Dynamisch

Tastzin – aanraking, huid en de grens van het lichaam

De huid als zintuigorgaan
Illustratie bij: De huid als zintuigorgaan

Wie een steen oppakt, voelt in één beweging het gewicht, de koelte, de ruwe of gladde huid van de steen en de randen waar het oppervlak omslaat. Dat alles gebeurt zonder erbij na te denken. De tastzin werkt zo vanzelfsprekend dat hij pas opvalt wanneer hij uitvalt: een verdoofde lip na een bezoek aan de tandarts of een hand die "slaapt" maakt ineens duidelijk hoeveel informatie de huid voortdurend levert. Deze pagina beschrijft hoe de tastzin lichamelijk is opgebouwd en hoe de leer van de twaalf zintuigen, die op de inleiding over de zintuigen wordt voorgesteld, de tastzin plaatst.

De huid als zintuigorgaan

De huid is het grootste orgaan van het lichaam. Ze bestaat uit drie lagen: de opperhuid (epidermis), die aan de buitenkant verhoornt en steeds wordt vernieuwd, de lederhuid (dermis) met bindweefsel, bloedvaten, zweetklieren en haarzakjes, en daaronder het onderhuidse bindweefsel met vet. In al die lagen liggen zintuigcellen en zenuwuiteinden, maar niet overal even dicht en niet overal van dezelfde soort.

Een belangrijk onderscheid is dat tussen onbehaarde en behaarde huid. Onbehaarde huid vindt men op de handpalmen, de vingertoppen, de voetzolen en de lippen. Daar is de huid dikker, gegroefd door de papillairlijnen die de vingerafdruk vormen, en daar ligt de fijnste tastgevoeligheid. De rest van het lichaam is behaard, ook waar de haartjes nauwelijks zichtbaar zijn, en daar spelen de haren zelf een rol bij het voelen.

Vier soorten mechanoreceptoren

In de onbehaarde huid worden gewoonlijk vier typen tastreceptoren onderscheiden. Ze verschillen in ligging, in bouw en vooral in de manier waarop ze op een prikkel reageren.

De lichaampjes van Meissner liggen hoog in de lederhuid, in de kleine uitstulpingen die tegen de opperhuid aan drukken. Ze zijn talrijk in de vingertoppen. Meissnerlichaampjes passen zich snel aan: ze geven een salvo impulsen wanneer een aanraking begint en wanneer ze ophoudt, en zwijgen bij gelijkblijvende druk. Daardoor zijn ze gevoelig voor lichte aanraking, voor iets dat over de huid glijdt en voor langzame trillingen. Ze helpen ook om een voorwerp dat uit de hand dreigt te glijden op tijd steviger vast te pakken.

De schijfjes van Merkel liggen dieper in de basale laag van de opperhuid. Ze passen zich langzaam aan en blijven signaleren zolang de druk aanhoudt. Merkelcellen zijn bij uitstek geschikt voor het waarnemen van vorm, randen en fijne structuur. Wie met de vingertop over braille of over het reliëf van een munt gaat, gebruikt vooral deze receptoren.

De lichaampjes van Pacini zijn de grootste. Ze liggen diep in de lederhuid en in het onderhuidse weefsel en zijn opgebouwd uit vele laagjes rond een zenuwuiteinde, als de rokken van een ui. Die bouw maakt ze ongevoelig voor langzame drukverandering en zeer gevoelig voor snelle trillingen. Via een stuk gereedschap in de hand, een pen of een hamer, worden trillingen van het oppervlak waarop het gereedschap rust zo tot in de hand gevoeld.

De uiteinden van Ruffini liggen eveneens dieper en passen zich langzaam aan. Ze reageren op rek van de huid, bijvoorbeeld wanneer de huid over de knokkels spant bij het buigen van de vingers. Daarmee leveren ze ook informatie over de stand van de gewrichten en werken ze nauw samen met de bewegingszin.

