en twintigste eeuw heeft daarom meer zintuigen onderscheiden. Het evenwichtsorgaan in het binnenoor werd als apart zintuig herkend. De spierspoelen en peesorganen die stand en beweging meten, kregen van Charles Sherrington de naam proprioceptie. Warmte, kou en pijn bleken door eigen zenuwvezels te worden waargenomen, los van fijne aanraking. En de signalen uit het inwendige van het lichaam – honger, dorst, een volle blaas, het kloppen van het hart – worden tegenwoordig samengevat als interoceptie. Een vast getal is er in de fysiologie niet; het hangt ervan af of men telt naar orgaan, naar soort receptor of naar soort waarneming.
Steiner koos een andere maatstaf. Hij vroeg niet in de eerste plaats welk orgaan iets waarneemt, maar wat er wordt waargenomen. Zo kwam hij tot twaalf zintuigen, waarvan een deel samenvalt met wat de fysiologie kent en een deel daar buiten valt.
Drie groepen van vier
De twaalf zintuigen vallen in deze leer uiteen in drie groepen van vier, die zijn gericht op het waarnemen van:
- het eigen lichaam: tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin, ofwel de wilszintuigen;
- de omgeving: reuk, smaak, zien en warmtezin, de gevoelszintuigen;
- de niet-fysieke, geestelijke omgeving: gehoor, spraakzin, denkzin en de zin waarmee de ander als persoon wordt waargenomen, de geestelijke zintuigen.
De eerste groep werkt grotendeels onbewust. Ze wordt wilszintuigen genoemd, omdat ze nauw met het handelen verbonden is: bewegen, staan, grijpen. De tweede groep verbindt de mens met de stoffelijke wereld om hem heen en roept direct een gevoel op van aangenaam of onaangenaam, van sympathie of antipathie. De derde groep is gericht op wat in klank, taal en gedachte van een ander wezen tot uitdrukking komt.
De lichaamszinnen
De tastzin neemt aanraking en druk waar, en daarmee, zo wordt het in deze benadering gezien, vooral de grens van het eigen lichaam. De levenszin meldt de algemene toestand van het lichaam: honger en dorst, vermoeidheid, frisheid of een vaag onbehagen. Hij valt pas op wanneer er iets verandert. De bewegingszin neemt de stand en de beweging van de ledematen waar, van de ogen tot de vingertoppen, en de evenwichtszin de houding van het lichaam in de ruimte, tussen boven en onder, links en rechts, voor en achter.
Deze vier komen grotendeels overeen met wat de fysiologie tast, interoceptie, proprioceptie en evenwichtszin noemt. Het verschil zit vooral in de vraag die wordt gesteld. De fysiologie beschrijft receptoren en zenuwbanen; de zintuigleer van Steiner vraagt welke ervaring van zichzelf de mens door elk van deze zintuigen heeft.
De zintuigen voor de omgeving
De reuk neemt geurstoffen waar die met de adem de neus binnenkomen. De smaak neemt waar wat in de mond is opgelost: zoet, zuur, zout, bitter en hartig. Het zien neemt licht en kleur waar, en in samenwerking met de bewegingszin ook vorm. De warmtezin neemt de warmte van de omgeving waar, maar altijd in verhouding tot de eigen warmte: een emmer lauw water voelt warm aan voor een koude hand en koel voor een warme.
In deze groep speelt de ziel het sterkst mee. Een geur is zelden neutraal, een smaak evenmin, en ook kleuren en temperaturen worden onmiddellijk als prettig of onprettig ervaren. Daarom spreekt deze traditie van gevoelszintuigen.
De zintuigen voor de ander
De vier hoogste zintuigen zijn in deze leer gericht op iets wat niet stoffelijk is. Het gehoor neemt klank waar, en in de klank de innerlijke toestand van een ding: een gebarsten klok klinkt anders dan een gave. De spraakzin, ook woordzin genoemd, neemt klank waar als taal, als woorden. Dat is in de ervaring iets anders dan het horen van geluid: een onbekende taal wordt gehoord, maar niet als taal verstaan. De denkzin neemt de gedachte achter de woorden waar, en het hoogste zintuig – bij Steiner de „Ich-Sinn” – de ander als persoon, als eigen wezen.
