Dynamisch

De mens – een ongespecialiseerd zoogdier

Opvallend lang zijn de benen van de mens in vergelijking tot de armen, bij de chimpansee is dat niet zo, daar zijn juist de a
Opvallend lang zijn de benen van de mens in vergelijking tot de armen, bij de chimpansee is dat niet zo, daar zijn juist de armen langer.

In de vergelijking van de gewervelde dieren staat de mens aan het eind van de rij, na de vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren. Die rij wordt per orgaanstelsel uitgewerkt op de pagina over ontwikkelingslijnen. Deze pagina bekijkt wat de mens in die vergelijking eigen is.

Specialisatie

De mens wordt gezien als een weinig gespecialiseerd zoogdier. Als zijn belangrijkste eigenschappen of specialisaties gelden:

Schrijven: een bijzonder menselijk vermogen, mogelijk door de opponeerbare duim en het gebruik van gereedschappen, zoal de pe
Schrijven: een bijzonder menselijk vermogen, mogelijk door de opponeerbare duim en het gebruik van gereedschappen, zoals de pen.
  • het rechtop lopen,
  • het gebruik van gereedschappen,
  • de spraak en
  • het zelfbewuste denken.

Jos Verhulst wijst er echter op dat deze eigenschappen juist zijn ontstaan omdat de mens zich niet specialiseert. Ze zijn volgens hem het gevolg van het behouden van de foetale lichaamsvorm en van de lange embryonale en jeugdige ontwikkelingstijd (Verhulst, Der Erstgeborene). Organen en lichaamsdelen die in het embryo laat ontstaan, hebben door die lange ontwikkelingstijd veel tijd om te groeien en zich te ontwikkelen.

Voorbeelden van het behoud van foetale vormen zijn:

  • de ronde schedelvorm
  • de ingehouden, ronde onderkaak
  • de ronde, gesloten tandenrij
  • de spaarzame beharing.

Voorbeelden van de lange ontwikkelingstijd zijn:

  • de lange benen ten opzichte van de armen
  • de lange bovenarmen en de nog langere bovenbenen (de benen ontstaan later dan de armen, en de bovenarmen en -benen later dan de onderarmen en -benen)
  • de grote grote teen
  • de grote omvang van de neocortex van de grote hersenen
  • het laag liggende strottenhoofd.

Ontwikkelingen als deze hebben volgens Verhulst eigenschappen als het rechtop lopen, de vrije handen, de spraak en het denken tot gevolg gehad. De achtergrond van die theorie, die teruggaat op de Amsterdamse anatoom Louis Bolk, staat op de pagina over de mens en de chimpansee.

Leren

Daar komt bij dat de mens bijna alles moet leren, terwijl een dier voor een groot deel uit instinct handelt. Het leervermogen van zoogdieren is groter dan dat van reptielen, en dat van de mensapen behoort tot het grootste onder de zoogdieren. Het leervermogen van de mens gaat daar nog ver bovenuit.

Veel hoefdieren kunnen al kort na de geboorte lopen. Een mensenbaby leert pas in de loop van het eerste levensjaar staan en lopen, na veel oefenen en in voortdurende omgang met de mensen om zich heen. Voor de spraak en de taal geldt dat nog sterker: een kind leert spreken door te luisteren en na te bootsen. Daardoor leren Japanse kinderen Japans en Nederlandse kinderen Nederlands, en een kind dat in Japan opgroeit, spreekt Japans, ongeacht waar zijn ouders vandaan komen.

De mens wordt tot de zoogdieren gerekend. In de fenomenologische benadering wordt wel gesteld dat er veel voor te zeggen is de mens een eigen plaats te geven, juist omdat hij geen specialisaties heeft en zich daardoor van de zoogdieren onderscheidt, al deelt hij er veel eigenschappen mee. In de biologische systematiek hoort de mens, Homo sapiens, tot de mensachtigen, samen met de chimpansee, de bonobo, de gorilla en de orang-oetan.

Omgeving

Mensen komen over de gehele aarde voor: van de tropen tot de poolstreken, van zeeniveau tot in het hooggebergte. Ze leven zowel in kale gebieden en woestijnen als in waterrijke open gebieden en in dicht oerwoud. De mens kan overal leven omdat hij de omgeving aan zichzelf en zijn behoeften aanpast: moerassen worden drooggelegd, bos wordt gekapt, en hij draagt kleding en bouwt huizen. Verder past hij zijn activiteiten aan zijn omgeving aan.

