Evolutie
van dinosauriërs
Op de website van het Amerikaanse Nature Institute las ik een artikel van
Steve Talbott
over evolutie, waarin gerefereerd werd aan een
fenomenologisch artikel van Martin Lockley over Dinosauriërs.
Op
deze pagina vindt u een beknopte samenvatting van dit artikel, hier en
daar aangevuld met feitelijke informatie van wikipedia en andere
websites (bv. dinosaurs.about.com).
Driegeleding
Schad (Säugetier und Mensch; 1977) heeft de driegeleding van
zoogdieren uitgewerkt (zie voor meer details de pagina's driegeleding
van de mens en driegeleding
van zoogdieren
e.v.). Hij onderscheidt drie oriëntaties, conform
de drie door Rudolf Steiner onderscheiden orgaanstelsels: het
zenuw-zintuigstelsel, het stofwisseling-ledematenstelsel en het
ritmische hart-longstelsel. Zoogdieren zijn naar die stelsels
gedifferentieerd en kunnen daarnaar worden ingedeeld. Er zijn dus
zenuw-zintuigdieren, stofwisseling-ledematendieren en
hart-longdieren. Wat het ene dier niet
is, is het andere dier. Daarmee vullen ze elkaar aan. Samen kun je de
zoogdieren daarom een "super-organisme" noemen.
Het duidelijkst is de driegeleding te zien bij de meest
gespecialiseerde groepen:
knaagdieren, roofdieren en hoefdieren. Bij de gestalte van de
knaagdieren ligt de nadruk op het achterlichaam met de grote poten en
de lange staart; het achterlichaam is hoger gebouwd. Ze kunnen
goed ook springen. Bij de hoefdieren is dat
omgekeerd, hier ligt de nadruk vooraan bij de musculeuze voorpoten, de
hoge schoft en verschillende kopuitgroeisels (hoorns, geweien).
Knaagdieren zijn lateraal afgeplat, hoefdieren zijn breed gebouwd. Bij
de roofdieren zijn voor- en achterzijde in evenwicht.
Deze fysieke pool is tegengesteld aan de activiteiten- of fysiologische
pool, die bij de knaagdieren vooraan ligt bij het
zenuw-zintuigstelsel en bij de hoefdieren achteraan bij het
stofwisseling-ledematenstelsel.
- De kleine knaagdieren nemen veel waar en reageren
daar snel en sterk
op. Ze verplaatsen zich snel over korte afstanden en hebben een klein
verspreidingsgebied. Het
energierijke voedsel (zaden) wordt snel verteerd en geeft ze
kortdurende
energie. Ze laten een grote soortendiversiteit zien.
- De grote hoefdieren eten moeilijk verteerbaar voedsel
en
zetten dat om in een groot lichaam. Ze zijn relatief rustig en
verplaatsen zich over grote
afstanden. De soortenrijkdom is lager dan bij knaagdieren.
Zenuw-zintuigachtige hoefdieren, zoals paarden, kamelen en
giraffen hebben een lange nek om het heldere
zenuw-zintuiggebied af
te scheiden van het doffe stofwisseling-ledematengebied.
- De
roofdieren hebben de nadruk op het ritmische hart-longstelsel, zij
leven in de afwisseling van jacht en rust en nemen een tussenpositie
in.
Knaagdieren leven
kort, hoefdieren lang. De hartslag van
knaagdieren ligt hoog, van hoefdieren laag. Steeds nemen roofdieren een
tussenpositie in met eigen kenmerken bepaald door de dominantie van het
hart-longstelsel.
Op een lager niveau, binnen de groepen, kan dezelfde indeling worden
gemaakt, waarbij dezelfde kenmerken opduiken. Bevers en stekelvarkens
lijken bij hun dieet en de vertering
van voedsel op hoefdieren, wezels lijken in hun nerveuze gedrag en de
hoge rugbolling bij het bewegen achteraan op
knaagdieren. De vele soorten antilopen zijn slank en de weinige soorten
runderen zijn breed.
Knaagdieren lopen op de voorvoet en hebben een relatief grote
pootafdruk, roofdieren lopen op de tenen en hoefdieren op een of twee
teenpunten, de hoeven, en hebben een kleine pootafdruk.
In de tijd treden de knaagdieren eerst op, dan de roofdieren en daarna
pas de
hoefdieren. Evolutionair is er sprake van een tendens van het naar
voren schuiven van de lichamelijke pool en het naar achteren schuiven
van de fysiologische pool.

Een samenvatting
van de door Schad
ontwikkelde driegeleding van zoogdieren
Dinosauriërs
1: Saurischia (hagedis-heupigen)
De Saurischia bestaan uit de Therapoda en de Sauropodomorpha, die weer
worden verdeeld in de Prosauropoda en de Sauropoda. Er wordt nagegaan
of de driegeleding ook bij deze groep Dinosauriërs voorkomt.
