De tastzin en de levenszin nemen de grens van het lichaam, de toestand van de organen en de ruimte die het lichaam inneemt waar. De bewegingszin of spierzin neemt de bewegingen en de stand van het lichaam en de ledematen waar. Er beweegt van alles. De ledematen bewegen, en daarnaast ook de ogen, de mond, de tong, het voorhoofd bij het fronsen en de borst bij het ademen. Al die bewegingen en draaiingen worden waargenomen, en nauwkeurig ook: een heel kleine draaiing van de elleboog is al merkbaar.
Waargenomen wordt ook de exacte positie van de ledematen en de andere bewegende delen van het lichaam. Op ieder moment is bekend waar armen en voeten zijn, want bij het beginnen van een nieuwe beweging is precies duidelijk waar die kan beginnen. Daar hoeft niet over te worden nagedacht; de ledematen zijn nooit kwijt.
Spierspoelen, pezen en gewrichten
De spierzin zetelt in de spoelvormige zintuigorganen in de spieren, de spierspoelen, en meet de spanning en ontspanning ervan. Een spierspoel is enkele millimeters lang en ligt evenwijdig aan de gewone spiervezels. In de spoel liggen dunne, gespecialiseerde spiervezels waaromheen zenuwuiteinden gewonden zijn. Wordt de spier uitgerekt, dan rekken ook deze vezels en sturen de zenuwuiteinden meer impulsen. Zo meet de spoel hoe lang de spier is en hoe snel die lengte verandert. Het zenuwstelsel kan bovendien de spanning van de spoel zelf instellen, zodat de meting gevoelig blijft, ook als de spier verkort.
Ook in de pezen liggen zenuwuiteinden. De peesorganen van Golgi, genoemd naar de Italiaanse histoloog Camillo Golgi, bevinden zich in de overgang van spier naar pees. Ze registreren niet de lengte maar de kracht waarmee de spier aan de pees trekt. Tussen spierspoel en peesorgaan ontstaat zo een aanvulling: de ene meet hoe ver, de andere hoe hard.
In de receptoren in de gewrichtskapsels en het weefsel daarboven wordt het buigen en strekken van de ledematen waargenomen. De huid levert eveneens bijdragen: waar de huid over een knokkel spant, melden rekgevoelige receptoren de stand van de vinger. Pas in de hersenen, in de kleine hersenen en in de schors, worden al die signalen samengevoegd tot een doorlopend beeld van de houding.
Proprioceptie
De Britse fysioloog Charles Sherrington gaf in het begin van de twintigste eeuw aan deze waarneming de naam proprioceptie: waarneming van het eigene. Hij onderscheidde haar van de zintuigen die op de buitenwereld zijn gericht. Het meeste van wat de bewegingszin doet, blijft onbewust. Bij iedere stap passen tientallen spieren hun spanning aan, zonder dat daar aandacht voor nodig is. Een eenvoudig voorbeeld is de kniepeesreflex: een tik tegen de pees onder de knieschijf rekt de dijspier kort uit, de spierspoelen melden dat aan het ruggenmerg en de spier trekt samen voordat het bewustzijn er iets van merkt.
Hoe groot de betekenis van de bewegingszin is, blijkt vooral wanneer hij ontbreekt. In de medische literatuur zijn zeldzame gevallen beschreven van mensen bij wie de gevoelszenuwen voor stand en beweging uitvielen. Zij konden hun ledematen nog bewegen, maar zonder te kijken wisten ze niet waar die waren. Staan en lopen moesten ze met de ogen besturen, en in het donker vielen ze. De bewegingszin is een zintuig dat pas opvalt door zijn afwezigheid.
Gewicht en inspanning
Ook gewicht wordt voor een groot deel met de bewegingszin waargenomen. Wie een tas optilt, voelt het gewicht aan de kracht die de spieren moeten leveren en aan de rek in pezen en gewrichten. Dat die waarneming een schatting is, blijkt uit een bekende zinsbegoocheling, de gewicht-grootte-illusie, die de Franse arts Augustin Charpentier in de negentiende eeuw beschreef: van twee voorwerpen die even zwaar zijn, voelt het kleinste zwaarder aan. De verwachting die het oog wekt, bepaalt mee hoeveel kracht wordt klaargezet, en het verschil tussen verwachte en gevoelde inspanning wordt als gewicht ervaren.
