Runderen
Bij
de runderen worden vier geslachten onderscheiden: de Aziatische
buffels, de Afrikaanse buffels, de echte runderen en de bizons. De in
1992 ontdekte Saola uit Vietnam, die nauwelijks is beschreven laat ik
buiten beschouwing. Sommige rundersoorten zijn algemeen bekend en
enkele zijn zeldzaam en weinig bekend.
Runderen hebben een
groot, massief, rond, enigszins tonvormig lichaam met een brede kop,
die naar de bek toe slechts weinig wordt versmald. De hoorns staan
boven op aan de zijkant van de schedel.
Alle runderen hebben
een uitstekend reukvermogen en een goed gehoor. Het gezichtsvermogen
is goed, maar ze nemen vooral bewegende voorwerpen waar en
stilstaande voorwerpen alleen van dichtbij. De goed ontwikkelde
smaakzin en de tastzin van de lippen zijn van belang bij het
selecteren van voedsel. Ze geven de voorkeur aan de sappigste
plantendelen. Als ze niet eten, herkauwen ze. Ze slapen slechts kort
achtereen (2 – 8 minuten per keer) en niet meer dan een uur
per
dag.
Ze hebben weinig mogelijkheden voor gelaatsexpressie.
Daartegenover staat dat ze ze veel mogelijkheden hebben om via hun
lichaamshouding en beweging van het lichaam duidelijk te maken wat ze
willen. Met name doen ze dit met de houding van de kop en hoorns. Een
laag geplaatst dier houdt de kop lager dan een dier dat hoger in rang
is. Bij woede schrapen ze met hun poten over de grond. Bij de
verdediging tegen vijanden speelt de kudde een rol, een enkel dier
houdt vaak de wacht en waarschuwt de andere. De hoorns spelen bij de
verdediging een belangrijke rol.
Buffels
Aziatische buffels
Hiertoe
behoren de waterbuffel, met als ondersoort de tamaroe, en de anoa.
Het zijn gedrongen dieren met een donker gekleurd, meestal dicht en
kort behaard lichaam. De hoornkernen zijn driehoekig in doorsnede. De
hoorns zijn aan de bovenkant plat. Halskwabben of een schoft komen
niet voor.
Waterbuffel
De
waterbuffel is het bekendst en is wijd verspreid omdat ze als
huisdieren worden gehouden (130 miljoen, waarvan 50 miljoen in
India). Men maakt onderscheid tussen moerasbuffels voor het werk in
de rijstvelden (ploegen, transport, dorsen) en rivierbuffels, die
meer geschikt zijn als melkvee (tot 3000 l/jaar, 7 – 10%
vet). De
wilde waterbuffel leeft in reservaten in het noorden van het Indisch
subcontinent en Zuidoost Azië nabij grote rivieren in
grasjungles en
moerassen in kuddes van 10 – 20 dieren.
Het zijn
gemoedelijke dieren, die vaak in het water vertoeven waarbij veelal
alleen de kop met de hoorns boven water uitsteekt. Ze nemen vaak
modderbaden.
De vacht is grijszwart, de poten zijn vuil-wit
van de hoeven tot de knieën. Onder de kaak zit een witte
lijst. De
kop zit ongeveer op de hoogte van de rug. De nek is vrij kort en niet
opvallend dun. Opvallend zijn de grote oren. De hoorns staan aan de
zijkant en zijn zwaar. Ze gaan naar opzij en zijn naar achteren
gebogen en liggen in een plat vlak. De hoorns zijn gegroefd. Bij de
stieren zijn aan de basis tussen de hoorns verhoornde platen gevormd.
Tamaroe
De
tamaroe komt alleen voor in bamboewouden op het eiland Mindoro
(Filippijnen). Het dier leeft solitair, is vooral ’s nachts
actief
en is agressiever. Evenals de waterbuffel baadt hij. De vacht is
donker bruingrijs tot zwart. De hoorns zijn kort, breed en gedrongen.
Verder ziet hij eruit als een kleine waterbuffel.
