Hoorns en
geweien
Deze
pagina is gewijd aan hoorns en geweien. Veel hierover is al op de
pagina’s van de diersoorten te vinden.
De
volgende soortengroepen van de hoefdieren hebben hoorns of een gewei:
- Neushoorns
- Runderen
- Antilopen
- Geiten
- Giraffen
- Herten
Dit zijn op de
neushoorns na allemaal herkauwers. De hoorns van runderen, geiten en
antilopen zijn in grote lijnen gelijk.
Hoorns en wratten
De
hoorn van de neushoorn is anders gevormd dan de andere hoorns. Zijn
hoorn (of hoorns: sommige soorten hebben er twee achter elkaar) is
alleen gevormd uit keratine, materiaal gevormd door de opperhuid en
hij is dood. Deze hoorn kan worden afgesneden en groeit weer aan. De
andere hoorns bestaan uit een levende beenpit met er omheen lederhuid
en opperhuid met een dode hoornlaag.
De neushoorn is een
onevenhoevige en de andere dieren zijn evenhoevige herkauwers. Bij de
varkensachtigen komen geen hoorns voor. Wel zijn er een paar soorten
die wratten hebben. Wratten bestaan uit opperhuid en lederhuid. Ze
staan tussen de neus en de ogen in en zijn gevoelig en levend.
We
zien dat:
- De neushoorn
hoorns heeft op de neus die alleen uit opperhuid bestaan.
- Wrattenzwijnen
wratten hebben tussen de neus en de ogen en uit opperhuid en
lederhuid bestaan.
- Herkauwers hoorns
hebben die op het voorhoofd staan en uit opperhuid, lederhuid
en
been bestaan. De hoorns zijn gevoelig en warm en de temperatuur van
het dier is er te voelen.
De
lagen van de huid. 1. opperhuid, 2. lederhuid, 3.
bot (overgenomen uit Schad)
De
spijsvertering van deze drie diergroepen is ook verschillend.
- De neushoorn heeft
een grote blinde darm en verteert zijn voedsel grotendeels achterin
zijn darmstelsel.
- Varkens hebben een
goed ontwikkelde maag en verteren hun voedsel in het midden van het
darmstelsel.
- Herkauwers hebben
een pens en twee andere magen voor hun eigenlijke maag die voor de
vertering zorgen. Zij verteren hun voedsel voorin hun darmstelsel.
| soort |
plaats |
opperhuid |
lederhuid |
bot |
spijsvertering |
| neushoorn |
neus |
+ |
|
|
blinde darm
|
| zwijnen |
tussen neus en ogen
|
+ |
+ |
|
maag |
| herkauwers |
voorhoofd
|
+ |
+ |
+ |
pens |
Gegevens
van hoorns en wratten
Boven:
kop en hoorns van neushoorn, wrattenzwijn en bizon;
onder:
aandeel van de huidlagen bij van links naar rechts: de hoorn van de
neushoorn, de wratten van het knobbelzwijn en de hoorn van een koe
(1. opperhuid, 2. lederhuid, 3. bot)
(overgenomen uit Schad)
Hoorns
en
geweien
Bij
de herkauwers vinden we hoorns en geweien. Ze staan alle op het
voorhoofd. De hoorns van de giraf zijn anders gevormd dan die van de
runderen, geiten en antilopen (holhoornigen) en een gewei is iets
anders dan een hoorn.
De hoorns van de giraf
zijn recht en
circa 25 cm lang. Aan het eind zijn ze stomp. Om de hoorns zit zachte
huid en aan de bovenkant een krans van haren. Aan de uiteinden is het
bot vaak zichtbaar. Bij stieren kunnen er door afzetting van kalk nog
drie bulten of hoorns bijkomen, twee achter op de schedel en een voor
de hoorns. De giraf wordt al met hoorns geboren. Ze liggen plat. Na
de geboorte richten ze zich op.
Hoorns van holhoornigen
komen
bij beide geslachten of alleen het mannetje voor en ontstaan pas na
de geboorte. Ze zijn recht, gebogen of gedraaid en ze eindigen in een
scherpe punt. Ze kunnen glad zijn of met ribbels. De holten in de
beenpit staan in verbinding met de neusholtes. Hoorns kunnen
afmetingen hebben van een paar cm tot meer dan 1 meter.
