Geur wordt met de neus waargenomen. Bij iedere ademhaling stroomt er lucht de neus in, en met die lucht geurstoffen, die langs het reukslijmvlies boven in de neusholte strijken. Het reukslijmvlies is via korte zenuwvezels met de hersenen verbonden, en de waarneming gaat rechtstreeks en snel naar binnen. Geuren worden daardoor onmiddellijk waargenomen. Ze overvallen de mens, die er midden in staat.
Afsluiten voor geuren kan niet, want ademen gaat altijd door. Wel verdwijnt een geur uit de waarneming wanneer iemand er langere tijd in verblijft. Ook een geur die langzaam sterker wordt, valt niet op. Vaak is het iemand die van buiten binnenkomt, die er de aandacht op vestigt.
Een voorbeeld uit de stal
Hoe sterk die gewenning is, blijkt bijvoorbeeld bij het schoonmaken van de dunne darm van een koe. Wie daaraan werkt, merkt de stank na korte tijd nauwelijks meer op, hoewel de hoeveelheid darminhoud en daarmee de geur langzaam toeneemt. Pas in een andere ruimte, bij een kop thee, dringt de lucht aan handen en kleren ineens heftig door. Terug bij het werk is de stank eerst opnieuw overweldigend, en enkele minuten later alweer bijna verdwenen. Wie de aandacht er bewust op richt, blijft de geur wel waarnemen: aandacht kan de gewenning deels opheffen.
Hoe het reukzintuig is gebouwd
Het reukslijmvlies beslaat bij de mens een klein gebied, ongeveer ter grootte van een postzegel aan elke kant, bovenin de neusholte onder het zeefbeen. Het grootste deel van de ingeademde lucht stroomt er langs; pas bij snuiven wordt meer lucht omhoog gewerveld. In het slijmvlies liggen miljoenen reukcellen. Het zijn zenuwcellen met aan het uiteinde fijne trilhaartjes die in de slijmlaag steken. Op die haartjes zitten de receptoren waaraan geurmoleculen binden.
De mens heeft enkele honderden verschillende soorten geurreceptoren. Elke reukcel draagt één soort, en elke soort reageert op een reeks verwante stoffen. Een geur is daardoor geen enkel signaal maar een patroon: een bepaalde combinatie van geactiveerde receptoren. De ontdekking van de genen voor deze receptoren leverde Richard Axel en Linda Buck in 2004 de Nobelprijs voor fysiologie of geneeskunde op.
De uitlopers van de reukcellen gaan in bundeltjes door de gaatjes van het zeefbeen naar de reukkolf, die direct boven de neusholte tegen de onderkant van de voorhersenen ligt. Van daaruit lopen de banen naar de reukschors en naar gebieden die met gevoel en geheugen te maken hebben. De weg is kort. Andere zintuigen worden eerst in de thalamus omgeschakeld voordat ze de hersenschors bereiken; de reuk heeft zo'n tussenstation grotendeels niet. Reukcellen zijn bovendien een van de weinige soorten zenuwcellen die het hele leven worden vernieuwd.
Geur en oordeel
Omdat ademhalen altijd doorgaat, kan geen afstand van een geur worden genomen: hij komt eenvoudig de neus binnen. Tegelijk werkt geur sterk op het oordeelsvermogen. Onmiddellijk is er het besef of iets vies of lekker, plezierig of onplezierig, aangenaam of weerzinwekkend is. Er zit bijna geen neutrale geur tussen.
In de fenomenologische benadering van deze pagina's wordt dat zo gelezen: wat schadelijk is, stinkt vaak. Rottend voedsel, zwavelige vulkaandampen en veel giftige stoffen ruiken onaangenaam, en in oude voorstellingen van de hel is het de zwavelgeur die het kwaad aankondigt. Natuurlijke stoffen die goed ruiken, zijn meestal niet schadelijk. In die lezing vormt de geur de basis van het morele oordeelsvermogen, omdat in het ruiken al het onderscheid tussen goed en slecht wordt gemaakt. Dat is een manier van kijken naar de verhouding tussen zintuig en ziel, geen biologische wet: er zijn giftige stoffen die geurloos zijn, zoals koolmonoxide, en onschuldige stoffen die sterk stinken.
De rijkdom van geuren
Mensen kunnen een zeer groot aantal geuren onderscheiden: de geur van rozen en kamille, van paarden, geiten en koeien, van melk, cola en bier, van hout, beton en steen, van kalk en graniet. Hoeveel het er precies zijn, is niet bekend, en de schattingen in de literatuur lopen ver uiteen. Ook samengestelde stemmingen worden geroken: een frisse lentedag, een zonovergoten zomerdag, een dorp in Toscane, een veenplas, een bedompte studeerkamer, een kamer waar een zieke ligt. Zelfs de gemoedstoestand van een mens heeft een geur. Iemand die angstig is, ruikt anders dan iemand die ontspannen is, en anderen reageren daar onbewust op.