Anoa
of gemsbuffel
De
anoa of gemsbuffel komt alleen voor op Sulawesi in moerassig bos. Het
is een onstuimig dier, dat solitair leeft. Wanneer anoa’s in
het
nauw worden gedreven, vallen ze blindelings aan. De anoa is een
miniatuuruitgave van de waterbuffel en ziet er antilope-achtig uit.
Het dier is slank en de gestalte is sierlijk. De schedel wordt
smaller naar de bek toe. De huid is zwart en schaars behaard. De
jongen zijn wollig en bruin. De hoorns zijn kort, plat driehoekig,
glad tot gegroefd en staan min of meer recht naar
achteren.
Afrikaanse
buffel
De
Afrikaanse buffel is een massief dier en leeft in kuddes van 30 tot
60 koeien, de stieren zijn solitair. Het zijn uitgesproken gewillige
dieren, maar ook hun agressie is bekend.
In hun omgeving
hebben ze water nodig, maar ze maken er niet zoveel gebruik van als
de Aziatische buffel.
De vacht is egaal bruinachtig zwart, de
poten zijn zwart. Ze hebben een vrij lange nek. De hoornkernen zijn
driehoekig en aan de bovenkant plat. De stieren hebben een zware
hoornknobbel op de schedel. De hoorns gaan eerst opzij en buigen
daarna naar boven en naar binnen. Bij oudere stieren komt een
spanwijdte voor van meer dan een meter. Onder de hoorns staan grote
oren met een gerafelde rand.
Een kudde van ongeveer 10 buffels
valt een leeuw aan en ze vormen voor welpen van leeuwen een van de
meest geduchte vijanden, omdat leeuwen voor deze dieren op de vlucht
gaan en hun welpen onbeheerd achter laten.
Echte
runderen
De
echte runderen zijn het (uitgestorven) oerrund, de banteng, de gaur,
de kouprey en de Tibetaanse yak. Banteng, gaur en kouprey zijn nauw
verwant. Het zijn donker gekleurde dieren met een kortharige vacht.
De yak is langharig. De hoornkernen van de echte runderen zijn rond.
Bij sommige soorten komen goed ontwikkelde halskwabben en een kwab op
de schoft voor.
Gaur
en gayal
De
gaur leeft nog in enkele verspreide kuddes op het Indisch
subcontinent en in Zuidoost Azië in hooggelegen wouden met
open
plekken. Het zijn de grootste rundersoorten.
Ze hebben een
groot, gedrongen, gespierd massief lichaam met een hoge, verlengde
schoft tot halverwege de rug. Daarnaast hebben ze een kleine kwab
onder de kin en een grote tussen de voorpoten. Ze hebben lange poten.
De kop is relatief klein en met een tamelijk dunne hals aan het
lichaam verbonden. De schedel is gestrekt met een lange snuit. De kop
zit laag ten opzichte van de ruglijn. Tussen de hoorns zit een hoge
hoornkam. Evenals de volgende twee soorten hebben ze een hoog
achterhoofd. De hoorns steken opzij uit en gaan eerst iets naar
beneden en dan gebogen naar boven en naar achteren, waarbij de punten
naar binnen buigen. De spanwijdte kan 1,20 meter bedragen. De
volwassen stieren zijn zwart met witte sokken tot de
‘knie’. De
jonge stieren en koeien hebben ook witte sokken en zijn donkerbruin.
Ze leven in kleine kuddes van 10 – 20 koeien en stieren.
De
gayal is de gedomesticeerde vorm van de gaur. Het is een kleiner en
vriendelijker dier. Hij heeft kegelvormige hoorns. Ze lopen vrij rond
in het bos, maar blijven bij de dorpen, omdat daar de zoutstenen
staan, waar ze graag van likken. Ze worden gebruikt om op feestelijke
gelegenheden te worden geslacht.
Banteng
De
banteng komt voor in Indo-China en enkele eilanden van
Indonesië.
Het dier leeft in vrij dichte bossen met open plekken. Op Bali is het
dier gedomesticeerd en wordt het gebruikt voor het ploegen en voor de
slacht.