Voor deze laatste drie bestaat geen afzonderlijk orgaan dat de anatomie kan aanwijzen. In de antroposofische benadering worden ze toch als zintuigen opgevat, omdat het waarnemen van een woord, een gedachte of een persoon in de ervaring even direct gebeurt als het zien van een kleur. Het is een indeling binnen die traditie, geen onderdeel van de gangbare zintuigfysiologie.
Correspondenties tussen boven en onder
In de antroposofische literatuur worden de lagere en de hogere zintuigen vaak paarsgewijs op elkaar betrokken: de tastzin met de zin voor de ander als persoon, de levenszin met de denkzin, de bewegingszin met de spraakzin en de evenwichtszin met het gehoor. Voor het laatste paar is er een anatomisch aanknopingspunt: evenwichtsorgaan en slakkenhuis liggen samen in het binnenoor. De andere paren zijn correspondenties die binnen deze traditie worden beschreven. In de vrijeschoolpedagogiek wordt daaruit afgeleid dat de verzorging van de lichaamszinnen in de eerste levensjaren samenhangt met de latere ontwikkeling van de hogere; zie ook de pagina over de eerste zeven jaar.
Waarnemen en levenskracht
In de antroposofische literatuur wordt verder een wisselwerking beschreven tussen het waarnemen met de zintuigen en wat daar gezondheid en levenskracht heet. Wie intensief en genuanceerd waarneemt, zou in die opvatting aan levenskracht winnen, en naarmate de levenskracht groter is, zou er genuanceerder en meer worden waargenomen. Dat is een uitspraak binnen die traditie en geen medisch gegeven.
Aandacht en gewenning
Een zintuig dat een prikkel ontvangt, levert daarmee nog geen bewuste waarneming. Kleding op de huid, het geruis van een koelkast of de geur van het eigen huis worden na korte tijd niet meer opgemerkt. De zintuigcellen passen zich aan een gelijkblijvende prikkel aan, en de aandacht wendt zich af van wat niet verandert. Wie een bekende omgeving opnieuw wil waarnemen, moet daarom iets doen wat tegen die gewenning ingaat: langzamer kijken, een ander zintuig gebruiken, de ogen sluiten en luisteren, of de plek op een ander uur van de dag bezoeken. Veel van de oefeningen in de fenomenologie zijn in wezen oefeningen in het opheffen van gewenning.
Ook oordelen staan het waarnemen in de weg. Zodra iets als „een gewone mus” of „onkruid” is benoemd, lijkt er weinig meer te zien. De fenomenologische werkwijze vraagt daarom eerst te beschrijven wat de zintuigen laten zien en het oordeel zo lang mogelijk uit te stellen. Een blad wordt dan eerst beschreven in zijn omtrek, zijn kleur, de nerven, de beharing en de geur bij het kneuzen, voordat de naam van de plant valt. Pas daarna wordt gevraagd wat die waarnemingen samen over de plant zeggen. Het omgekeerde, eerst de naam en dan de kenmerken, leidt er gemakkelijk toe dat alleen wordt gezien wat al bekend was.
Zintuigen bij dieren
De zintuigen van dieren laten zien hoe verschillend een wereld kan worden waargenomen. Vleermuizen oriënteren zich met de echo van hun eigen hoge roepen. Bijen zien ultraviolet licht en daarmee tekeningen op bloemen die voor de mens onzichtbaar zijn. Groefkopadders nemen met putjes tussen oog en neusgat de warmtestraling van een prooi waar. Haaien en roggen registreren de zwakke elektrische velden die spieren van andere dieren opwekken. Trekvogels oriënteren zich mede op het magnetisch veld van de aarde. Ieder dier leeft zo in een eigen zintuiglijke wereld, die de bioloog Jakob von Uexküll de „Umwelt” van het dier noemde. Het vergelijken van die werelden is ook een manier om de zintuigen van de mens scherper te zien.
