In de reeks van de zes nevenoefeningen van Rudolf Steiner worden in de zesde oefening de vorige vijf apart en in verschillende combinaties naar behoefte herhaald, zodat er harmonie ontstaat tussen denken, voelen en willen.
De voorgaande oefeningen hadden de afzonderlijke ontwikkeling van ziele-eigenschappen ten doel: de controle over het denken en het handelen, de gelijkmoedigheid ten opzichte van gevoelens van lief en leed, de positiviteit in het beoordelen van de wereld en de onbevangenheid ten opzichte van het leven. Deze oefening is bedoeld om tussen deze eigenschappen harmonie te laten ontstaan.
Sommigen hebben een sterke neiging tot denken, anderen hebben hun gevoel beter ontwikkeld, weer anderen leven sterk in de daad. Door de vijf oefeningen door elkaar heen en naar behoefte te doen, ontstaat volgens deze benadering harmonie tussen de drie vermogens van de ziel. Combinaties van oefeningen kunnen steeds een tijdlang worden gedaan, maar de beoefenaar kan zich ook laten leiden door wat op een bepaald moment of in een bepaalde levensfase nodig lijkt.
Dat het oefenen op den duur veel lijkt, wordt in de beschrijvingen erkend. Daartegenover staat de gedachte dat wie oefent, vooruitkomt. Het oefenen wordt makkelijker omdat de oefeningen eerst afzonderlijk zijn gedaan en nu op een bepaald niveau worden beheerst. Er zijn ervaringen verzameld, vaardigheden verworven en krachten opgebouwd die het doorgaan vergemakkelijken. Beoefenaars beschrijven dat ze opmerkzamer zijn geworden voor hun zieleleven, beter met zwaktes en eenzijdigheden kunnen omgaan en genuanceerder reageren dan voorheen. Deze oefening zet dat voort.
Nadat alle oefeningen een keer zijn gedaan, kan er een tijd worden gestopt en daarna opnieuw worden begonnen, of worden de oefeningen die niet makkelijk gingen weer opgepakt. Zo worden de nevenoefeningen in de antroposofische traditie gezien als een blijvend hulpmiddel voor zelfontwikkeling.