Hij is beduidend kleiner en sierlijker dan de gaur en
lijkt in algemeen voorkomen meer op het huisrund. De poten zijn (in
vergelijking met de gaur) langer en slanker en de schoft is lager. De
kop is in verhouding klein, maar zit minder laag dan bij de gaur, en
is met een slanke hals met de romp verbonden. De hoorns zijn glad,
rond en dik aan de basis. Ze staan aan de zijkant en gaan eerst iets
naar beneden en buigen dan naar boven en weer naar binnen. Tussen de
hoorns is er een verhoornde plaat, zoals bij de Afrikaanse buffel. De
volwassen stieren zijn donker kastanjebruin tot zwart, jonge stieren
en koeien zijn roodachtig bruin. Alle hebben een witte band om de
snuit, witte sokken en een witte spiegel.
Kouprey
De
kouprey leeft op open plekken en beboste savannen van Zuidoost
Azië.
Het dier is pas in 1937 ontdekt. In lichaamsgrootte staat het dier in
tussen de gaur en de banteng. Er is weinig van het dier bekend.
Het
heeft een slank lichaam en lange poten. De stieren hebben een zeer
lange kwab aan de hals en een lange, maar weinig verhoogde schoft. De
stieren zijn zwart of zeer donkerbruin met vaak grijze vlekken op het
lichaam. De jonge stieren en koeien zijn grijs, de onderste delen
zijn lichter en borst en voorpoten zijn donkerder gekleurd. Alle
dieren hebben witte sokken. De hoorns zijn lang en slank, ongeveer
zoals bij de yak. Die van de koeien zijn liervormig. Bij de stieren
buigen de hoorns eerst opzij en dan naar boven en naar voren en met
de punten naar binnen. De hoornpunten zijn rafelig.
Yak
De
yak komt voor op de bergtoendra en ijswoestijnen van de Tibetaanse
hoogvlakte. Ze worden als huisdieren gehouden en gebruikt als
lastdier, voor de melk (1000 l/jaar, 8% vet) en voor het vlees.
Gedomesticeerde dieren zijn kleiner dan wilde soortgenoten. Het zijn
zwaargebouwde dieren, waarvan de stieren tot 1000 kilo wegen. De
koeien zijn slechts een derde ervan. Opvallend, omdat bij de andere
soorten de koeien maar 25% lichter zijn dan de stieren.
Ze
hebben een lange hoge schoft en hoge gebulte schouders, een rechte
rug en niet zo lange, stevige poten. De kop is breed en kort en zit
laag ten opzichte van de ruglijn op een dikke hals. De hoorns staan
naar opzij en buigen dan naar boven en naar voren, daarna weer naar
achteren. De spanwijdte is tot 1 meter. De vacht is pluizig met
lokken ruig, lang haar met een dichte ondervacht. De kleur is
zwart-bruin met wit rond de snuit. Ze kunnen worden gekruist met het
Europese rund en de zeboe, maar de nakomelingen zijn
onvruchtbaar.
Oerrund
Oerrunderen
waren massieve dieren met een grote voorhand. De ruglijn liep recht,
de kop zat ongeveer op rughoogte. De nek was kort en dik, er was geen
halszak, de kop was slank en lang. De kleur van de stieren varieerde
van zwartbruin tot zwart met een lichte aalstreep over de rug. Ze
droegen grote zijwaarts en dan naar boven en naar voren gerichte
hoorns, de punten naar buiten. De koeien waren roodbruin. Rond de
lippen hadden ze een witte bies.
Uit het oerrund zijn veel
rassen gefokt. Behalve de in het westen voorkomende rassen ook de
zeboe. Dit is een in Zuidoost Azië voorkomend type met een
hoge
schoft en een groot kossum, de kwab onder de hals. De bult van de
zeboe is opgebouwd uit vet en spieren en niet zoals bij de andere
soorten van de echte runderen uit uitsteeksels van de
wervels.