Opvallend is dat bij rassen van runderen (bij wilde soorten ziet men
dat niet) lange hoorns voorkomen in warme streken zoals Afrika
(Watusirund) en Texas (longhorn) en hoornloze rassen in
Scandinavië
en Groot Britannië. De hoorns van de Nederlandse runderen
zoals
Maas, Rijn en Ijsselvee en Fries-Hollandse koeien zijn korter dan van
Franse en Zwitserse runderen.
Geweien
van herten
komen alleen bij de mannetjes voor. Alleen bij het rendier
heeft een vrouwtje ook een gewei. Het gewei bestaat uit vertakt, kaal
bot. Het voelt koud aan en is levenloos. Het wordt ieder jaar opnieuw
gevormd en wordt na enige maanden weer afgeworpen. Tijdens de groei
heet het gewei een bastgewei. Van binnen naar buiten is er bot (dat
snel wordt afgezet en verbeent), aderen en zenuwen en aan de
buitenkant de huid. Als het gewei is volgroeid sterft de huid af en
wordt afgeveegd. Het aantal takken of einden neemt toe met de
leeftijd. De vorm van het gewei varieert tussen recht via bolvormig
tot ovaal en afgeplat.
De verschillen van een giraf met
holhoornigen zijn dat:
- de
huid van de
hoorn van een rund verhoornd is en die van de giraf zacht blijft;
- de
hoorn van een
rund uitloopt in een punt en die van een giraf recht en stomp is;
- hoorns
van
holhoornigen vaak inwikkelen en van de giraf recht zijn;
- bij
runderen de
hoornlaag de gehele hoorn bekleedt, terwijl bij de giraf de hoorn met
gewone huid is bedekt en bovenaan een krans van haren staat;
- een
giraf met
hoorns wordt geboren en ze bij holhoornigen pas na de geboorte
ontstaan;
- runderen
twee hoorns hebben en mannelijke giraffen twee hoorns en tot
drie
verbeningen.
Hoorn-
en geweivormen bij herkauwers. A. giraf, B. hert, C. holhoornige
(overgenomen uit De Gaay Fortman et al.) 1 = voorhoofdsholte, 2 =
bot, 3 = uitsteeksel van het voorhoofdsbeen, waarop dit bot groeit, 4
= lederhuid, 5 = slijmlaag, 6 = opperhuid of hoornlaag, waaruit de
haren naar buiten steken. Bij het gewei is 3 de rozenstok en de
verdikking erboven de rozenkrans.
Bij de holle hoorn is 6 de sterk
ontwikkelde hoornschede.
| kenmerk |
giraf |
herten |
holhoornigen |
| lagen |
3 |
3 bij groei, daarna
1 (bot) |
3 |
| dood, levend |
levend |
dood |
levend |
| opperhuid |
soepel |
soepel bij de groei,
sterft af en wordt afgeveegd |
verhoornd
|
| groei |
permanent
|
jaarlijks
|
permanent
|
| aantal |
2 – 5
|
2, alleen bij
mannetjes, m.u.v. rendier |
2 |
| vorm |
recht |
vertakt, uitwaaierend
|
inwikkelende spiraal
|
Kenmerken
van hoorns en geweien
Hoorn-
en geweivormen
Rechte hoorns komen voor bij kleine antilopen,
paardantilopen en gemzen, dieren die hun voedsel selecteren en die
gekenschetst zijn als zenuw-zintuigdieren. Dat geldt ook voor herten
met een recht gewei, zoals het ree.
Sterk gebogen
hoorns komen voor bij runderen, gnoes en de muskosos, dieren die
laagwaardig voedsel eten en die gekenschetst zijn als
stofwisseling-ledematendieren. Bij de herten zien we dit bij de
eland.
Tussenvormen
komen
voor bij zogenaamde “intermediate feeders”, dieren
die zowel
selecteren als grazen en die gekenschetst zijn als hart-longdieren.
Bij de herten is het edelhert een goede vertegenwoordiger.
Het rechte gewei
van het ree, het bolvormige van het edelhert en het ovale van de
eland