Dynamisch

Het verschil tussen reptiel en amfibie

Huid, eieren, larven, ademhaling en leefgebied vergeleken.

Twee klassen die op elkaar lijken
Illustratie bij: Twee klassen die op elkaar lijken

Twee klassen die op elkaar lijken

Reptielen en amfibieën worden vaak door elkaar gehaald. Beide zijn gewervelde dieren, beide zijn wisselwarm, en een salamander en een hagedis lijken op het eerste gezicht sprekend op elkaar. Toch horen ze tot twee verschillende klassen, met een ander bouwplan en een andere levenswijze. Het belangrijkste verschil gaat over water: amfibieën zijn voor hun huid en hun voortplanting aan water of vocht gebonden, reptielen niet.

Tot de amfibieën horen de kikkers en padden, de salamanders en watersalamanders, en de wormsalamanders, pootloze dieren uit tropische streken. Tot de reptielen horen de hagedissen, de slangen, de schildpadden en de krokodillen, en daarnaast de brughagedis uit Nieuw-Zeeland. Hoe deze twee klassen passen tussen de vissen, vogels en zoogdieren, staat op de pagina over gewervelde dieren.

De huid

Het duidelijkste verschil is met de hand te voelen. De huid van een amfibie is naakt, dun en vochtig. Er zitten geen schubben op, maar wel veel klieren. Sommige klieren maken slijm, dat de huid vochtig en glad houdt. Andere maken stoffen die vijanden afschrikken of die bitter of giftig zijn, zoals bij padden en bij de vuursalamander. De huid is ook een ademhalingsorgaan: door de dunne huid gaat zuurstof naar binnen. Daarom droogt een amfibie gemakkelijk uit.

De huid van een reptiel is droog en bedekt met schubben van hoorn, het materiaal van nagels en haar. Bij schildpadden zijn het grote hoornplaten op een schild van bot, bij krokodillen dikke hoornschilden, soms met botplaatjes eronder. Die hoornlaag houdt het vocht binnen, zodat reptielen ook in een droge omgeving of zelfs in de woestijn kunnen leven. Omdat de hoornlaag niet meegroeit, vervellen reptielen. Een slang doet dat in één stuk en laat een compleet slangenvel achter, een hagedis vervelt in flarden.

Ook de tenen verschillen. Hagedissen en krokodillen hebben klauwen aan hun tenen. Salamanders en kikkers hebben meestal geen klauwen; hun tenen zijn zacht en eindigen rond of plat. Wie een salamander en een hagedis naast elkaar ziet, herkent de hagedis dus aan de schubben en de nagels.

Eieren

Amfibieën leggen eieren zonder schaal. Elk ei is omgeven door een laag gelei, die in het water opzwelt. Bruine kikkers leggen klompen kikkerdril, padden lange snoeren, en watersalamanders vouwen elk ei afzonderlijk in een blad van een waterplant. Zulke eieren drogen op het land meteen uit. Daarom zoeken de meeste amfibieën in het voorjaar een poel, sloot of vijver op om zich voort te planten, ook als ze de rest van het jaar op het land leven.

Reptielen leggen eieren met een schaal, bij slangen en hagedissen meestal leerachtig, bij krokodillen en veel schildpadden hard en kalkachtig. Binnen in dat ei ligt het embryo in een vlies met vocht, het amnion. Andere vliezen zorgen voor de ademhaling en voor de opslag van afval, en de dooier levert voedsel. Zo'n ei heet een amnion-ei. Het neemt als het ware een eigen stukje water mee en kan op het land worden gelegd, in zand, aarde of rottend plantenmateriaal. Een zeeschildpad die haar hele leven in zee zwemt, komt voor het leggen van haar eieren toch op het strand.

Een aantal reptielen legt helemaal geen eieren, maar krijgt levende jongen. In Nederland zijn dat de adder, de gladde slang, de hazelworm en de levendbarende hagedis. De jongen groeien dan in een vlies in het lichaam van de moeder. Het amnion-ei hebben reptielen gemeen met vogels en zoogdieren; bij de meeste zoogdieren blijft het embryo in de baarmoeder, maar het amnion is er nog steeds.

Larve en metamorfose

Uit het ei van een amfibie komt meestal geen kleine kikker of salamander, maar een larve. Het kikkervisje heeft een ronde kop, een staart om te zwemmen en kieuwen om onder water te ademen. Het eet vooral algen en plantenresten. In de loop van enkele weken tot maanden verandert het ingrijpend: eerst groeien de achterpoten, dan de voorpoten, de kieuwen verdwijnen en er ontstaan longen, de darm wordt korter en de staart wordt opgenomen. Die gedaanteverwisseling heet metamorfose. Aan het eind klimt een klein kikkertje op de kant.