De mens is in de keuze van zijn omgeving in hoge mate flexibel en heeft zich niet aan een bepaalde omgeving aangepast; hij is hierin, anders dan de meeste zoogdieren, ongespecialiseerd.

Kleine aanpassingen zijn er wel. De kleur van de huid hangt samen met de hoeveelheid zonlicht waaronder een bevolking lang heeft geleefd: een donkere huid beschermt tegen sterke uv-straling, een lichte huid laat bij weinig zon meer vitamine D aanmaken. Het zijn verschillen in een dun laagje van het lichaam; in bouw en gestalte lijken alle mensen sterk op elkaar.

Lichaamsbouw – algemeen

Het meest opvallende kenmerk van de mens is dat hij tweevoetig is en geheel rechtop staat. Alle gewrichten liggen in één vlak: de bovenste halswervels (atlas en draaier), de schouders, de heupen, de knieën en de enkels. Ook opvallend zijn het kleine, ronde hoofd en de lange ledematen; vooral de benen zijn extreem lang. Doordat de mens tweevoetig is, heeft hij zijn handen niet nodig voor de voortbeweging, en zijn ze beschikbaar om gereedschap te gebruiken. De opponeerbare duim maakt de handen daarvoor bij uitstek geschikt.

Opvallend is ook het grotendeels ontbreken van beharing. De mens kan mede daardoor goed zweten en heeft de mond niet nodig om warmte kwijt te raken. Zo kan de mond worden gebruikt om te spreken.

De hand

De hand van de mens is in bouw weinig gespecialiseerd: vijf vingers, dezelfde botten als in de voorpoot van veel andere zoogdieren. Bijzonder is de lange duim, die tegenover de toppen van alle andere vingers kan worden geplaatst. Daardoor zijn twee soorten greep mogelijk: de krachtgreep, waarmee een steel of een tak wordt omklemd, en de precisiegreep tussen duim en wijsvinger, waarmee een naald of een pen wordt vastgehouden. De mensapen hebben een kortere duim en lange vingers, die geschikt zijn om aan takken te hangen, maar minder voor de fijne greep.

Zintuigen

Van de zintuigen zijn vooral de ogen en het gehoor goed ontwikkeld. De ogen staan aan de voorzijde van het gezicht en kunnen goed stereoscopisch kijken en daarmee diepte en afstand zien. Kleuren worden goed onderscheiden. Het gehoor kan woorden en taal waarnemen en verwerken. Zonder het gehoor zouden de cultureel belangrijke gesproken en geschreven communicatie niet mogelijk zijn. Ook de ogen zijn belangrijk bij de communicatie, namelijk bij alles wat non-verbaal is. Dat wil niet zeggen dat allerlei zoogdieren niet beter kunnen horen of een groter bereik hebben.

Geur en smaak zijn bij de mens minder goed ontwikkeld. Volgens deze benadering heeft dat als voordeel dat het handelen van een mens minder door zijn waarnemingen wordt bepaald. Reuk heeft een directe verbinding met de hersenen, met snelle, reflexachtige acties als gevolg. Een hond wordt door zijn reuk geregeerd. De mens kan zijn vermogen om te analyseren tussen de waarneming en zijn reactie plaatsen. Meer over dit zintuig staat op de pagina over de reuk.

Hersenen

Het hoofd van de mens is klein ten opzichte van zijn lichaam. De schedel is rond, en toch zijn de hersenen groot: circa 2% van het lichaamsgewicht, terwijl dat bij andere zoogdieren van vergelijkbaar gewicht veel lager ligt, bij de chimpansee bijvoorbeeld rond 0,9%. Vooral de grote hersenen zijn groot, en daarin is met name de neocortex ver uitgegroeid. Daarmee samenhangend zijn de mogelijkheden om te leren vergroot. Mensen kunnen hun leven lang leren. Ook het abstracte, zelfstandige denken en het zelfbewustzijn worden door de neocortex mogelijk.

Bij de geboorte hebben de hersenen nog maar een klein deel van hun volwassen omvang. Ze groeien vooral in de eerste levensjaren sterk door. Een pasgeboren mens is daardoor in vergelijking met een jong hoefdier hulpeloos, maar zijn hersenen ontwikkelen zich grotendeels in wisselwerking met de wereld om hem heen.

