De
vijfde tot de
achtste week: de ont-wikkeling
In
de vierde week is er in het centrum een lichaam gevormd dat een
duidelijke grens heeft met de voedende periferie. Nu is er nog een
laatste groeibeweging nodig: de inwikkeling moet worden
omgekeerd. De mens moet uit de inwikkeling komen en weer uitwikkelen of
beter: ont-wikkelen, een typisch menselijke beweging en eigenschap.
In dit hoofdstuk
zal worden beschreven:
- hoe het lichaam
verandert tot het eind van de achtste week;
- de ontwikkeling
van de ledematen;
- de ontwikkeling
van tweelingen (als vervolg op de tweede week);
- de ontwikkeling
van de vliezen.
Veranderingen
van het embryo
In
de afbeeldingen 34 en 35 zijn 4 stadia van het embryo getekend als
zij-aanzicht van de vijfde tot de achtste week.
Op de 32ste
dag (afb. 34 links) is het embryo nog meer naar binnen gewikkeld dan
aan het eind van de vierde week. Hoofd en staart zijn naar elkaar
gericht. De rug is rond en gebogen. Het hoofd is groot, met name het
hersengedeelte, en ligt over het grote hart heen. De
navelstreng is compact; hechtsteel, dooierzak en allantois liggen
dicht tegen elkaar aan. De ledematen zijn als peddels aanwezig.
Op de 41ste
dag (afb. 34 rechts) heeft de rug zich gedeeltelijk gestrekt en is
het embryo minder rond. Het hoofd wordt door het grote hart naar boven
geduwd. In de navelstreng is een bobbel te zien, die wordt
veroorzaakt doordat een deel van het spijsverteringskanaal geen plek
in de buik kan vinden en uit het lichaam is gestulpt naar de
navelstreng. De korte staart
is nog aanwezig. De ledematen zijn gegroeid en vingers en tenen zijn
zichtbaar.
Op
de 51ste
dag (afb. 35 links) is het hoofd nog geknikt ten opzichte van de rug.
De
nek wordt zichtbaar als een lichte welving. Het hoofd is ronder
geworden en
ogen en oren zijn te zien. Het hart is in de romp opgenomen, de darmen
puilen nog uit. Armen en benen steken uit de romp en zijn langer
geworden. De staart is verdwenen.
Op de 56ste
dag (afb. 35 rechts) is het lichaam een klein mensje. Het grote ronde
hoofd met het grote voorhoofd, ogen en oren staat recht op de romp. De
nek is gevormd. Er is een bol buikje, in de navelstreng is de bult
van het uitpuilende spijsverteringskanaal nog zichtbaar. De heup en
lende zijn gevormd. De benen staan onder de
romp.
Karakteristiek
In
de vijfde tot achtste week krijgt het lichaam zijn vorm. Eerst wordt
de inwikkelende beweging van de vierde voortgezet en wordt het embryo
ronder. Daarna strekt de rug zich, men kan
ook zeggen “ont-wikkelt” zich (een term die bij de
mens past) en worden eerst de nek en daarna de
lende en heup zichtbaar. Dit proces gaat van boven naar beneden: eerst
komt de nek,
dan de lende. Hoofd en ledematen worden zo afgescheiden van
de romp en zorgen ervoor dat hoofd, borst en
ledematen aparte gebieden worden.
Zichtbaar is ook de polariteit
tussen het gesloten, ronde hoofd en de radiaire, langgerekte
ledematen. In veel opzichten zijn zij elkaars tegengestelden met de
romp ertussen.
Hoofd, romp en ledematen zijn gescheiden en
hebben elk hun eigen taak: het hoofd dient vooral het waarnemen en
het denken, de romp met hart en longen het gevoel en de ledematen
dienen het handelen.
Ook
apen maken de strekking van de rug en vorming van nek en lende door,
maar verliezen de rechtopgaande eigenschappen weer, de chimpansee pas
na de geboorte (Verhulst).
De
mens is het enige organisme dat rechtop staat en gaat: alle
gewrichten (nek, schouders, heup, knie, enkel) bevinden zich in een
verticaal vlak. Wanneer de mens staat, is hij in balans. Staan en
voortbeweging kosten weinig energie. Omdat hij alleen op zijn benen
staat, zijn de handen vrij om naar eigen inzicht te gebruiken.
