Kunst kan op verschillende manieren een hulp zijn bij het waarnemen. Natekenen van een voorwerp dwingt tot preciezer kijken dan wanneer het voorwerp alleen wordt beschreven. Door te tekenen dringt de waarnemer dieper in de vormen door.
Door een dier te boetseren komen de verhoudingen van het dier beter in beeld. Een koe is een koe en geen stier, en al helemaal geen neushoorn. De verhoudingen tussen hoogte, lengte en breedte, en waar het dier hoger en waar het lager gebouwd is, worden beter waargenomen door het dier na te boetseren dan door te kijken en enkele getallen te noteren.
Ook als voorbereiding op het maken van innerlijke beelden bij het invoelend waarnemen is kunst belangrijk, omdat het de waarnemer in beweging brengt en de waarneming meer naar binnen brengt. Wie de robuustheid en breekbare kracht van de eik weergeeft in een tekening of schilderij en dat vergelijkt met de soepele gratie van de berk, merkt het verschil. Het gebruik van kleuren kan de stemming van de bomen treffend weergeven. De kunstzinnige activiteit verbindt de maker met het voorwerp en brengt hem nader tot de invoelende waarneming. Bomen uit de herinnering natekenen werkt nog sterker dan ze direct natekenen.
Kunstzinnigheid is geen doel op zich, maar een hulpmiddel om beter te kunnen waarnemen.
Tekenen: langzaam en snel
Een tekening kan op twee heel verschillende manieren ontstaan, en beide leren iets anders. Bij langzaam en gedetailleerd tekenen wordt elke lijn gevolgd. De tekenaar ziet hoe een bladrand gezaagd is, waar een nerf zich splitst, hoe de schors van een stam in lange ribben of juist in kleine schubben openbarst. Dat is het oefenen van nauwkeurigheid.
Snel tekenen werkt omgekeerd. In een halve minuut is er geen tijd voor details, dus blijft alleen over wat het meest in het oog springt: de richting van de groei, de massa van de kroon, de spanning tussen een zware stam en een lichte top. Wat een plant uitstraalt, komt in zo'n snelle schets vaak beter over dan in een zorgvuldige studie.
Samen vormen de twee een beweging die in de fenomenologie steeds terugkomt: van het detail naar het geheel en weer terug. De pagina over verkleinen of vergroten beschrijft diezelfde beweging als een keuze tussen vergrootglas en verkleinglas.
Boetseren: verhoudingen in drie dimensies
Een tekening is plat, een dier niet. Bij boetseren moeten de verhoudingen in alle richtingen kloppen, en juist daar lopen veel waarnemers tegen aan wat ze niet gezien hebben. Hoe breed is de borst van een koe vergeleken met haar lengte? Ligt het kruis hoger of lager dan de schoft? Hoe ver steekt de kop naar voren, en hoe diep hangt de buik?
Het voorbeeld van koe, stier en neushoorn is daarom goed gekozen. Alle drie zijn zware, vierpotige planteneters, en een vluchtige schets maakt er gemakkelijk hetzelfde dier van. In klei worden de verschillen onontkoombaar. De stier heeft een zwaardere nek en voorhand dan de koe, de koe een ruimere buik. De neushoorn is compacter, met korte, zuilvormige poten en een kop die laag gedragen wordt. Wie de drie na elkaar boetseert, heeft de verschillen in de vingers.
Boetseren sluit aan bij wat op de pagina's over de zoogdieren beschreven wordt, bijvoorbeeld bij de runderen: daar gaat het steeds om de vraag hoe de verhoudingen van een dier iets zeggen over zijn leefwijze. Het boetseren maakt die vraag concreet.
Kleur en stemming: de eik en de berk
Eik en berk zijn twee bomen die in hetzelfde landschap kunnen staan en toch een tegengesteld karakter hebben. De zomereik groeit langzaam, wordt oud en breed, en zijn takken buigen grillig zijwaarts. Zijn schors is dik en diep gegroefd. De ruwe berk is een snelle groeier en vaak een van de eerste bomen op open grond. Zijn stam is slank en wit, en zijn dunne twijgen hangen als een sluier naar beneden.
In een aquarel komen die verschillen ook in de kleur naar voren. Voor de eik liggen donkere, verzadigde groenen en bruinen voor de hand, in lagen over elkaar geschilderd. Voor de berk passen lichte, doorschijnende tinten, waarbij veel wit papier zichtbaar blijft. De techniek zelf gaat zo het karakter van de boom volgen. De schilder ontdekt daardoor iets wat bij gewoon kijken eerder een vaag gevoel bleef.