Haarzakjes en vrije zenuwuiteinden

In de behaarde huid is elk haarzakje omgeven door zenuwuiteinden. Een haar werkt als een hefboom: een lichte beroering van de haarpunt wordt aan de voet van de haar versterkt waargenomen. Een insect dat over de onderarm loopt, wordt daardoor opgemerkt voordat het de huid zelf raakt. Bij veel zoogdieren is dit principe verder uitgewerkt in de snorharen, die met een rijke zenuwvoorziening in een bloedgevulde follikel staan. Een kat of een muis tast er in het donker de ruimte mee af, iets wat ook op de pagina over hond en kat ter sprake komt.

Daarnaast lopen door de hele huid vrije zenuwuiteinden, zonder omhulsel of kapsel. Zij registreren vooral pijn, warmte, kou en jeuk, en een grove vorm van aanraking. Een bijzondere groep langzaam geleidende vezels in de behaarde huid reageert het sterkst op zacht, langzaam strelen. Onderzoek heeft laten zien dat deze vezels minder bijdragen aan het herkennen van wat er aanraakt dan aan het gevoel of de aanraking prettig is. Aanraking heeft zo, naast een informatieve, ook een gevoelsmatige kant, die al in de bouw van de huid is terug te vinden.

Dichtheid en onderscheidingsvermogen

Hoe fijn de tastzin is, hangt af van de dichtheid van de receptoren en van de grootte van het huidveld dat één zenuwvezel bedient. Een klassieke proef is de tweepuntsdrempel: met twee passerpunten wordt de huid tegelijk aangeraakt, en de vraag is vanaf welke afstand de twee punten als twee worden gevoeld. Op de vingertoppen en de lippen is die afstand enkele millimeters. Op de rug of het bovenbeen kunnen de punten centimeters uit elkaar staan en toch als één aanraking worden ervaren.

Vier soorten mechanoreceptoren
Illustratie bij: Vier soorten mechanoreceptoren

Ook de tong is uiterst gevoelig voor vorm. Een klein gaatje in een kies voelt met de tong veel groter aan dan het in werkelijkheid is, omdat de tong zo dicht met receptoren is bezet.

De weg naar de hersenen

De impulsen uit de tastreceptoren lopen via gevoelszenuwen naar het ruggenmerg. De cellichamen van deze zenuwcellen liggen in de spinale ganglia, kleine knopen naast de wervelkolom. Elke ruggenmergszenuw verzorgt een eigen strook huid, een dermatoom. Samen liggen de dermatomen als banden over de romp en in lengterichting over armen en benen, een patroon dat teruggaat op de gelede aanleg van het embryo, waarin het lichaam uit opeenvolgende segmenten is opgebouwd. Over die segmenten gaat de pagina over de vierde week.

Fijne aanraking, trilling en informatie over de stand van de gewrichten stijgen in het ruggenmerg op in de achterstrengen, kruisen in de hersenstam naar de andere kant en bereiken via de thalamus de primaire somatosensorische schors. Die ligt als een smalle strook achter de centrale groeve van de grote hersenen. Pijn en temperatuur kruisen al in het ruggenmerg en lopen via een andere baan omhoog. Dat verklaart waarom bij bepaalde beschadigingen van het ruggenmerg aanraking en pijn aan verschillende kanten van het lichaam kunnen uitvallen.

In de somatosensorische schors is het lichaam als een vertekende kaart weergegeven. De neurochirurg Wilder Penfield bracht die kaart in het midden van de twintigste eeuw in beeld door de schors van wakkere patiënten tijdens operaties voorzichtig te prikkelen. Handen, lippen en tong nemen er een onevenredig groot deel in, de romp een klein deel. De tekening die daaruit voortkwam, het sensorisch homunculus, laat een figuurtje zien met enorme handen en lippen: een beeld van hoe het lichaam van binnenuit wordt gevoeld, niet van hoe het eruitziet.

