Is waarnemen ooit klaar? Nee, er is altijd meer te zien. Achter ieder detail is weer een volgend detail te zien. Maar op een gegeven moment volstaat het: wat men weten wilde, is bekend. Bijvoorbeeld de naam van een plant of een vogel, hoe de vertering van een koe werkt, hoe gras-klaver geteeld moet worden. In het algemeen stopt het waarnemen wanneer iets gekend is of wanneer een probleem opgelost kan worden. Toch kan het altijd verder, want achter ieder detail liggen weer werelden van meer details. Vandaar dat bijna alle onderzoeken die worden afgesloten, om vervolgonderzoek vragen. Er is blijkbaar geen eind aan de details die onderzocht kunnen worden.
De gangbare wetenschap doet dat ook: zij is steeds verder in het detail gedoken. In dat detail wordt ook steeds vaker de verklaring gezocht voor de verschijnselen. Zo worden verschijnselen van organismen steeds vaker vanuit hun DNA verklaard.
In plaats van naar het kleine kan ook naar het grote worden gegaan. In de fenomenologie wordt ook naar details gekeken, maar worden deze details weer samengenomen in omvattende beelden. Er wordt de stap gemaakt naar het vergroten. Louis Bolk, een Nederlandse anatoom, raadde aan het begin van de 20ste eeuw al aan om in plaats van een vergrootglas een verkleinglas te gebruiken om zo meer inzicht te krijgen.
Een voorbeeld
Van een eik zijn veel eigenschappen waar te nemen. Via de stam, wortels, bladeren, bloemen en vruchten kan in steeds meer detail gekeken worden naar de houtstructuur, de celstructuur, de stoffen die erin zitten en naar het DNA. Veel verschijnselen zijn dan te verklaren. Dat is werken met een vergrootglas. Maar vanuit de eik kan ook gekeken worden naar zijn gestalte, zijn groeiplaats, het bos waarin hij staat en het landschap. Ook dan valt er veel over de boom te leren. Er wordt gekeken in steeds grotere verbanden, met een verkleinglas.
Zelfs de schors laat beide blikken toe. Van dichtbij is de bast van een oude eik een landschap op zich: diepe, lengtegerichte groeven, ribbels die in stukken breken, en daartussen mossen, korstmossen en kleine insecten. Een jonge eik heeft daarentegen nog een vrij gladde, grijzige schors zonder diepe groeven. Met het vergrootglas is te zien hoe de buitenste lagen openscheuren doordat de stam van binnenuit in dikte groeit. Met het verkleinglas wordt die gegroefde bast een teken van ouderdom, van een boom die al veel seizoenen heeft doorstaan.
De eik door het verkleinglas
Wat levert dat grotere verband concreet op? Om te beginnen de gestalte. Een eik die vrij in een weiland staat, vormt een brede, ronde kroon met zware zijtakken die soms tot dicht bij de grond reiken. Dezelfde soort groeit in een dicht bos tot een hoge, rechte stam met een kleine kroon helemaal bovenin. De boom is dezelfde, de vorm niet: de gestalte is een antwoord op de plek.
Daarna de groeiplaats. De zomereik komt in Nederland op veel bodems voor, van arme zandgronden tot rijkere leem- en kleigronden, en staat vaak op plekken die in de winter vochtig zijn. Hij verdraagt veel licht en groeit langzaam, zodat hij honderden jaren oud kan worden. In de loop van die tijd wordt hij zelf een omgeving. Op een oude eik leven talloze insectensoorten, vogels nestelen in zijn holten, en zijn eikels zijn voedsel voor gaaien, eekhoorns en wilde zwijnen. De gaai begraaft eikels en vergeet er een deel van; zo helpt hij de eik om zich te verspreiden.
Ten slotte het landschap. Waar oude eiken staan, vertellen ze iets over de geschiedenis van een streek: over oude bosranden, houtwallen en erven. Een eik op een kruispunt van wegen of midden op een brink is vaak bewust geplant en bewaard. De boom is dan ook een deel van de menselijke geschiedenis van dat landschap.
Geen van deze inzichten is met een microscoop te vinden, en toch zijn ze allemaal waar te nemen. Ze beantwoorden een ander soort vraag: niet waaruit de eik bestaat, maar hoe hij in zijn wereld staat.