De huid
Illustratie bij: De huid

Larven van salamanders hebben al vroeg poten en uitwendige kieuwen, als pluimpjes aan weerszijden van de kop. Ook zij verliezen die kieuwen bij de metamorfose. De axolotl uit Mexico is een bekende uitzondering: hij blijft zijn hele leven in het larvenstadium en houdt zijn kieuwen.

Reptielen hebben geen larvenstadium. Het jong dat uit het ei kruipt, is een klein exemplaar van de volwassen vorm, met schubben, longen en de juiste lichaamsbouw. Een jonge ringslang of zandhagedis gaat meteen zelf op jacht.

Ademhaling

Amfibieën ademen op meer manieren tegelijk. De larven ademen met kieuwen. Volwassen dieren hebben longen, maar die zijn eenvoudig van bouw, en een groot deel van de zuurstof komt via de huid en het slijmvlies van de mondholte binnen. Een kikker pompt de lucht naar binnen met bewegingen van de mondbodem, wat als een snel op en neer gaande keel te zien is. In de winterrust op de bodem van een vijver ademen sommige kikkers alleen door de huid.

Reptielen ademen alleen met longen. Hun huid laat geen zuurstof door. De longen zijn groter en verder ingedeeld dan die van amfibieën, en de lucht wordt aangezogen door bewegingen van de ribben en de romp. Waterschildpadden en krokodillen moeten daarom regelmatig aan het wateroppervlak komen, ook al kunnen ze lang onder water blijven.

Leefgebied en gedrag

Amfibieën leven op vochtige plekken: in en bij vijvers, sloten, poelen, moerassen, vochtige bossen en tuinen. Veel soorten zijn 's nachts of bij regen actief, wanneer de lucht vochtig is. In het voorjaar trekken ze massaal naar hun voortplantingswater; langs wegen worden dan op sommige plekken paddenschermen geplaatst. Vrijwel geen amfibie leeft in zout water.

Reptielen komen juist veel voor op warme, droge plekken: heide, duinen, zonnige bosranden, en in warme landen woestijnen en steppen. Ze leggen zich in de zon om op te warmen en schuilen bij te veel hitte. Sommige reptielen leven in het water, zoals krokodillen, waterschildpadden en zeeslangen, en zeeschildpadden zwemmen door de oceanen. De ringslang in Nederland jaagt graag in het water op kikkers en vissen.

Voedsel, zintuigen en verdediging

Volwassen amfibieën zijn jagers op kleine dieren. Kikkers en padden vangen insecten, spinnen, slakken en wormen met een kleverige tong die vooraan in de bek vastzit en naar buiten klapt. Ze reageren vooral op beweging: een prooi die stilzit, wordt vaak niet opgemerkt. Salamanders zoeken hun voedsel meer op de tast en de reuk, op de bodem van een poel of tussen vochtige bladeren. Kikkervisjes eten daarentegen vooral algen en plantenresten, zodat een amfibie in de loop van zijn leven van dieet verandert.

Eieren
Illustratie bij: Eieren

Reptielen eten heel verschillend voedsel. Hagedissen jagen meestal op insecten, slangen slikken hun prooi in zijn geheel door, krokodillen grijpen vissen en grotere dieren, en veel landschildpadden eten planten. Slangen en veel hagedissen ruiken met hun gespleten tong: ze vangen geurdeeltjes uit de lucht en brengen die naar een reukorgaan in het gehemelte. Sommige slangen voelen bovendien de warmte van een prooi.

Ook de verdediging laat het verschil tussen de klassen zien. Amfibieën vertrouwen op hun huid: slijm maakt ze glad en moeilijk vast te pakken, en gifklieren maken ze onsmakelijk. Felle kleuren, zoals het geel en zwart van de vuursalamander, zijn een waarschuwing. Reptielen vertrouwen op hun pantser, op snelheid, op schutkleur of op een beet. Veel hagedissen, en ook de hazelworm, kunnen bij gevaar een deel van hun staart afwerpen, dat nog even blijft bewegen terwijl het dier ontsnapt.

Het verschil in een tabel

Verschil tussen amfibie en reptiel
KenmerkAmfibieReptiel
Huidnaakt, dun, vochtig, veel klierendroog, hoornschubben of schilden
Tenenmeestal zonder klauwenmet klauwen (bij dieren met poten)
Eierenzonder schaal, met gelei, meestal in watermet schaal en amnion, op het land, of levende jongen
Jonglarve met kieuwen, metamorfoselijkt meteen op de ouders
Ademhalinglarve kieuwen, volwassen longen, huid en mondholtealleen longen
Lichaamstemperatuurwisselwarmwisselwarm
Vervellendunne huidlaag, vaak opgegetenhoornlaag, bij slangen in één stuk
Leefgebiedvochtig, dicht bij zoet waterook droog en warm, soms in water
Voorbeeldenkikker, pad, salamander, watersalamanderhagedis, slang, schildpad, krokodil

Waarom de verschillen er zijn

Volgens de evolutietheorie waren amfibieën de eerste gewervelde dieren die het land op gingen, afstammend van vissen met stevige vinnen. Ze konden op het land lopen en lucht ademen, maar bleven voor hun eieren en larven aan het water gebonden. De reptielen ontstonden later uit amfibieachtige voorouders. Twee vernieuwingen maakten hen los van het water: een huid die niet uitdroogt en een ei dat zijn eigen vocht meeneemt. Daardoor konden reptielen ook droge gebieden bewonen, waar amfibieën niet kunnen leven.