Tasten is bewegen

Een stilliggende vinger die wordt aangeraakt, voelt veel minder dan een vinger die zelf over een oppervlak gaat. Bij het actieve tasten werken tastzin en bewegingszin samen: de hand knijpt om de hardheid te schatten, weegt om het gewicht te voelen, strijkt over een stof om de structuur te leren kennen en volgt met de vingers de omtrek om de vorm te begrijpen. Blinden lezen braille door de vingers in een gelijkmatig tempo over de puntjes te bewegen. Stil op de letters gelegd, zegt dezelfde vinger veel minder.

Ook de evenwichtszin leunt op de huid. De drukverdeling onder de voetzolen vertelt of het gewicht naar voren, naar achteren of naar een kant verschuift, en de kleine correcties in de kuitspieren volgen die informatie.

De tastzin in de leer van de twaalf zintuigen

De fysiologie beschrijft de tastzin als een verzameling receptoren en banen. De leer van de twaalf zintuigen, die teruggaat op Rudolf Steiner, vraagt vooral wat er in het tasten eigenlijk wordt waargenomen. In deze antroposofische benadering is de tastzin de eerste van vier lichaamszinnen of lagere zintuigen: tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin. Ze worden ook wilszintuigen genoemd, omdat ze grotendeels onbewust werken en nauw met het handelen verbonden zijn.

Haarzakjes en vrije zenuwuiteinden
Illustratie bij: Haarzakjes en vrije zenuwuiteinden

Volgens Steiner neemt de mens bij het tasten niet zozeer het voorwerp zelf waar als wel de eigen grens. De hand raakt de tafel, de tafel geeft niet mee, en in die weerstand ervaart de mens dat hij een afgesloten lichaam is. Van de binnenkant van het voorwerp komt de tastzin niets te weten; hij meldt alleen waar het eigen lichaam ophoudt. In die zin is de tastzin volgens deze benadering een zintuig voor het eigen lichaam en pas in tweede instantie voor de wereld.

In de antroposofische literatuur worden de lagere zintuigen bovendien in verband gebracht met de hogere, geestelijke zintuigen. De tastzin wordt daarbij als tegenpool gezien van de zin waarmee de ander als persoon wordt waargenomen, bij Steiner de „Ich-Sinn”: waar de tastzin de eigen grens waarneemt, zou die hoogste zin het wezen van de ander waarnemen. Dat is een gedachtegang binnen die traditie, geen fysiologische bewering.

Ook de pedagogiek van de vrijescholen leunt op deze indeling. Daarin wordt de verzorging van de lichaamszinnen, zoals een rustige, betrouwbare omgang met aanraking, tot de opvoedkundige taken van de eerste levensjaren gerekend. Hoe die jaren in het antroposofische mensbeeld worden gezien, staat op de pagina over de eerste zeven jaar.

Tastzin bij dieren

Dieren tasten met heel verschillende organen. Mollen hebben aan de snuit duizenden kleine tastorgaantjes, de organen van Eimer, waarmee ze onder de grond hun prooi herkennen. Zeehonden volgen met hun snorharen de waterwervelingen die een zwemmende vis achterlaat. Vogels als snippen en strandlopers hebben in de snavelpunt clusters van trillingsgevoelige lichaampjes, waarmee ze prooidieren in de modder opsporen zonder ze te zien. Wie de gestalte van zo'n dier als geheel bekijkt, ziet dat het tastorgaan telkens aan de voorkant ligt, waar het dier de wereld het eerst tegemoet gaat: in de snuit, de snorharen of de snavel. Bij de mens heeft de hand die functie overgenomen, vrijgekomen doordat de mens rechtop loopt.

Aanraking en ontwikkeling

De tastzin ontwikkelt zich vroeg. Tegen het einde van de embryonale periode reageert de huid rond de mond al op een lichte aanraking, en in de weken daarna breidt die gevoeligheid zich uit over het gezicht, de handpalmen en ten slotte de rest van het lichaam. Bij de geboorte is de tastzin een van de meest ontwikkelde zintuigen. De grijpreflex van een pasgeborene, die zich om een vinger in de handpalm sluit, is een direct antwoord op aanraking van de handpalm.

