Dynamisch

Denkoefening – controle over het denken

Denkoefening – controle over het denken
Illustratie bij: Denkoefening – controle over het denken

De denkoefening is de eerste van de zes nevenoefeningen van Rudolf Steiner. In deze oefening wordt een gewoon gebruiksvoorwerp gekozen (een potlood, wasknijper, paperclip, boek) en daar wordt iedere dag vijf minuten over nagedacht.

Het voorwerp ligt voor de beoefenaar of wordt in gedachten genomen. De eerste keer wordt het hardop beschreven, soms met het beeld dat het voorwerp aan een blinde wordt uitgelegd. Daarbij worden zoveel mogelijk zintuigen gebruikt en wordt gedurende vijf minuten zoveel mogelijk waargenomen. De volgende dagen wordt dat herhaald, en vaak vallen dan nieuwe details op. Daarna volgen vragen over het voorwerp: "Waarvoor wordt het gebruikt?", "Waarvan is het gemaakt?", "Waarom heeft het deze vorm?", "Welke vormen kan het ook hebben?", "Waar is het gemaakt?", "Welke weg heeft het afgelegd voordat het hier lag?", "Hoe zijn de grondstoffen gewonnen?". Sommige vragen zijn direct te beantwoorden, voor andere is een encyclopedie of het internet nodig. Het gaat erom dat de juistheid van de gedachten kan worden vastgesteld; anders gaan de gedachten zweven, en dat is niet de bedoeling. De volgende dag kan het laatste worden herhaald en op de eerdere gedachten worden voortgebouwd. Na enige tijd zijn alle denkbare vragen behandeld. Volgens de beschrijving gaat de oefening dan nog een of twee keer door, tot er echt geen andere aspecten meer te vinden zijn, en daarna wordt een ander voorwerp gekozen.

Wie deze oefening doet, beschrijft vaak dat het denken helderder en scherper wordt en dat waarnemingsvermogen, concentratie en objectiviteit toenemen. De interesse groeit.

De moeilijkheid van de oefening is dat de gedachten afdwalen. De opgave is vijf minuten aan het voorwerp te denken, maar vaak zijn de gedachten heel snel bij iets anders; ze werken associatief en automatisch. Iemand denkt bijvoorbeeld aan een potlood en ziet ineens in gedachten zijn oma met een potlood in haar hand zitten, oma heeft een kanarie en ineens gaat het over het fluiten van dat vogeltje. In de oefening worden zulke gedachtegangen onderbroken, want het ging om het potlood. Een andere moeilijkheid is dat er op sommige vragen geen antwoord is. Met het internet zijn veel antwoorden tegenwoordig makkelijk te vinden.

De oefening heet controle over het denken. Het voorbeeld laat al zien dat er vaak geen controle is over het denken: de mens wordt eerder gedacht, de gedachten rollen automatisch en associatief door. Hoewel de meeste mensen menen zelf te denken, is het denken vaak weinig gericht.

Het volhouden, elke dag opnieuw, is het eigenlijke werk. Vaak wordt daarvoor een vast tijdstip gekozen, op een moment van wakkerheid en helderheid: niet direct na het avondeten, maar bijvoorbeeld voor of na het ontbijt of om 8 uur 's avonds. Ook een leeg moment, zoals het wachten op de trein, wordt genoemd. In vier weken zijn twee tot drie voorwerpen doorgaans voldoende. Na deze oefening volgt in de reeks de wilsoefening.

↑