De zintuigen in de fenomenologie
Voor de goetheanistische fenomenologie is de zintuigleer een praktisch uitgangspunt. Wie een plant of een dier wil leren kennen, begint bij wat de zintuigen laten zien, horen, ruiken en voelen, en probeert zo min mogelijk een zintuig over te slaan. Een eik wordt dan bekeken, betast, geroken, beklopt en met de armen nagebootst. Van een koe worden de geur, de warmte en de zware, rustige beweging even aandachtig waargenomen als de vorm. Ieder zintuig voegt iets toe wat de andere niet leveren.
De pagina's in deze reeks behandelen een aantal zintuigen afzonderlijk: de tastzin, de bewegingszin, de evenwichtszin en de reuk. Ze beschrijven telkens eerst hoe het zintuig lichamelijk is gebouwd en werkt, en daarna hoe het in de fenomenologische manier van kijken wordt gebruikt. De bouw van de zintuigorganen zelf is in de embryonale ontwikkeling al vroeg aangelegd; het binnenoor, het oog en de reukplacode ontstaan als verdikkingen van de buitenste kiemlaag, zoals de pagina over de vierde week laat zien.
Veelgestelde vragen
Wat zijn de twaalf zintuigen?
In de indeling van Rudolf Steiner zijn het tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin; reuk, smaak, zien en warmtezin; en gehoor, spraakzin, denkzin en de zin waarmee de ander als persoon wordt waargenomen. Ze worden in drie groepen van vier ingedeeld.
Wie heeft de twaalf zintuigen beschreven?
De indeling in twaalf zintuigen gaat terug op Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie, die haar in het begin van de twintigste eeuw in voordrachten uitwerkte. In de antroposofische pedagogiek en in de goetheanistische natuurwetenschap wordt ze verder gebruikt.
Waarom spreekt men meestal van vijf zintuigen?
De indeling in zien, horen, ruiken, proeven en tasten gaat terug op de Griekse filosoof Aristoteles. Ze volgt de zichtbare zintuigorganen: ogen, oren, neus, tong en huid. Zintuigen zonder duidelijk uitwendig orgaan, zoals de evenwichtszin, vallen er buiten.
Hoeveel zintuigen onderscheidt de fysiologie?
De moderne fysiologie telt er meer dan vijf, maar er is geen vast getal. Naast de klassieke vijf worden onder meer evenwichtszin, proprioceptie, temperatuurzin, pijnzin en het waarnemen van de toestand van de eigen organen onderscheiden. Het aantal hangt af van de vraag of men telt naar orgaan, naar soort receptor of naar soort waarneming.
Wat zijn de lichaamszinnen?
De lichaamszinnen zijn de vier zintuigen die op het eigen lichaam zijn gericht: tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin. In de antroposofische literatuur worden ze ook wilszintuigen of lagere zintuigen genoemd.
Wat is de levenszin?
De levenszin neemt de algemene toestand van het lichaam waar: honger, dorst, vermoeidheid, frisheid of onbehagen. De fysiologie spreekt van interoceptie, de waarneming van signalen uit het inwendige van het lichaam. Meestal werkt deze zin onopgemerkt en valt hij pas op wanneer er iets verandert.
Wat is het verschil tussen gehoor en spraakzin?
In Steiners indeling neemt het gehoor klank waar, de spraakzin daarentegen klank als taal: dat een reeks geluiden woorden vormt. De denkzin gaat daar nog een stap verder en neemt de gedachte achter de woorden waar. Het gaat om een onderscheid binnen die traditie, niet om aparte organen die de anatomie kent.
Waarom zijn de zintuigen belangrijk bij het waarnemen van de natuur?
Ieder zintuig laat een ander aspect van een verschijnsel zien: vorm en kleur, geur, klank, warmte, beweging, gewicht. In de goetheanistische fenomenologie wordt daarom geprobeerd zoveel mogelijk zintuigen bewust bij het waarnemen van een plant of dier te betrekken.
Hoort de reuk bij de lichaamszinnen?
Nee. In de indeling in twaalf hoort de reuk bij de middelste groep, samen met smaak, zien en warmtezin. Die zintuigen zijn op de omgeving gericht en worden in de antroposofische literatuur gevoelszintuigen genoemd.
