Evenwichtszin
Met
de evenwichtszin oriënteer je je in de ruimte. Door de
waarnemingen
van dit zintuig blijf je rechtop staan en neem je waar wat links en
rechts, voor en achter en boven en onder zijn. Al kleine
veranderingen in je verticale houding neem je waar.
Je
lichaam is door zijn verticale houding in een dynamisch evenwicht.
Aan alle kanten van het lichaam bevinden zich spieren die met
minimale inspanning je evenwicht in stand houden waardoor je rechtop
kunt blijven staan. Iedere keer dat je gaat staan moet je opnieuw je
evenwicht vinden. Dat doe je met behulp van het
evenwichtszintuig.
Bij het bewaren van je evenwicht maak je
niet alleen gebruik van je evenwichtsorgaan, minstens zo belangrijk
zijn je ogen, waarmee je je in de ruimte oriënteert en
waardoor je
een houvast krijgt door het zien van andere verticale en horizontale
voorwerpen. Als je in een ruimte loopt, waar alles scheef is, dan
raakt je evenwicht zo verstoord, dat je een plas water (waarvan het
oppervlak natuurlijk horizontaal loopt) waarneemt alsof het water
scheef staat.
Het evenwichtsorgaan zit in het rotsbeen bij het
oor en bestaat uit drie half-cirkelvormige kanalen, die loodrecht op
elkaar staan en uit het ovale en het ronde zakje. De kanaaltjes nemen
veranderingen waar bij het draaien. De twee zakjes nemen de stand en
veranderingen waar van rechtlijnige bewegingen. In de drie kanaaltjes
bevindt zich vloeistof die gaat bewegen als het lichaam of het hoofd
gaat draaien. Doordat de drie kanaaltjes loodrecht op elkaar staan
kan iedere draaiing in de drie richtingen worden ontleed.
Het gehoor en het
evenwichtsorgaan
In
het ovale zakje ligt op een horizontaal laagje zintuigcellen een
geleiachtige massa met het evenwichtssteentje, dat bestaat uit
kristallen van kalk. Bij verticale versnellingen, zoals in een lift,
verandert de druk van het steentje op de cellen. Wanneer de snelheid
constant is heeft het steentje dezelfde beweging en wordt er geen
versnelling meer waargenomen.
In het ronde zakje ligt ook een
evenwichtssteentje, maar dat ligt tegen een verticale laag
zintuigcellen aan. Bij horizontale versnellingen, bijvoorbeeld bij
het in beweging komen of bij het optrekken of afremmen van een trein,
drukt het steentje meer of minder tegen de cellen aan en wordt de
versnelling waargenomen. Ook hier wordt een constante snelheid niet
waargenomen.
Bij het waarnemen van andere voorwerpen maak je
op twee manieren gebruik van de evenwichtszin. Namelijk door de
positie van het voorwerp in de ruimte vast te stellen. Je
oriënteert
je dan aan de horizon en neemt waar of iets rechtop staat of scheef.
Ook neem je met de evenwichtszin waar of een verhouding uit evenwicht
is, of lengte en hoogte in verhouding zijn of juist niet.
|
Alle
gewrichten liggen in een vlak met het
evenwichtsorgaan
Oefeningen
Draai
iemand enkele keren snel om zijn as, hou hem vast, ook na het
draaien. Let tijdens het draaien op de beweging van de ogen. Hoe is
zijn evenwicht na het draaien, wat neem je aan hem waar en wat heeft
hij zelf waargenomen tijdens en na het draaien? Hoe ziet hij zijn
omgeving?
Herhaal
de oefening bij een ander, maar laat hem aan
het eind van het draaien los. Wat zijn de waarnemingen nu?
Doe
een blinddoek om en ga op een been staan en probeer je evenwicht te
bewaren. Doe dit daarna zonder blinddoek om. Wat is het
verschil?
Neem
enkele bomen waar, waarvan de stammen min of
meer verticaal lopen, maar niet helemaal. Trek een conclusie over de
gewenste stand van de stam? Herhaal deze oefening met takken, een
goede oefenboom is een oude beuk, waar de takken diep
doorbuigen.
Neem
lengte, hoogte en breedte waar van enkele
zoogdieren. Wat kun je zeggen over de verhoudingen en wat kun je
zeggen over de harmonie van de verhoudingen?
|