Bizon
en wisent
Bizon
en wisent komen voor in Amerika en Europa. De bizon is Amerikaans en
de wisent Europees. Het zijn nauw verwante dieren. Ze kunnen met
elkaar worden gekruist en krijgen vruchtbare nakomelingen. Ook met
het tamme rund zijn kruisingen mogelijk, maar de nakomelingen daarvan
zijn onvruchtbaar.
Het zijn massieve dieren (tot 1000 kg) met
een groot voorlichaam met een grote schoft en een klein gebouwd
achterlichaam. De lange beharing aan hals, kop, schouders en
voorpoten en de baard versterken dit. De kop is breed en kort en zit
met een korte nek laag aan de romp. De gladde hoorns zijn niet erg
lang (tot 45 cm) en zijn laag in de kop ingeplant en steken naar de
zijkant uit. Eerst gaan ze opzij en daarna buigen ze naar boven en
naar binnen. Dit alles is bij de grotere bizon sterker dan bij de
wisent.
De hoorns van de bizon zijn korter en dikker,
gedrongener, dan van de wisent. Die van de wisent steken wat meer
naar voren. De wisent is hoogbeniger en heeft een minder zware kop.
De vacht van beide is roodachtig-bruin tot donkerbruin. Bizons grazen
meer en wisenten eten meer bladeren. Bizons komen voor op grasland,
open bosland en in naaldbossen en leven nu vooral op de prairies,
voor hun massale afslachting ook in wouden. De wisent leeft in
gemengd bos met ondergroei en open plekken.
Aan het begin van
de 18e eeuw kwamen er waarschijnlijk meer dan 60 miljoen bizons voor
in Amerika, in 1930 waren dat er nog 20.000. Door ingrijpen van
natuurbeschermers konden de laatste duizenden dieren worden gered. Nu
leven er circa 30.000 bizons in de vrije natuur. Daarnaast worden er
nog een half miljoen gehouden voor hun vlees en huiden. De wisent is
in het wild in 1919 uitgestorven en later vanuit populaties in
dierentuinen weer uitgezet in Polen en Rusland, waar het dier nu nog
leeft. In Polen leven er ongeveer 2.000.
Karakteristiek
De
echte runderen vallen uiteen in vier groepen: Aziatische buffels,
Afrikaanse buffels, echte runderen en bizons (bizon en wisent). Alle
dieren hebben een groot, massief lichaam en grote hoorns. De
verschillen zijn klein. Wanneer we de buffels als een groep zien,
zijn er drie groepen.
De echte runderen hebben de langste
poten en lange opzij gerichte hoorns. De bizons hebben de grootste
massa aan de voorzijde van het lichaam, hun hoorns staan opzij of
naar achteren. De buffels hebben een massief lichaam, de hoorns staan
naar achteren of opzij, bij de anoa rechtop. Voor het kleinste dier
is dat niet vreemd, we zagen dat al eerder bij de geiten, herten en
antilopen. Agressie komt voor bij de buffels (Afrikaanse buffel en
anoa) en ze zoeken het water op.
De gaur is het grootste rund
met een laag zittende kop en hij is zwart met witte sokken en zou
daarom wel in aanmerking komen om als meest verstofwisselde dier te
gelden. Daar staat echter tegenover dat het dier lange poten heeft en
een kop die op een relatief dunne en lange hals staat. Verder is er
uit dit dier het huisdier de gayal gefokt. Wat betekent dat er een
relatie mogelijk is met de mens, wat pleit voor zintuigkarakter. Wat
voor de gaur opgaat, geldt ook voor de andere vertegenwoordigers van
de echte runderen.
De bizons hebben minder lange poten, zijn
gedrongener en hebben een extreem groot voorlichaam met een uit
verhouding klein achterlichaam. De hoorns zijn kort en gedrongen en
draaien naar binnen. Als huisdier worden ze niet gebruikt. Daar staat
tegenover dat ze niet zwart maar bruin zijn. Ook kan worden genoemd
dat de bizon wat korter en hoger is en dus meer gedrongen dan de
runderen. Sommige runderen zijn wel hoger maar dat komt door de
langere poten.