In de loop van het leven blijft de tastzin veranderen. Wie veel met de handen werkt, een musicus, een pottenbakker of een melker, ontwikkelt een fijner onderscheidingsvermogen in precies die huidgebieden, en de kaart in de hersenschors past zich daaraan aan. Op hoge leeftijd neemt het aantal Meissnerlichaampjes af en wordt de tastzin grover, wat onder meer blijkt uit moeite met kleine knoopjes. De huid van de vingertoppen, die bij de geboorte al haar blijvende lijnenpatroon draagt, blijft zo een leven lang het meest verfijnde tastorgaan.

Veelgestelde vragen

Wat is de tastzin?

De tastzin is het vermogen om aanraking, druk, trilling en rek van de huid waar te nemen. De waarneming ontstaat in zintuigcellen en zenuwuiteinden in de huid en wordt via het ruggenmerg naar de hersenschors geleid. In de leer van de twaalf zintuigen hoort de tastzin bij de lichaamszinnen.

Welke tastreceptoren heeft de huid?

In de onbehaarde huid liggen vier soorten mechanoreceptoren: de lichaampjes van Meissner, de schijfjes van Merkel, de lichaampjes van Pacini en de uiteinden van Ruffini. In de behaarde huid komen daar de zenuwuiteinden rond de haarzakjes bij. Vrije zenuwuiteinden registreren vooral pijn, temperatuur en jeuk.

Waarom zijn de vingertoppen zo gevoelig?

In de vingertoppen liggen de tastreceptoren veel dichter op elkaar dan op bijvoorbeeld de rug, en elk zenuwvezeltje bedient er een klein huidveld. Bovendien neemt de hand in de somatosensorische hersenschors een onevenredig groot gebied in. Daardoor kunnen twee punten op een vingertop op enkele millimeters afstand nog gescheiden worden gevoeld.

Waarom voel je kleding na een tijdje niet meer?

Een deel van de tastreceptoren past zich snel aan: ze reageren op het begin en het einde van een aanraking, niet op aanhoudende druk. De lichaampjes van Meissner en Pacini gedragen zich zo. Blijft de prikkel gelijk, dan verdwijnt het gevoel van de kleding uit de aandacht, net zoals een geur na een tijd niet meer wordt geroken.

Wat is het verschil tussen passief en actief tasten?

Bij passief tasten wordt de huid aangeraakt terwijl de hand stil ligt. Bij actief tasten beweegt de hand zelf over een voorwerp en werken tastzin en bewegingszin samen. Vorm, gewicht en structuur van een voorwerp worden vooral op die tweede manier herkend.

Wat is een dermatoom?

Een dermatoom is het huidgebied dat zijn gevoelszenuwen via één ruggenmergszenuw aan het ruggenmerg levert. Samen vormen de dermatomen een reeks banden over romp en ledematen. Artsen gebruiken die indeling om te bepalen op welke hoogte een zenuwwortel is aangedaan.

Hoe ziet de antroposofie de tastzin?

Volgens Rudolf Steiner is de tastzin de eerste van de vier lichaamszinnen, naast levenszin, bewegingszin en evenwichtszin. In die benadering neemt de mens bij het tasten vooral de eigen grens waar: de wereld stoot hem terug, en juist daardoor ervaart hij zichzelf als afgegrensd lichaam.

Wanneer ontwikkelt de tastzin zich?

De tastzin is een van de vroegste zintuigen. Rond het einde van de embryonale periode, in de tweede maand, reageert de huid rond de mond al op aanraking, en daarna breidt de gevoeligheid zich uit over gezicht, handen en romp. Over de vroege vormontwikkeling gaat de pagina over de vijfde tot achtste week.

Is de tastzin hetzelfde als het gevoel voor warmte en pijn?

Niet helemaal. Warmte, kou en pijn worden grotendeels door andere zenuwvezels waargenomen dan fijne aanraking, en ze lopen in het ruggenmerg deels via een andere baan. In de leer van de twaalf zintuigen wordt de warmtezin daarom apart geteld, bij de zintuigen die op de omgeving zijn gericht.

↑