Ademhaling

De ademhaling gaat zoals bij de andere zoogdieren, met longen en middenrif. Het bijzondere van de menselijke ademhaling is dat die los staat van de beweging van de ledematen. Een mens kan zijn ademritme vrij kiezen: één ademhaling per één, twee of drie stappen. Bij viervoeters in draf of galop valt de ademhaling meestal samen met de passen; de beweging van de poten en de romp drukt lucht uit de longen. Afhankelijk van zijn inspanning kan een mens zijn ademhaling variëren, en daardoor kan hij iedere snelheid en inspanning kiezen (Verhulst).

Een tweede kenmerk is dat de ademhaling niet wordt gebruikt om warmte af te staan. Veel dieren hijgen als het warm is of liggen met de bek open. De mens heeft over het hele lichaam een groot aantal zweetklieren die vooral water en zout afscheiden, waardoor hij warmte kan afstaan. Bij de meeste andere zoogdieren zijn zulke zweetklieren minder talrijk, en hun zweetklieren geven vaak vooral geurstoffen af; het paard is een uitzondering en zweet ook sterk.

De menselijke ademhaling is zo bevrijd van haar gebondenheid aan de snelheid van de voortbeweging en aan de warmteregulatie. Daardoor kan ze andere functies dienen, namelijk de spraak en, als afgeleide daarvan, de zang.

Bloedsomloop

De bloedsomloop van de mens is die van een zoogdier: een hart met twee boezems en twee kamers en een volledig gescheiden dubbele bloedsomloop. Het rechtop staan brengt wel een eigen opgave mee. Het hart ligt bij de mens op het middenrif en het bloed moet vanuit de benen over een grote hoogte naar het hart terug. Kleppen in de aders en het samentrekken van de beenspieren bij het lopen helpen daarbij; wie lang stilstaat, kan daardoor duizelig worden of dikke enkels krijgen.

Spijsvertering en voedsel

Een mens kan alles eten. Er zijn mensen die bijna uitsluitend vis en vlees eten, er zijn volledig plantaardig etende mensen, en er is alles wat daartussen ligt. Mensen kunnen van allerlei voedsel leven. Onder de zoogdieren zijn ook alleseters, maar bij de mens komt daar de keuze bij: hij kan zijn voedsel bereiden, bewaren en samenstellen, mits er voldoende voedingsstoffen in zitten.

Het gebit past daarbij. Een volwassen mens heeft 32 tanden en kiezen: per kaakhelft twee snijtanden, één hoektand, twee valse en drie echte kiezen, waarvan de achterste, de verstandskies, vaak laat of niet doorbreekt. Geen type overheerst. Het darmkanaal heeft een gemiddelde lengte, met een kleine blinde darm en een wormvormig aanhangsel.

Voortplanting

Het belangrijkste verschil tussen de voortplanting van de mens en die van de andere zoogdieren is dat alles langzaam gaat. De draagtijd is met 9 maanden lang ten opzichte van het lichaamsgewicht. Daarna volgen de lange leer- en ontwikkelingstijd in de jeugd, en de geslachtsrijpheid treedt bovendien laat op. Aan het eind van het leven is er nog een lange levensfase na de vruchtbare periode. Bij de meeste dieren duurt de vruchtbaarheid tot kort voor de dood; onder de zoogdieren is een lange levensfase daarna verder vooral bekend bij enkele walvissen, zoals de orka en de griend.

Een ander verschil is dat seksualiteit bij de mens niet aan een bronsttijd of een zichtbare vruchtbare periode gebonden is, en ook een functie heeft in de relatie tussen twee mensen. Bij de bonobo is iets vergelijkbaars beschreven. Hoe het menselijk leven begint, wordt stap voor stap gevolgd vanaf de pagina over de eicel en de zaadcellen.

Voortbeweging

De mens beweegt zich op twee benen voort. Staan kost een mens nauwelijks meer energie dan zitten. Voor viervoeters ligt dat anders, omdat zij met spierarbeid hun kop en hals, hun rug en hun ledematen gestrekt moeten houden. Als tweevoeter is de mens goed in evenwicht. In deze beschrijving heeft de mens daarmee de zwaarte van de zwaartekracht voor het grootste deel overwonnen.

Door het staan heeft hij de armen en handen vrij om andere dingen te doen: met de handen kan hij allerlei dingen maken. Het lopen zelf is eveneens zuinig. Bij elke stap zwaait het lichaam als een omgekeerde slinger over het standbeen, en de lange pezen van de benen en voeten slaan energie op en geven die weer af. Over lange afstanden behoort de mens daardoor tot de betere lopers onder de zoogdieren.