Iets vergelijkbaars gebeurt bij een kopje dat leeg blijkt terwijl het vol werd verwacht: de arm schiet omhoog. De spieren waren ingesteld op een last die er niet was, en de bewegingszin meldt de vergissing onmiddellijk. Hetzelfde gebeurt bij een traptrede die er in het donker niet blijkt te zijn: de voet zoekt een steun op de verwachte hoogte, het lichaam schrikt, en pas daarna wordt duidelijk wat er misging. Juist in zulke kleine vergissingen wordt zichtbaar hoeveel verwachting en voorbereiding in elke gewone beweging zit.
Groeien in beweging
Bij een pasgeboren kind is de bewegingszin nog weinig geordend. De bewegingen zijn wild en ongericht, armen en benen maaien. In de eerste levensjaren leert het kind stap voor stap de stand van de eigen ledematen kennen: het ontdekt de eigen handen, leert grijpen, draaien, zitten, kruipen en ten slotte staan en lopen. Iedere nieuwe beweging wordt eindeloos herhaald, tot de bewegingszin haar kent en zij vanzelf gaat. Pas dan komt de aandacht vrij voor iets anders. Op latere leeftijd herhaalt zich dat bij elke nieuwe vaardigheid, van fietsen tot een instrument bespelen: eerst moet elke beweging bewust worden gestuurd, daarna zakt zij weg in de bewegingszin.
Bewegingszin en het zien
De bewegingszin is in de eerste plaats gericht op het waarnemen van het eigen lichaam, maar wordt ook veel gebruikt bij het waarnemen van de dingen in de omgeving. Bij het volgen van bewegende objecten werken bewegingszin en zien samen. Zo wordt onder meer de soort beweging gezien en de snelheid van bewegende voorwerpen geschat.
Om de vorm van een voorwerp vast te stellen, volgen de ogen de randen en springen ze heen en weer naar opvallende details. Die sprongen, in de fysiologie saccades genoemd, gaan zo snel dat ze niet worden opgemerkt; het beeld lijkt stil te staan terwijl de ogen voortdurend verspringen. Schilders maken daar op vernuftige wijze gebruik van door de blik op een bepaalde manier door een schilderij te leiden. Een diagonaal, een lichtvlek of een gezicht trekt de ogen aan, en de volgorde waarin ze het doek aftasten, is deel van de compositie. Op de pagina over het gebruiken van kunst komt die samenwerking van waarnemen en zelf vormgeven verder aan bod.
In de fenomenologische benadering wordt hier een stap verder gegaan. Daar geldt dat de bewegingen en vormen door de bewegingszin in de oogspieren worden waargenomen, terwijl het oog zelf slechts de kleuren waarneemt. Een lijn is in die opvatting geen kleur maar een gevolgde beweging. De gangbare fysiologie beschrijft vormherkenning vooral als een verwerking van het netvliesbeeld in de visuele schors; dat de oogbewegingen en de spierspoelen in de oogspieren daarbij meespelen, wordt ook daar erkend.
Meebewegen en nabootsen
Ook door met de armen mee te bewegen, kan de beweging in een tak van een boom met de bewegingszin in de spieren van de armen worden waargenomen. Deze manier van waarnemen is op vele gebieden toepasbaar, namelijk overal waar vormen en bewegingen worden waargenomen en nagebootst: de bewegingen van dieren, de insnijdingen van bladeren, de stand van de takken van bomen.
Wie het sluipen van een kat of het wegspringen van een ree met het eigen lichaam nabootst, merkt waar in de beweging de kracht zit en waar het lichaam soepel meegeeft. Die ervaring zegt vaak meer over het dier dan een beschrijving van de afzonderlijke delen. De goetheanistische fenomenologie maakt daar gebruik van: het nabootsen van een gestalte of een beweging is daar een van de wegen om een verschijnsel van binnenuit te leren kennen.
Nabootsing is ook een van de oudste manieren van leren. Kleine kinderen leren lopen, spreken en gebaren door na te doen wat ze om zich heen zien, en daarbij volgen ze met het eigen lichaam de bewegingen van anderen. Een ambachtsman leert een handgreep eerder door het gebaar mee te maken dan door een uitleg.
De bewegingszin in het dierenrijk
Proprioceptie is geen menselijke bijzonderheid. Alle gewervelde dieren hebben spierspoelen of vergelijkbare orgaantjes, en ook insecten en kreeftachtigen hebben rekgevoelige zintuigcellen in hun gewrichten en spieren. Bij dieren met een zeer precieze beweging, zoals een kat die geruisloos over een smalle rand loopt of een vogel die op een wiegende tak landt, is de samenwerking van bewegingszin, evenwichtszin en zien bijzonder fijn uitgewerkt. Wie de gestalte van zo'n dier als geheel bekijkt, ziet dat de hele bouw op die beweging is afgestemd: de lange achterpoten van een haas, de verende rug van een kat, de vleugels die met kleine correcties de landing sturen.