Die geschiedenis verklaart waarom een amfibie in zijn eigen leven laat zien wat bij reptielen in het ei gebeurt. Het kikkervisje zwemt met kieuwen in het water, zoals een vis, en wordt pas daarna een landdier met longen. Bij een reptiel verloopt die hele ontwikkeling beschermd binnen de schaal, zodat er een klaar landdier uitkomt.

Voorbeelden uit Nederland

In Nederland leven meer soorten amfibieën dan reptielen. Bekende amfibieën zijn de gewone pad, de bruine kikker, de groene kikker, de heikikker, de rugstreeppad, de boomkikker en de kleine watersalamander. De alpenwatersalamander leeft in bossen in het oosten en zuiden, en de vuursalamander komt alleen in Zuid-Limburg voor. De reptielen zijn met weinig soorten: de zandhagedis, de levendbarende hagedis, de muurhagedis in Maastricht, de hazelworm, de ringslang, de gladde slang en de adder. Wie in het voorjaar een zandhagedis op de heide ziet zonnen en dezelfde dag een pad naar een poel ziet kruipen, heeft het verschil tussen reptiel en amfibie met eigen ogen gezien.

Het verschil tussen reptiel en amfibie is een van de tien vergelijkingen van dieren; de andere gaan onder meer over kikker en pad, haas en konijn, en hond en kat.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen een reptiel en een amfibie?

Een amfibie heeft een naakte, vochtige huid, legt meestal eieren zonder schaal in het water en begint het leven als larve met kieuwen. Een reptiel heeft een droge huid met hoornschubben, legt eieren met een schaal op het land of krijgt levende jongen, en ademt altijd met longen. Het jong van een reptiel lijkt meteen op de ouders.

Is een salamander een reptiel of een amfibie?

Een salamander is een amfibie. Hij heeft een gladde, vochtige huid zonder schubben en geen klauwen aan de tenen. Een hagedis lijkt op een salamander, maar heeft schubben en klauwen en is een reptiel.

Is een slang een reptiel?

Ja, een slang is een reptiel. Ze heeft een droge huid met schubben, ademt met longen en vervelt regelmatig in één stuk. In Nederland leven drie soorten: de ringslang, de gladde slang en de adder.

Is een schildpad een reptiel of een amfibie?

Een schildpad is een reptiel, ook een schildpad die in het water leeft. Hij heeft een schild van bot bedekt met hoornplaten, ademt met longen en legt eieren met een schaal, altijd op het land. Meer staat op de pagina over reptielen.

Is een kikker een reptiel?

Nee, een kikker is een amfibie. Uit zijn eieren, het kikkerdril, komen kikkervisjes met kieuwen die in het water leven. Via een metamorfose krijgen ze poten en longen en verdwijnt de staart. Zie de pagina over amfibieën.

Is een krokodil een amfibie omdat hij in het water leeft?

Nee, een krokodil is een reptiel. Hij leeft veel in het water, maar heeft een huid met hoornschilden, ademt met longen en legt eieren met een harde schaal in een nest op de oever. Waar een dier leeft, bepaalt niet tot welke klasse het hoort.

Waarom hebben amfibieën een vochtige huid nodig?

Amfibieën halen een deel van hun zuurstof door de huid. Dat lukt alleen als de huid dun en vochtig is. Daardoor drogen ze snel uit en blijven ze in de buurt van water of op vochtige, schaduwrijke plekken.

Wat is een amnion-ei?

Een amnion-ei is een ei met vliezen die het embryo in een eigen vochtige omgeving laten groeien, met een schaal eromheen. Reptielen, vogels en de eierleggende zoogdieren leggen zulke eieren. Daardoor kunnen ze zich op het droge voortplanten, terwijl amfibieën voor hun eieren water nodig hebben.

Zijn reptielen en amfibieën koudbloedig?

Ja, beide zijn wisselwarm: hun lichaamstemperatuur volgt die van de omgeving. Reptielen warmen zich vaak op in de zon, amfibieën zoeken eerder koele, vochtige plekken. In de Nederlandse winter houden ze allebei winterrust.

Is een hazelworm een slang?

Nee, de hazelworm is een pootloze hagedis en dus een reptiel. Anders dan slangen kan hij met zijn ogen knipperen en kan hij zijn staart afwerpen. Hij leeft in Nederland op heide en langs bosranden.

↑