De
ledematen (incl. karakteristiek)
Aan
het eind van de vierde week verschijnen de knoppen van de armen en
twee dagen later van de benen (afb. 33). Afb. 37 laat de ontwikkeling
van de ledematen zien. Van de armen verschijnt eerst het uiteinde, de
knop die de vingers zullen worden. Daarna verschijnen de handen en
vervolgens de onderarmen, de bovenarmen en als laatste de schouders.
Vingers en tenen verschijnen eerst als een plaat, die stralen krijgen
en na een fase waarin ze op zwemvliezen lijken verschijnen de
afzonderlijke vingers en tenen. Op de 52ste
dag zijn de armen en vingers geheel gevormd, op de 56ste
dag de benen en tenen.
De armen en benen liggen eerst
zijdelings naast het lichaam. In de 8ste
week draaien de armen naar buiten (exorotatie) en de benen naar
binnen (endorotatie), waardoor de handen naar boven gericht worden en
de voeten naar beneden (afb. 35). De voeten zijn op de aarde gericht,
de handen op de lucht, de hemel.
Ook is te zien dat de armen op het
hart liggen en de benen op de navelstreng. De armen bewegen mee met
het ritme van de eigen (snelle) hartslag en de benen bewegen mee met
het ritme van het bloed in de navelstreng, dat wordt bepaald door de
hartslag van de moeder. De armen bewegen mee met het eigen ritme van
het embryo, de benen met dat van de moeder. De armen zijn meer van
het embryo, de benen meer van de omgeving. De armen zijn vanaf het
begin meer op het embryo zelf gericht, de benen meer op de
omgeving.
De mens staat tussen hemel en aarde en is via zijn
voeten op de aarde gericht en via zijn handen op de hemel. De voeten
zijn aarde-gebonden, de handen zijn vrij.
| |
armen |
benen |
| draaiing |
naar buiten
(exorotatie) |
naar binnen
(endorotatie) |
| richting |
handen naar boven |
voeten naar beneden |
| plaats |
op het hart |
langs de navelstreng |
Aan de kant van het hoofd ontwikkelt het embryo zich sneller dan aan de
kant van de stuit. Het neurale kanaal is daar eerder gesloten, het
spijsverteringskanaal wordt daar eerder gevormd en de armen ontstaan
eerder dan de benen. Dit wordt de cranio-caudale (= hoofd-stuit)
groeibeweging genoemd. Bij de ledematen daarentegen verschijnen niet de
schouders en het bekken eerst, maar de vingers en tenen en ontstaat dat
wat het dichtst bij het centrum ligt het laatst en dat wat het verst
ervan verwijderd is het eerst. Dit is een omkering van de eerder
genoemde ontwikkelingsrichting. Dit zou men de periferie-centrum
(= distaal-proximale) groeibeweging kunnen noemen (afb. 39). Deze
groeibeweging is voor de
mens belangrijk, omdat dat wat het laatst ontstaat het langst
kan doorgroeien. Zo worden, door de lange embryonale ontwikkelingsduur
van de mens, de benen langer dan de armen en de bovenbenen
langer dan de onderbenen (Verhulst). Deze tweede groeibeweging bepaalt
daarmee in
belangrijke mate de menselijke, rechtopgaande gestalte.
Tweelingen
In
aanvulling op hoofdstuk 5 staan in afb. 40 vervolgtekeningen van de
drie typen tweelingen die kunnen ontstaan.
Beide embryo’s
van de twee-eiige tweeling liggen elk in hun eigen chorion en amnion,
de placenta’s kunnen los liggen of vergroeid zijn.
De
een-eiige tweeling uit de eerste week is ontstaan uit twee
embryoblasten binnen een trofoblast. De embryo’s liggen samen
in een
chorion
en delen de placenta en liggen elk in hun eigen amnion.
De
een-eiige tweeling uit de tweede week is ontstaan uit een deling van
de embryonale schijf. De embryo’s delen amnion, chorion en
placenta. Het gevaar is groot dat de navelstrengen om elkaar winden
en dat de bloedtoevoer van een van beiden wordt afgebonden.
De
vliezen
Het
embryo wordt omhuld door het amnion, het chorion en de
baarmoederwand. Het embryo groeit en wordt na de achtste week foetus
genoemd. In afb. 41A is het amnion in de vierde week nog klein en hangt
de embryonale schijf met amnion en dooier vrij in de chorionholte.
