Dynamisch

Onbevangenheidsoefening – openheid voor het andere

Onbevangenheidsoefening – openheid voor het andere
Illustratie bij: Onbevangenheidsoefening – openheid voor het andere

In de onbevangenheidsoefening, de vijfde van de nevenoefeningen van Rudolf Steiner, gaat het erom altijd de mogelijkheid open te houden dat er iets nieuws te ervaren valt, en er rekening mee te houden dat nieuwe ervaringen oude kunnen weerspreken.

Een voorbeeld dat vaak wordt gegeven: iemand maakt voor de zoveelste keer een wandeling door het bos of fietst voor de zoveelste keer naar school of werk. Alles is al bekend. Ineens valt op dat het licht op een bijzondere manier door de bladeren valt of door het hoge gras van een weiland speelt, of dat de kleuren anders zijn en een bijzondere intensiteit hebben. Of er is ineens een onbekende geur. Doordat dit opvalt, ontstaan vrolijkheid en ontspanning, en die komen tot uitdrukking in het lichaam: een glimlach, een vrijer hoofd, een vrijere adem, een rechtere houding op de fiets of te voet. De vraag wat er zo bijzonder is, maakt duidelijk dat er eerst helemaal niet goed werd gekeken, dat de aandacht bij het eigen zelf was. De eerdere afgeslotenheid wordt merkbaar. Er is verbazing en verwondering ontstaan voor het waargenomene; de ziel heeft zich geopend voor de wereld. Dat was een moment van onbevangenheid, al was er een bijzondere waarneming voor nodig.

In deze oefening wordt onbevangenheid bewust gestimuleerd. Hoe meer kennis en vaardigheden iemand heeft, hoe moeilijker het is onbevangen te zijn en hoe minder open hij staat voor nieuwe indrukken. Er zijn al veel oordelen gevormd en er zijn patronen ontstaan in denken en handelen. Die oordelen kunnen de gedachten gevangen houden: iets of iemand is nu eenmaal zus of zo, en de verwachting is dat dat zo blijft. De alertheid voor veranderingen verdwijnt. Op bepaalde situaties en mensen wordt vanuit gewoonte gereageerd.

Het oefenen van onbevangenheid vraagt volgens deze beschrijving dat de zintuigen worden geopend en de oordelen worden teruggehouden. De wereld wordt met andere ogen bekeken en de omgeving met verwachting tegemoet getreden. Er wordt geluisterd naar nieuwe ervaringen, en dingen die eerst niet opvielen worden ontdekt. De opmerkzaamheid groeit, en het resultaat is dat de wereld zich meer in het innerlijk uitspreekt. Het gaat er niet om al verworven kennis te ontkennen; daarop wordt juist voortgebouwd, die wordt verrijkt.

Behulpzaam is een houding van vragende interesse en nieuwsgierigheid. Als resultaat groeien verbazing en verwondering: er wordt steeds iets nieuws waargenomen. Tegelijk met de nieuwe waarnemingen ontstaan nieuwe vragen.

Deze oefening is voor het denken en willen. De denkcomponent bestaat erin zoveel mogelijk open te staan voor nieuwe waarnemingen, de oordelen terug te houden en gebeurtenissen zich te laten uitspreken. De wilscomponent bestaat erin alles met vertrouwen tegemoet te treden, ervan uit te gaan dat een mens elke dag kan veranderen en dat er steeds iets nieuws te ontdekken valt. Daarna volgt de zesde oefening, die van de innerlijke harmonie.

↑