Tekenen uit de herinnering
Een oefening die vaak beschreven wordt, is om op een plek waar te nemen, er eventueel een schets te maken, en de situatie thuis uit de herinnering na te tekenen. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Al snel blijkt welke delen van de plek scherp in de herinnering staan en welke vaag gebleven zijn. Vaak weet de tekenaar nog wel dat er een boom stond, maar niet meer aan welke kant van het pad, of hoe hoog hij was ten opzichte van het huis ernaast.
Die ontdekking is precies het nut van de oefening. Een tweede bezoek aan dezelfde plek wordt daarna heel anders: er wordt gericht gekeken naar wat eerder ontbrak. Tegelijk groeit de innerlijke voorstelling. Het beeld dat na enkele keren uit de herinnering getekend kan worden, is rijker en beweeglijker dan een foto, omdat het door de waarnemer zelf is opgebouwd.
Van tekening naar begrip
Een klassiek voorbeeld uit de goetheanistische plantkunde is het tekenen van de bladeren van één plant, van de onderste tot de bovenste, in een rij naast elkaar. Bij veel eenjarige planten veranderen de bladeren langs de stengel duidelijk van vorm: onderaan vaak eenvoudig en gesteeld, daarboven meer ingesneden, en naar de bloei toe kleiner en weer eenvoudiger. Goethe beschreef die opeenvolging in zijn Metamorphose der Pflanzen. In het werkboek New Eyes for Plants van Margaret Colquhoun en Axel Ewald wordt het tekenen van zulke bladreeksen uitgewerkt als een weg om de vormverandering zelf te leren zien.
Wat dan getekend wordt, is niet een verzameling losse bladeren, maar een beweging. Tussen twee bladeren ligt een overgang die nergens als ding te zien is en toch in de reeks zichtbaar wordt. Dat is de stap die in de goetheanistische fenomenologie centraal staat: van het vaste voorwerp naar het proces waarin het ontstaat. Jochen Bockemühl heeft die gedachte verder uitgewerkt en in verband gebracht met de elementen en de ethersoorten.
Het eigen lichaam als instrument
Naast tekenen, schilderen en boetseren is er een kunstvorm die geen materiaal nodig heeft: het nabootsen van een houding of beweging met het eigen lichaam. Wie probeert te staan zoals een reiger staat, op één been met de nek ingetrokken, voelt hoeveel rust en spanning tegelijk in die houding zitten. Wie de gang van een koe nadoet, merkt hoe zwaar en gelijkmatig het lichaam vooruit wordt gedragen, anders dan de verende tred van een hert.
Bij zulke oefeningen worden zintuigen gebruikt die bij gewoon kijken op de achtergrond blijven. De bewegingszin meldt hoe de ledematen ten opzichte van elkaar staan, de evenwichtszin hoe het lichaam in de ruimte hangt. Het oog ziet de vorm van het dier; het lichaam ervaart iets van de manier waarop die vorm gedragen wordt. In de antroposofische indeling van de twaalf zintuigen horen deze bij de zintuigen die op het eigen lichaam gericht zijn.
Valkuilen
Kunst helpt het waarnemen alleen als ze op waarneming blijft berusten. Een veelvoorkomende valkuil is dat de tekenaar tekent wat hij denkt te weten in plaats van wat hij ziet. Een blad wordt dan een symmetrische ovaal met een steel, een koe een rechthoek op vier poten. Zulke schema's zijn handig om te communiceren, maar ze sluiten het kijken juist af.
Een tweede valkuil is werken naar een foto. Dat is soms onvermijdelijk, bijvoorbeeld bij wilde dieren, maar een foto heeft de keuzes al gemaakt: het perspectief, het licht, het moment. Waar het kan, levert tekenen naar het levende voorwerp meer op, ook als de tekening minder af is. Een derde valkuil is te vroeg stileren: een eigen handschrift is waardevol, maar pas nadat het voorwerp zelf lang genoeg aan het woord is geweest.