Een tweede voorbeeld: de koe
Bij een koe werkt het vergrootglas uitstekend. Het maakt zichtbaar dat een koe een herkauwer is met vier maagafdelingen: pens, netmaag, boekmaag en lebmaag. In de pens leeft een enorme hoeveelheid micro-organismen die de celwanden van gras afbreken, iets wat de koe zelf niet kan. Het voedsel wordt opgeboerd, opnieuw gekauwd en weer doorgeslikt. Wie verder inzoomt, komt bij de bacteriën, de enzymen en de genen die daarbij betrokken zijn.
Met het verkleinglas verschuift de vraag. Dan gaat het om de koe in de kudde, om de weide waarop ze graast, om de mest die ze teruggeeft aan de bodem en om de plaats van het dier op een boerderij. Op een gemengd bedrijf is de koe een schakel tussen gras en akker: ze zet ruwvoer dat de mens niet kan eten om in melk, vlees en mest, en die mest voedt weer de gewassen. De pagina over de herkauwers laat zien hoe de hele bouw van het dier op die spijsvertering is ingericht.
Beide blikken zijn nodig. Zonder kennis van de pens is niet te begrijpen waarom een koe zoveel tijd besteedt aan liggen en herkauwen. Zonder het grotere verband blijft onduidelijk waarom de koe in de landbouw een zo centrale plaats inneemt.
Het verkleinglas van Bolk
Louis Bolk (1866 – 1930) was hoogleraar anatomie aan de Universiteit van Amsterdam. Als anatoom kende hij de onderdelen van het menselijk lichaam in detail, maar zijn bekendste gedachte ontstond door afstand te nemen. Hij vergeleek de mens als geheel met de mensapen en zag dat de volwassen mens kenmerken houdt die bij de mensapen alleen in de foetale of jeugdige fase voorkomen. Die gedachte, die later foetalisatie werd genoemd, is uitgewerkt op de pagina over de mens en de chimpansee.
Het verkleinglas betekent hier dus niet dat details onbelangrijk zijn. Het betekent dat details pas hun betekenis krijgen in het beeld van het geheel.
Wat het vergrootglas niet laat zien
Het vergrootglas heeft de biologie enorm veel opgeleverd. Dankzij de microscoop is bekend dat alle organismen uit cellen bestaan, en dankzij de moleculaire biologie hoe erfelijke eigenschappen worden doorgegeven. Toch blijft er iets over wat op dat niveau moeilijk te vatten is. Mens en chimpansee delen het grootste deel van hun erfelijk materiaal en bezitten grotendeels dezelfde genen, maar hun gestalte, hun gedrag en hun ontwikkeling verschillen sterk. Een belangrijk deel van dat verschil zit in wanneer, waar en hoe lang genen actief zijn, en dat is een vraag naar samenhang en tijd, niet naar losse onderdelen.
Iets vergelijkbaars geldt voor de vorm van een blad of een bot. Een lijst van alle stoffen waaruit het bestaat, beschrijft nog niet de vorm die het heeft. Om die vorm te begrijpen, moet naar het geheel worden gekeken: naar de plaats van het blad aan de stengel, naar de krachten die op het bot werken, naar de leefwijze van het dier waartoe het behoort.
Twee richtingen oefenen
In het onderwijs worden beide richtingen vaak apart geoefend. Bij de eerste oefening wordt een voorwerp waargenomen, waarna er nog tien details van gezocht worden. Het blijkt steeds weer dat er na het eerste snelle beeld veel meer te zien is dan verwacht: een nerf die anders loopt, een kleurverschil, een beschadiging die iets vertelt over wat het voorwerp heeft meegemaakt.
Bij de tweede oefening wordt teruggedacht aan situaties uit de eigen praktijk. In de ene situatie lag de oplossing van een probleem in het detail, in de andere juist in het grotere verband. Door zulke situaties naast elkaar te leggen, wordt duidelijk dat geen van beide richtingen op zichzelf volstaat. Het vraagt oefening om aan te voelen welke van de twee op een bepaald moment nodig is.