Conclusie

De mens onderscheidt zich van de zoogdieren doordat hij:

  • op twee benen loopt,
  • bij het staan nauwelijks meer energie gebruikt dan bij het zitten,
  • kan praten en taal kan verwerken,
  • over zichzelf kan denken en zelfbewustzijn heeft,
  • zich overal kan vestigen en de omgeving aan zichzelf kan aanpassen,
  • een lange embryonale en jeugdige ontwikkeling doormaakt en na de vruchtbare periode nog lang leeft,
  • bijna alles moet leren,
  • verregaand ongespecialiseerd is en veel verschillende dingen kan doen.

Dit alles maakt dat een mens vrij op de aarde staat en daar net zo moeiteloos in evenwicht is als een vis in het water.

Veelgestelde vragen

Waarom wordt de mens een ongespecialiseerd zoogdier genoemd?

De mens heeft geen lichaamsdeel dat eenzijdig op één taak is toegesneden, zoals de hoeven van een paard of de hoektanden van een roofdier. Het gebit is gemengd, de handen zijn niet nodig voor de voortbeweging en de mens kan in vrijwel elk klimaat leven. Volgens Jos Verhulst zijn juist de typisch menselijke eigenschappen daaruit voortgekomen; zie de pagina over de mens en de chimpansee.

Hoe groot zijn de hersenen van de mens?

De hersenen van een volwassen mens wegen ongeveer 1,3 tot 1,4 kilo, zo'n 2% van het lichaamsgewicht. Bij de chimpansee is dat ongeveer 0,9%. Vooral de neocortex, de buitenste laag van de grote hersenen, is bij de mens sterk uitgegroeid.

Waarom kan de mens goed zweten?

De mens heeft een weinig behaarde huid met een groot aantal zweetklieren die vooral water en zout afscheiden. Het verdampen van zweet voert veel warmte af. Daardoor hoeft de mens niet te hijgen om af te koelen, zoals een hond, en blijft de mond vrij.

Waarom leren mensen zo lang?

De mens heeft een lange jeugd: hij is pas na ongeveer twintig jaar volgroeid. Bij de geboorte hebben de hersenen nog maar een klein deel van hun volwassen omvang, en ze groeien in de eerste levensjaren sterk door. Taal, lopen en de meeste vaardigheden worden in die jaren geleerd, grotendeels door nabootsing en omgang met anderen.

Wat is bijzonder aan de menselijke ademhaling?

Bij viervoeters is de ademhaling tijdens draf en galop aan de passen gekoppeld. De mens kan ook bij het lopen zijn ademritme vrij variëren. Bovendien is de ademhaling niet nodig voor warmteregulatie, zodat ze beschikbaar is voor spraak en zang.

Kan een mens alles eten?

De mens heeft een gebit met snijtanden, hoektanden en kiezen waarin geen type overheerst, en een darmkanaal van gemiddelde lengte. Daardoor kan hij zowel plantaardig als dierlijk voedsel verteren. Er zijn mensen die bijna alleen vis en vlees eten en mensen die volledig plantaardig eten.

Hebben dieren ook een periode na de vruchtbare jaren?

Bij de meeste dieren duurt de vruchtbare periode tot kort voor het einde van het leven. De mens leeft na de vruchtbare periode vaak nog tientallen jaren. Bij zoogdieren is een vergelijkbare lange levensfase na de voortplanting verder vooral bekend bij enkele walvissen, zoals de orka en de griend.

Waarom staan de ogen van de mens aan de voorkant van het hoofd?

Doordat beide ogen naar voren kijken, overlappen hun gezichtsvelden. Daardoor kan de mens goed stereoscopisch zien en diepte en afstand inschatten. Samen met het goede kleurenzien is dat belangrijk voor het werken met de handen.

Wat maakt de hand van de mens bijzonder?

De duim van de mens is lang en kan tegenover de toppen van alle andere vingers worden geplaatst. Daardoor is zowel een krachtige greep als een fijne precisiegreep mogelijk, zoals bij schrijven. Omdat de handen niet nodig zijn om te lopen, zijn ze vrij voor gereedschap en werk.

Waarom kost staan de mens weinig energie?

Bij de mens liggen alle grote gewrichten, van de halswervels tot de enkels, boven elkaar in één vlak. Het lichaam wordt daardoor grotendeels door het skelet gedragen en er is weinig spierkracht nodig om rechtop te blijven. Een viervoeter moet kop, hals en romp met spierkracht gestrekt houden. Hoe het evenwicht wordt bewaard, staat op de pagina over de evenwichtszin.

↑