Kunst en nauwkeurigheid
Het kan lijken alsof kunst en exacte waarneming elkaar tegenspreken. In de praktijk vullen ze elkaar aan. De kunstzinnige oefening vraagt eerst om nauwkeurigheid, want een verhouding die niet klopt, valt in een tekening of een boetseerwerk direct op. Daarna vraagt ze om iets wat meten niet geeft: een beleving van het geheel. Goethe onderscheidde in zijn opstel Einfache Nachahmung der Natur, Manier, Stil tussen het trouw nabootsen van wat er is, de persoonlijke manier van de kunstenaar en de stijl waarin het wezen van de dingen zelf spreekt. Voor het waarnemen is vooral de eerste en de laatste van belang: eerst trouw zijn aan het voorwerp, en van daaruit zijn karakter zoeken.
Literatuur om verder te lezen
- Bockemühl, J., 1982. Levensprocessen in de natuur. Vrij Geestesleven, Zeist.
- Bockemühl, J., 1984. Het stervende bos. Louis Bolk Instituut, Driebergen.
- Bockemühl, J., 1992. Elementen en ethersoorten. Louis Bolk Instituut, Driebergen.
- Colquhoun, M. & A. Ewald, 1996. New Eyes for Plants – A workbook for observing and drawing plants. Hawthorn Press, Strout.
- Goethe, J.W. von, 1789. Einfache Nachahmung der Natur, Manier, Stil. In: Hamburger Ausgabe, Band 12, 1994, C.H. Beck, München.
- Romunde, Dick van, 2000. Over vormende krachten in de Plantenwereld. Louis Bolk Instituut, Driebergen.
- Steiner, R., 2002 (1920). Voorbij de grenzen van de natuurwetenschap, m.n. 8e voordracht en het nawoord van R. van Romunde. Vrij Geestesleven, Zeist.
Veelgestelde vragen
Waarom helpt tekenen bij het waarnemen?
Wie natekent, moet elke lijn en elke verhouding zelf neerzetten. Daardoor valt op wat bij gewoon kijken ongemerkt voorbijgaat, zoals de hoek waarin een tak uit de stam komt of de manier waarop een blad naar de top toe smaller wordt.
Wat levert boetseren op dat een foto niet geeft?
Een boetseerwerk dwingt tot keuzes in drie dimensies: hoe hoog de schoft is ten opzichte van het kruis, hoe breed de romp, waar het zwaartepunt ligt. Een foto legt dat allemaal vast zonder dat de kijker het hoeft te begrijpen. Bij boetseren wordt het begrip in de handen opgebouwd.
Hoe verschilt een eik van een berk in een tekening?
De eik vraagt om brede, knoestige vormen: een dikke stam met diep gegroefde schors en takken die grillig zijwaarts uitgroeien. De berk vraagt om lichte, verticale lijnen, een witte bast en dunne twijgen die bij de ruwe berk naar beneden hangen. Het verschil in karakter wordt in de tekening zelf zichtbaar.
Waarom zou tekenen uit de herinnering sterker werken?
Bij tekenen uit de herinnering moet de voorstelling het werk doen. Wat goed is waargenomen, komt terug; wat vaag bleef, valt weg. Het maakt zichtbaar hoe precies er gekeken is en vormt de voorstelling tegelijk verder.
Moet iemand goed kunnen tekenen om zo te werken?
Nee. Het gaat niet om een mooi resultaat, maar om wat het maken met het waarnemen doet. Een onbeholpen schets waarin de verhoudingen kloppen, zegt meer over een dier dan een fraaie tekening die niet op waarneming berust.
Wat bedoelde Goethe met Nachahmung, Manier en Stil?
In een opstel uit 1789 onderscheidde Goethe drie manieren waarop een kunstenaar de natuur kan weergeven. Eenvoudige nabootsing blijft dicht bij het voorwerp, de manier geeft vooral het eigen handschrift van de maker weer, en stijl ontstaat wanneer de kunstenaar het wezen van de dingen zelf vat.
Wat is invoelend waarnemen?
Invoelend waarnemen is de stap waarbij de waarnemer zich innerlijk met het voorwerp verbindt en probeert te beleven welk karakter of welke stemming het heeft. Het bouwt voort op nauwkeurig kijken en wordt in de goetheanistische fenomenologie als aparte stap beschreven.
Welke kunstvormen worden het meest gebruikt?
Tekenen met potlood of houtskool, schilderen met waterverf en boetseren met klei komen het meest voor. Ook het nabootsen van een beweging of houding met het eigen lichaam kan helpen, bijvoorbeeld om de sprong van een hert of de gang van een koe te begrijpen.