Geuren beschrijven
In tegenstelling tot smaak en gehoor zijn geurwaarnemingen moeilijk in te delen en te beschrijven. Voor tonen bestaat een toonladder, voor smaken zijn er vijf basisbegrippen, voor geuren nauwelijks iets vergelijkbaars. Geuren worden vaak beschreven met uitspraken als: het ruikt naar rozen, naar bosvruchten, naar vers fruit, een vettige lucht. Of: het doet denken aan een krop sla, een oude schoen, het huis van oma. De geur wordt dan omschreven met behulp van een andere waarneming waarmee hij een associatie heeft.
Chemisch kan de precieze samenstelling van een geur wel worden bepaald en vaak ook worden nagemaakt. Parfums en de aroma's die aan voedsel worden toegevoegd, zijn daarvan voorbeelden. Een professionele parfumeur of wijnproever leert geuren te ordenen door lang en aandachtig te oefenen, en ontwikkelt daarbij een eigen woordenschat. Het zintuig zelf wordt er niet scherper door; wat groeit, is het vermogen om te benoemen en te onderscheiden.
Reuk en smaak
Veel van wat in het dagelijks leven smaak heet, is geur. De tong kent zoet, zuur, zout, bitter en umami. Het aroma van een aardbei, van koffie of van gebakken brood komt bij het kauwen via de keelholte achterlangs de neus bij het reukslijmvlies. Wie verkouden is of de neus dichtknijpt, merkt hoe vlak eten dan smaakt. Reuk en smaak werken zo in het eten als één waarneming samen, waarbij de reuk het grootste deel van de verscheidenheid levert.
Geur en herinnering
Geuren kunnen sterke herinneringen oproepen. Iemand loopt ergens langs, ruikt een geur van vroeger en wordt ogenblikkelijk teruggevoerd naar de omstandigheden waarin die geur eerder werd geroken. Even is er dan een volledige onderdompeling in die herinnering. Vaak gebeurt dat zonder dat duidelijk is dat er een geur was. Geur heeft dat sterker dan andere waarnemingen. De schrijver Marcel Proust beschreef zo'n moment in zijn roman over de verloren tijd, waar de geur en smaak van een in thee gedoopt koekje een hele kindertijd terugbrengen.
De bouw van het reukzintuig past bij die ervaring. De reukbanen lopen van de reukkolf direct naar de amandelkern en de hippocampus, gebieden die bij gevoel en het vastleggen van herinneringen betrokken zijn. Geur, gevoel en geheugen liggen daardoor dicht bij elkaar.
Mens en dier
In vergelijking met veel dieren is de reuk bij de mens bescheiden ontwikkeld. Een hond neemt geuren waar in concentraties die voor de mens volstrekt onmerkbaar zijn. Het reukslijmvlies van een hond is vele malen groter en telt veel meer reukcellen, en een groter deel van de hersenen is aan geur gewijd. Zo ruikt een hond gemakkelijk of een voorbijganger bang is en reageert daar direct op. Knaagdieren als de muis hebben ruim twee keer zoveel werkzame genen voor geurreceptoren als de mens.
Veel zoogdieren hebben bovendien een tweede reukorgaan, het orgaan van Jacobson in het gehemelte. Paarden, geiten en katten trekken bij het ruiken van bepaalde geuren de bovenlip op en houden de kop geheven, het flehmen, waarmee lucht naar dat orgaan wordt geleid. Op de pagina over geiten en die over hond en kat komt de betekenis van de reuk voor de leefwijze van deze dieren verder aan bod.
Ook buiten de zoogdieren is geur vaak het leidende zintuig. Bij insecten zitten de reukorganen op de antennes. Het mannetje van de zijdevlinder vindt een vrouwtje op grote afstand aan de lokstof die zij afgeeft; de geveerde antennes zijn daarvoor een fijn uitgewerkt vangnet voor geurmoleculen. Slangen en hagedissen brengen met de gespleten tong geurdeeltjes naar het orgaan van Jacobson in het gehemelte, en het heen en weer bewegen van de tong is dus een vorm van ruiken. Zalmen vinden bij de terugtocht naar de paaiplaats de rivier van herkomst mede aan de geur van het water. In al die gevallen is de reuk geen bijzaak maar de draad waarlangs het dier zich door zijn omgeving beweegt.