Bij B is de amnionholte groter geworden en neemt het bijna geheel de
chorionholte in. De baarmoederholte wordt bijna geheel door beide
opgevuld. Bij C is te zien dat de baarmoederholte geheel door de
foetus wordt gevuld. De chorionholte is zo goed als geheel gevuld
door de amnionholte. Uiteindelijk zullen chorion en amnion vergroeien
(afb. 41D). Vruchtwater is amnionvloeistof.
Beelden
van de mens
Wanneer
is het embryo een mens? Is het altijd een mens, of wordt het pas vanaf
een bepaald moment mens? Een embryo van 8 weken lijkt op een mens.
Een eencellige zygote lijkt meer op andere eencellige organismen en
niet op een mens. De embryonale stadia uit de vierde week zien er
vreemd en weinig menselijk uit.
Een antwoord kan worden
gevonden door terug te kijken. Een volwassene ziet er anders uit en
gedraagt zich anders dan een puber en die ziet er anders uit dan een
kind en een kind ziet er weer anders uit dan een baby. Er is een
doorgaande lijn te zien en hoewel een kind en een baby er anders
uitzien en zich anders gedragen dan de volwassene zien we ze als een
jonge mens.
Hoe zit dat dan met de foetus? Die ziet er uit
als een baby, maar heeft een ander gedrag en een andere omgeving. Wordt
een baby te vroeg
geboren, dan wordt alles in het werk gesteld om die in leven te
houden. Die foetus komt voort uit het embryo en die weer uit de
kiemschijf en die uit de blastula en die uit de zygote. Allen zijn ze
verschijningsvormen van een mens met een eigen bij de
verschijningsvorm en de omstandigheden passend gedrag. Zoals de baby
verschilt van de volwassene, zo verschilt de zygote van de baby. Dat
leidt tot mijn conclusie dat het embryo altijd mens is, alleen in een
andere verschijningsvorm. Vandaar: embryologie: beelden van de mens.
|
Afbeelding
34. Links: embryo op dag 32; rechts op dag 41; resp. 7 en 12 mm
lang.
Afbeelding 35. Links: embryo op dag 51; rechts op
dag 56; resp. 22 en 30 mm lang.
Afbeelding 36. De
mens-mens (ontleend aan van der Wal, naar Hartmann)
Evenals de
dieren, is de mens een ingekeerd organisme met een binnenwereld. Het
verschil is
dat de mens niet alleen een fysiek centrum heeft, maar
ook een geestelijk centrum: zijn zelfbewustzijn. De mens heeft een
standpunt van waaruit hij de wereld en zichzelf bekijkt en hij kan
vanuit zijn centrum vrij handelen.
Afbeelding 37.
Ontwikkeling van de armen
Eerst verschijnt er een knop van de
handen, bij C zijn ook de onderarmen zichtbaar, bij D de bovenarm,
bij E de schouderbladen. Het mesoderm verhardt langzaam, de beenderen
bestaan eerst nog uit kraakbeen.
Afbeelding 38. Ontwikkeling
van de vingers
Eerst zijn er peddelvormige plaatjes,
waarin de vingers als stralen ontstaan. De stralen worden dikker en
ertussen wordt het weefsel dunner. Het dunne weefsel verdwijnt en
de afzonderlijke vingers zijn gevormd.
Tabel 5.
Verschillen tussen armen en benen
Afbeelding 39. Links:
cranio-caudale groeibeweging en rechts de periferie-centrum
groeibeweging (naar Verhulst)
Afbeelding
40. Tweelingen, van links naar rechts: twee-eiig, een-eiig uit de
eerste week en een-eiig uit de tweede week. Uitleg in de
tekst.
Afbeelding 41. De ontwikkeling van de vliezen en
de
placenta. A: 4de
week, B: 8ste
week, C: 16de
week, D: 22ste week
Bij 41A. is het amnion
in de vierde week nog klein en hangen
de embryonale schijf met het amnion en de dooier vrij in de chorionholte.
Bij B is de amnionholte groter geworden en neemt het bijna
de gehele
chorionholte in. De baarmoederholte wordt dan bijna geheel door beide
ingenomen.
Bij C is te zien dat de baarmoederholte geheel door de
foetus wordt gevuld. De chorionholte is dan zo goed als geheel gevuld
door de amnionholte. Uiteindelijk zullen chorion en amnion vergroeien
(afb. 41D).
|