Vergroten en verkleinen in de embryologie
Ook in de embryologie zijn beide blikken aanwezig. Onder het vergrootglas bestaat een embryo uit cellen die zich delen, zich verplaatsen en zich specialiseren. Met het verkleinglas wordt gekeken naar de gestalte als geheel: hoe een platte schijf zich opricht, zich kromt en zich plooit tot een lichaam met een kop, een romp en ledematen. Op de pagina Embryologie: beelden van de mens wordt die tweede blik uitgewerkt, week voor week.
Detail en geheel als beweging
In de goetheanistische fenomenologie worden vergroten en verkleinen niet als twee gescheiden methoden gezien, maar als een beweging heen en weer. Eerst wordt het voorwerp zo precies mogelijk bekeken. Daarna wordt het in zijn omgeving geplaatst, en vanuit dat grotere beeld wordt opnieuw naar details gekeken, die nu anders opvallen dan eerst. Een waarnemer die weet dat een eik in het bos smal en in het weiland breed groeit, kijkt daarna anders naar de vertakking van een enkele tak.
Kunst kan bij beide richtingen helpen. Een gedetailleerde tekening scherpt het vergrootglas, een snelle schets of een tekening uit de herinnering het verkleinglas. De pagina over het gebruiken van kunst gaat daar verder op in.
In de praktijk blijkt het verkleinglas vooral nuttig wanneer een probleem in het detail niet op te lossen is. Een boer die een ziekte in zijn gewas steeds met nieuwe middelen bestrijdt, kan soms meer bereiken door naar de bodem, de vruchtwisseling en de omgeving van het perceel te kijken. De oorzaak ligt dan niet in de plant zelf, maar in de samenhang waarin de plant groeit.
Veelgestelde vragen
Wat wordt bedoeld met een verkleinglas?
Het verkleinglas is een beeld voor het tegenovergestelde van het vergrootglas: in plaats van steeds kleinere onderdelen te bekijken, wordt het voorwerp in steeds grotere verbanden geplaatst. Een boom wordt dan bekeken in zijn bos, zijn bodem en zijn landschap.
Wie was Louis Bolk?
Louis Bolk (1866 – 1930) was hoogleraar anatomie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is vooral bekend om zijn theorie dat de mens kenmerken behoudt die bij mensapen alleen in de foetale fase voorkomen. Meer daarover staat op de pagina over de mens en de chimpansee.
Is waarnemen ooit klaar?
In principe niet, want achter elk detail ligt weer een volgend detail. In de praktijk stopt waarnemen wanneer een vraag beantwoord of een probleem opgelost is. Dat verklaart ook waarom veel onderzoeken eindigen met de aanbeveling om vervolgonderzoek te doen.
Wat is het verschil tussen de gangbare wetenschap en de fenomenologie?
De gangbare biologie zoekt verklaringen steeds vaker in kleinere eenheden, tot aan het DNA toe. De fenomenologie kijkt ook naar details, maar voegt die weer samen tot omvattende beelden van het organisme in zijn omgeving. Beide benaderingen leveren een ander soort kennis op.
Waarom is detailonderzoek toch nodig?
Zonder nauwkeurige kennis van de onderdelen blijft een beeld van het geheel vaag. Wie de samenhang van een koe met haar weide wil begrijpen, heeft kennis nodig van haar spijsvertering. Vergroten en verkleinen zijn twee bewegingen die elkaar aanvullen.
Hoe ziet het verkleinglas eruit bij een eik?
Met het verkleinglas wordt gekeken naar de gestalte van de eik, zijn groeiplaats, het bos waarin hij staat en het landschap. Zo wordt zichtbaar dat een vrijstaande eik een brede kroon vormt, terwijl een eik in een dicht bos hoog en smal opgroeit.
Hoe verteert een koe haar voedsel?
Een koe is een herkauwer met vier maagafdelingen: pens, netmaag, boekmaag en lebmaag. In de pens breken micro-organismen het plantaardige materiaal af, en het voedsel wordt opgeboerd en opnieuw gekauwd. Op de pagina over herkauwers staat meer over deze groep.
Kan het verkleinglas ook buiten de biologie worden gebruikt?
Ja. Bij veel praktische vragen, zoals de inrichting van een bedrijf of een tuin, helpt het om een probleem in een groter verband te plaatsen. Soms ligt een oplossing niet in een detail, maar in de samenhang waarin het detail staat.
