Dynamisch

Wilsoefening – initiatief in het handelen

De opzet
Illustratie bij: De opzet

Onder de zes nevenoefeningen die Rudolf Steiner beschreef, staat de wilsoefening op de tweede plaats, direct na de denkoefening. Waar de denkoefening zich richt op het denken, gaat het hier om het handelen. In de antroposofische traditie heeft ze als doel dat een mens meer controle krijgt over wat hij doet, en dat een handeling voortkomt uit een eigen besluit in plaats van uit gewoonte, behoefte of druk van buitenaf.

De opzet

De oefening zoals ze in de literatuur beschreven wordt, is opvallend eenvoudig. Iemand kiest een kleine handeling die geen enkel nut heeft en die niet tot de dagelijkse gewoonten behoort. Die handeling wordt elke dag uitgevoerd, op een vooraf vastgesteld tijdstip. Voorbeelden die vaak genoemd worden zijn een ring van de ene naar de andere hand verplaatsen, een potlood op een andere plek leggen of een plant op een vast uur water geven. Het gaat niet om de handeling zelf. Het gaat om het feit dat ze gebeurt, alleen omdat ze is voorgenomen.

Juist de zinloosheid is volgens de traditie de kern. Wie de afwas doet, doet dat omdat het nodig is; het nut draagt de wil. Wie elke ochtend dezelfde route fietst, wordt door de gewoonte gedragen. Bij een handeling die nergens toe dient, valt die steun weg. Wat overblijft is het eigen initiatief, en dat zou in deze oefening zichtbaar en sterker worden.

Waarom de wil?

In de antroposofische menskunde bestaat de ziel uit drie vermogens: denken, voelen en willen. Ze worden in verband gebracht met de driegeleding van de mens, waarin de wil hoort bij het stofwisselings- en ledematenstelsel. Van de drie wordt de wil in deze beschrijving het minst bewust genoemd. Een mens weet meestal wel wat hij denkt, soms wat hij voelt, maar het handelen gebeurt vaak zonder dat het besluit daartoe helder is geweest. De wilsoefening wil dat onbewuste deel een stukje in het licht brengen.

Volgens de traditie komen denken, voelen en willen bij het mediteren losser van elkaar te staan. De nevenoefeningen zouden hun samenhang versterken. De wilsoefening levert daaraan haar eigen bijdrage: het handelen wordt verbonden met een voornemen dat eerst in het denken is gevormd.

Wat er in de praktijk wordt beschreven

Wie over de oefening schrijft, noemt bijna altijd hetzelfde verloop. De eerste dagen gaat het vanzelf, omdat het nieuwe van de oefening meetrekt. Daarna wordt het tijdstip vergeten, of schiet de handeling er in de drukte van de dag bij in. Op dat moment begint volgens de literatuur het eigenlijke werk, omdat de wil nu zonder de steun van nieuwsgierigheid moet worden opgebracht. Het vergeten zelf wordt niet als mislukking beschouwd. Het maakt zichtbaar hoe sterk het dagelijks leven de aandacht opslokt.

Over de duur heeft Steiner verschillende uitspraken gedaan. In de latere literatuur wordt vaak een periode van ongeveer vier weken per oefening genoemd, waarna de volgende oefening aan de beurt komt, terwijl de vorige zoveel mogelijk wordt voortgezet. Ook een kortere afwisseling komt in de beschrijvingen voor. Het boek Het zesvoudige pad van J. van Dam behandelt de zes oefeningen in samenhang.

De plaats in de reeks

In de gebruikelijke volgorde volgt na de wilsoefening de gevoelsoefening, gericht op gelijkmoedigheid in het voelen. Daarna komen de positiviteitsoefening, waarin denken en voelen samengaan, en de onbevangenheidsoefening, waarin voelen en willen samenwerken. De zesde oefening, innerlijke harmonie, brengt de vorige vijf samen. Voor het voelen en de verbinding tussen denken en voelen is er ook de pagina oefeningen voor denken en voelen. Het volledige overzicht met de doelen van elke oefening staat op de pagina over de zes nevenoefeningen.

Binnen die reeks is de wilsoefening de meest onopvallende. Ze vraagt geen stilte en geen bijzondere plek. Een paar seconden per dag volstaan, en toch wordt ze in de literatuur vaak als de lastigste van de zes genoemd, omdat niemand anders dan de beoefenaar zelf merkt of de ring die dag van hand is gewisseld.

Veelgestelde vragen

Wat is de wilsoefening?

De wilsoefening is de tweede van de zes nevenoefeningen die Rudolf Steiner beschreef. Ze bestaat uit een kleine, op zichzelf zinloze handeling die iemand elke dag op een zelfgekozen tijdstip uitvoert, alleen omdat hij of zij dat zo heeft besloten.

Waarom moet de handeling zinloos zijn?

Volgens de traditie mag de handeling geen nut of gewoonte achter zich hebben, omdat anders het nut of de gewoonte de wil draagt. Alleen bij een handeling zonder uiterlijke reden zou het eigen initiatief zichtbaar worden.

Welke voorbeelden worden vaak gegeven?

In de literatuur over de nevenoefeningen worden voorbeelden genoemd als op een vast tijdstip een ring aan de andere hand schuiven, een voorwerp verplaatsen of een plant water geven. Het gaat om de vorm van de handeling, niet om de inhoud.

Hoe verhoudt de wilsoefening zich tot de denkoefening?

De denkoefening gaat over controle over het denken, de wilsoefening over controle over het handelen. Samen vormen ze in de gebruikelijke volgorde het begin van de reeks.

Hoe lang wordt de wilsoefening gewoonlijk gedaan?

In de antroposofische literatuur wordt vaak een periode van ongeveer vier weken per oefening genoemd. Steiner zelf heeft over de duur verschillende uitspraken gedaan.

Waarom heet het een nevenoefening?

De zes oefeningen heten nevenoefeningen of basisoefeningen omdat ze naast de meditatie beoefend kunnen worden. Een overzicht van alle zes staat op de pagina nevenoefeningen.

Wat wordt in de traditie met wil bedoeld?

In de antroposofische menskunde is de wil een van de drie zielenvermogens, naast denken en voelen. Hij wordt verbonden met het handelen en met het stofwisselings- en ledematenstelsel.

Wordt de wilsoefening met andere oefeningen gecombineerd?

Ja. In de onbevangenheidsoefening worden voelen en willen gecombineerd, en in de oefening van innerlijke harmonie komen alle eerdere oefeningen samen.

↑