Door de korte weg van neus naar hersenen is instinct sterk aan geur gebonden, en het gedrag van een dier wordt daardoor voor een groot deel door geuren bepaald. In de fenomenologische lezing volgt daaruit ook iets over de mens. Wie even goed zou ruiken als een hond, zou voortdurend onder de indruk van sterke oordelen staan en geen afstand tot de waarnemingen kunnen nemen. Er zou geen ruimte zijn voor een persoonlijk antwoord, het bewustzijn zou instinctiever worden en de mens minder vrij. Het terugtreden van de reuk wordt in die benadering gezien als een voorwaarde voor de vrijheid van de mens tegenover zijn omgeving.
Reuk onder de twaalf zintuigen
In de indeling van Rudolf Steiner, die in de inleiding over de twaalf zintuigen wordt beschreven, hoort de reuk bij de middelste groep, samen met smaak, zien en warmtezin. Deze zintuigen zijn op de omgeving gericht en worden in die traditie de gevoelszintuigen genoemd, omdat ze zo sterk met sympathie en antipathie verbonden zijn. De reuk staat daarin het dichtst bij de lichaamszinnen, zoals de tastzin: de geurstof dringt letterlijk het lichaam binnen, en de waarneming speelt zich dichter bij het eigen lichaam af dan bij het zien, waarbij het voorwerp op afstand blijft.
Veelgestelde vragen
Hoe werkt ruiken?
Bij het inademen komen geurstoffen met de lucht in de neus en lossen op in het slijm van het reukslijmvlies, boven in de neusholte. Daar binden ze aan receptoren op de reukcellen. De reukcellen sturen hun signaal via korte zenuwvezels door het zeefbeen naar de reukkolf, een uitloper van de hersenen.
Waarom ruik je een geur na een tijdje niet meer?
De reukzin past zich snel aan een gelijkblijvende geur aan. Wie langere tijd in dezelfde lucht verblijft, merkt de geur nauwelijks meer op, en een geur die langzaam sterker wordt valt evenmin op. Pas na een tijd in frisse lucht wordt dezelfde geur bij terugkomst weer sterk waargenomen.
Waarom roepen geuren zo sterk herinneringen op?
De reukbanen lopen van de reukkolf rechtstreeks naar hersengebieden die met gevoel en geheugen te maken hebben, zoals de amandelkern en de hippocampus. Een geur kan daardoor in één keer een hele situatie van vroeger terugbrengen, vaak voordat duidelijk is welke geur het was.
Hoeveel geuren kan een mens onderscheiden?
Dat is niet precies bekend; de schattingen in de literatuur lopen sterk uiteen. Zeker is dat de mens een zeer groot aantal geuren kan onderscheiden, ook al zijn er maar weinig woorden om ze te benoemen. Geuren worden daarom meestal beschreven met een vergelijking: het ruikt naar rozen, naar hooi of naar natte hond.
Waarom ruikt een hond zoveel beter dan een mens?
Een hond heeft een veel groter reukslijmvlies met veel meer reukcellen, een groter aandeel van de hersenen voor geur en een neus die de lucht bij het snuffelen apart naar het reukgebied leidt. Daardoor neemt een hond geuren waar in concentraties die voor de mens onmerkbaar zijn. Meer over de hond staat op de pagina hond en kat.
Wat heeft reuk met smaak te maken?
Veel van wat als smaak wordt ervaren, is eigenlijk geur. De tong onderscheidt alleen zoet, zuur, zout, bitter en umami; het aroma van eten komt via de keelholte achterlangs de neus binnen. Bij een verkoudheid smaakt eten daarom vlak.
Waarom zegt een geur meteen of iets lekker of vies is?
Geur werkt sterk en direct op het gevoel: bijna elke geur wordt onmiddellijk als aangenaam of onaangenaam ervaren. Veel stoffen die gevaarlijk kunnen zijn, zoals rottend voedsel, ruiken onaangenaam. In de fenomenologische benadering van deze pagina's wordt de reuk daarom gezien als het zintuig waarin het oordelen al in de waarneming zelf zit.
Waar zit de reuk in de leer van de twaalf zintuigen?
Volgens de indeling van Rudolf Steiner hoort de reuk bij de middelste groep van zintuigen, samen met smaak, zien en warmtezin, die op de omgeving zijn gericht. Een overzicht van alle twaalf staat in de inleiding over de zintuigen.
Wat is het orgaan van Jacobson?
Het orgaan van Jacobson of vomeronasaal orgaan is een apart reukorgaantje in het neusgehemelte van veel zoogdieren en reptielen. Het neemt onder meer geurstoffen waar die dieren van de eigen soort afscheiden. Paarden, geiten en katten trekken daarbij de bovenlip op, het zogenoemde flehmen.