De echte runderen vallen uiteen in drieën:
oerrund, yak en de drie Aziatische dieren. Kouprey, gaur en banteng
staan hoog op de poten, hebben een gespierd lichaam, de kop extreem
laag, een grote schoft en halszak en de hoorns zijn naar binnen
gedraaid met een beenplaat op de schedel. Oerrund en yak staan lager
op de poten, de kop is sterker met lichaam verbonden. De yak heeft
kop laag, de oerrund op rughoogte. De hoorns van de yak staan naar
opzij, die van het oerrund meer naar boven en opzij. De oerrund heeft
een lichte aalstreep. Bij de yak is het verschil tussen stier en koe
opvallend groot (een middengroepkenmerk). Yak, oerrund en banteng
zijn gedomesticeerd, de gaur ook, maar is minder in gebruik. Eerste
drie zijn opener voor invloed van buitenaf. Dit zou erop wijzen dat
het oerrund het zintuigdier is, de yak het middendier en de
Aziatische soorten de stofwisselingsgroep zijn. Van de Aziatische
soorten verschillen bij de banteng stier en koe aanzienlijk in
grootte en kleur (middengroep; wellicht wijst de witte spiegel hier
ook op). De gespierde, grote gaur is dan het stofwisselingsdier. De
kouprey is slank en het ledematendier.
Conclusies
- De echte runderen
zijn de zenuw-zintuigdieren (lange ledematen, beleerbaar)
- De buffels zijn de
hart-longdieren (relatie met water, agressie komt voor)
- De bizons zijn de
stofwisseling-ledematendieren (hoorns opzij en naar binnen gericht,
massieve voorhand).
Witte
sokken
De
witte sokken verschijnen bij de runderen nadrukkelijk. Eerder zagen
we de witte onderpoten bij de eland en de muskusos. De dieren die
witte sokken hebben zijn alle donkerbruin of zwart en behoren tot de
grote stofwisselingsdieren uit de stofwisseling-ledematengroep. Het
lijkt of de lichte kleur aan de bovenkant (met de aalstreep) is
verdwenen en dan aan de onderkant bij de hoeven weer
terugkomt.
| kenmerk |
gewicht
stier |
gewicht
koe |
kop-romp
lengte |
hoogte |
hoornlengte
stier |
| waterbuffel |
1000-1200
|
800 |
240-280
|
160-190
|
100 |
| tamaroe |
400 |
-- |
-- |
100 |
35-50
|
| anoa |
150-300
|
-- |
180 |
85 |
25-30
|
| Afrikaanse
buffel |
800 |
480 |
240-340
|
135-170
|
50-150
|
| banteng |
600-900
|
-- |
180-200
|
160 |
60-75
|
| gaur |
1000 |
700 |
260-300
|
200 |
80 |
| kouprey |
900 |
700 |
-- |
200 |
80 |
| yak |
1000 |
300 |
325 |
200 |
80 |
| oerrund |
1000 |
800 |
310 |
180-200
|
80 |
| bizon |
820 |
545 |
280 |
200 |
40 |
| wisent |
900 |
-- |
290 |
180-200
|
45 |
Gegevens van
runderen
|
Afrikaanse
buffel, een massief lichaam, hoorns staan opzij
Een waterbuffel, hoorns wijzen naar achteren
Een tamaroe, een kleine buffel met stevige, rechtere hoorns
Een anoa, klein, hoorns staan recht naar achter
Waterbuffels voor de ploeg
Een groep Afrikaanse buffels
Hoorns van Afrikaanse (boven) en waterbuffel
Gaur, gespierd, hoge schoft en grote hoorns
De kop van een gaur
Banteng stier (zwart) en koe (bruin)
Een banteng koe met kalf, de hoorns zijn kleiner dan bij de stier
Kouprey: een slank lichaam, hoge schoft
Een yak: de hoorns staan opzij
Bizon: korte opzij staande hoorns
Bizon met een kalf
Wisent: massieve voorhand
Een Heck stier: een teruggefokt oerrund
Een afbeelding van een oerrund
|