De bewegingszin onder de twaalf zintuigen
In de leer van de twaalf zintuigen van Rudolf Steiner is de bewegingszin een van de vier lichaamszinnen, naast tastzin, levenszin en evenwichtszin. Ze worden in die traditie ook wilszintuigen genoemd, omdat ze nauw met het handelen verbonden zijn en grotendeels onder de drempel van het bewustzijn werken. In die benadering neemt de mens met de bewegingszin de eigen beweging waar als iets wat vrij wordt uitgevoerd: in de beweging ervaart de mens zich als handelend wezen.
In antroposofische teksten wordt de bewegingszin bovendien in verband gebracht met de spraakzin, een van de hogere zintuigen. Het idee daarachter is dat het verstaan van taal berust op een innerlijk meebewegen met de klanken en gebaren van de spreker. Dat wordt binnen die traditie als een correspondentie beschreven, niet als een fysiologisch bewezen verband. Voor het dagelijks waarnemen blijft het meebewegen met de eigen armen het meest concrete gebruik van de bewegingszin: de stand van een eikentak is anders gevoeld dan die van een berk, en dat verschil zit in de spieren van wie de tak nadoet.
Veelgestelde vragen
Wat is de bewegingszin?
De bewegingszin, ook spierzin of proprioceptie genoemd, is het vermogen om de stand en de bewegingen van het eigen lichaam waar te nemen zonder te kijken. Iemand weet met gesloten ogen waar de armen en voeten zijn en hoe ver een elleboog gebogen is.
Waar zitten de zintuigorganen van de bewegingszin?
In de spieren liggen spierspoelen, spoelvormige orgaantjes die de lengte en de lengteverandering van de spier meten. In de overgang van spier naar pees liggen de peesorganen van Golgi, die de spankracht registreren. Daarnaast leveren receptoren in de gewrichtskapsels en de huid informatie over het buigen en strekken.
Wat is het verschil tussen bewegingszin en tastzin?
De tastzin neemt aanraking en druk aan het oppervlak van het lichaam waar, de bewegingszin de stand en beweging van de ledematen van binnenuit. Bij het actieve tasten van een voorwerp werken beide samen.
Waarom is de bewegingszin betrokken bij het zien van vormen?
Bij het bekijken van een vorm tasten de ogen met snelle sprongen de randen en opvallende punten af. De oogspieren zijn met spierspoelen uitgerust, en de bewegingen die de ogen maken dragen bij aan het beeld van de vorm. In de fenomenologische benadering wordt daaruit afgeleid dat het oog zelf vooral kleur waarneemt en de vorm via de bewegingszin ontstaat.
Hoe weet je waar je armen zijn zonder te kijken?
De hersenen ontvangen voortdurend signalen uit spierspoelen, peesorganen en gewrichtsreceptoren en maken daaruit een beeld van de houding van het lichaam. Dat gebeurt grotendeels onbewust, zodat de ledematen nooit kwijt zijn en een nieuwe beweging steeds vanuit de juiste plek kan beginnen.
Wie bedacht het woord proprioceptie?
De Britse fysioloog Charles Sherrington voerde het begrip proprioceptie aan het begin van de twintigste eeuw in. Het betekent letterlijk het waarnemen van het eigene, van het eigen lichaam.
Hoe hoort de bewegingszin bij de twaalf zintuigen?
In de indeling van Rudolf Steiner is de bewegingszin een van de vier lichaamszinnen, samen met tastzin, levenszin en evenwichtszin. Deze zintuigen zijn in die benadering op het eigen lichaam gericht en worden ook wilszintuigen genoemd.
Kan de bewegingszin worden verfijnd?
Wie een beweging vaak en aandachtig uitvoert, zoals een musicus, danser of ambachtsman, ontwikkelt een fijner gevoel voor stand en spanning in de betrokken spieren. Ook het nabootsen van de beweging van een dier of een tak met de eigen armen oefent de bewegingszin.
Wat is een reflex zoals de kniepeesreflex?
Bij een tik op de kniepees wordt de dijspier kort uitgerekt. De spierspoelen melden die rek aan het ruggenmerg, dat de spier direct laat samentrekken. Het is de eenvoudigste vorm waarin de bewegingszin zonder tussenkomst van het bewustzijn aan het werk is.