Theropoda
(diervoetigen)
De Theropoda zijn exclusief tweevoetig en de enige groep echte
carnivoren, hoewel er uitzonderingen zijn. Ze ontstonden in het laat
Trias met een grote soortenrijkdom in het vroeg Jura (zie voor de
perioden de figuur in de rechterkolom bovenaan). Aan het eind van
het Krijt zijn ze uitgestorven. Het zijn relatief kleine dieren met een
lateraal (zijdelings) afgeplat lichaam, een afgeplatte schedel en
afgeplatte tanden. De
achterpoten zijn groot en de voorpoten klein, soms extreem klein. Ze
hebben grote ogen en
relatief grote hersenen, een korte nek en een lange staart. De
gewrichten van de poten zijn beweeglijk. Ze zijn zenuw-zintuig
georiënteerd, het achterlichaam is relatief groot. Sommige
grote Theropoda hebben uitgroeisels op de neus.
Prosauropoda
(pre-reptielvoetigen)
Ook de primitieve vrij kleine Prosauropoda zijn ontstaan aan het eind
van het Trias,
aan het begin van het Jura ontstonden veel soorten en daarna zijn ze
uitgestorven. Het is niet duidelijk of ze carnivoor of herbivoor waren.
Ze waren twee- of viervoetig.
Een 30 meter lang
skelet van Apatosaurus
Sauropoda
(reptielvoetigen)
De Sauropoda zijn enorm grote dieren met lange nekken.
Zelfs kleine vertegenwoordigers waren 6 meter lang. Meer dan 30 meter
was heel gewoon en veel soorten wogen tot 100 ton. Ze waren herbivoor
en viervoetig. Ze zijn in het laat Trias ontstaan,
veel soorten waren er in het laat Jura en aan het eind van het Krijt
zijn ze uitgestorven. De poten zijn als pilaren en de gewrichten van de
poten waren niet buigzaam. De schedel en tanden zijn minder afgeplat.
Sommige soorten hebben uitgroeisels op de neus of het voorhoofd of
schilden op de romp. De lange nek zorgt voor afstand tussen het
zenuw-zintuiggebied van het hoofd en het stofwisseling-ledematengebied
van de romp, zodat ze niet ondergedompeld zijn in de dofheid van de
stofwisselingsprocessen.
Wanneer Theropoda en Sauropoda groter worden en zich meer
specialiseren, komt de nadruk van het lichaam meer vooraan te
liggen. Bij de Theropoda neemt de kopgrootte toe en worden de nek en de
voorpoten korter, bij de Sauropoda wordt de staartlengte kleiner en
komt de kop hoger te zitten door verlenging van de nek en door langere
voorpoten. Nadruk vooraan
heeft zo twee
verschijningsvormen: een grote kop, korte nek en korte voorpoten
enerzijds en anderzijds een kleine kop, lange nek en lange voorpoten.
Indeling van de
Saurischia met
de lichaamsvormen, per groep links vroege vormen, rechts late.
Bij de
Theropoda ligt de nadruk op het achterlichaam, latere vormen hebben een
grote kop, bij
de Sauropoda ligt de nadruk vanaf het begin meer vooraan,
en
wordt
de staart korter en neemt het voorlichaam (romp, nek,
voorpoten) nog in grootte toe.
Dinosauriërs
2: Ornithischia (vogel-heupigen)
De Ornithischia bestaan uit de Thyreophora en de Cerapoda, die weer
worden verdeeld in de Ornithopoda en de Marginocephalia.
Thyreophora
(schilddragers)
De Thyreophora zijn Dinosauriërs met ritmisch
geordende schilden, platen en
stekels. Vroege
soorten waren relatief klein met schilden, een lange staart en korte
poten. De latere, grote soorten hadden opvallende platen en wapens en
gepaarde stekels of knotsen aan het eind van hun staart. Naast
de vroege soorten worden er twee groepen onderscheiden: de
Stegosauriërs en de Ankylosauriërs.
De Stegosauriërs hadden een zijdelings afgeplat lichaam, lange
achterpoten en een lange schedel. Bij de Ankylosauriërs waren
het lichaam en de kop horizontaal en breed, soms met zijwaartse hoorns
op de kop. Ze hadden kortere achterpoten. Alle soorten hadden
tanden, geen kiezen. De Stegosauriërs hadden hun bloeitijd in
het Jura en
namen in het
Krijt af. De Ankylosauriërs hadden hun bloeitijd in het Krijt.
Ornithopoda
(vogel-voetigen)
Bij de Ornithopoda is er een ontwikkeling van kleine, tweevoetige
dieren
uit het vroeg Jura naar de grote, bekende viervoetige dieren als
Iguanodon
en Hadrosaurus uit het Krijt. De achterpoten zijn langer dan de
voorpoten en er zijn soms uitgroeisels op het voorhoofd.
Marginocephalia
(rand-koppigen)
De herbivore Marginocephalia ontstonden pas in het midden van het
Krijt. Vroege
vertegenwoordigers waren klein en tweevoetig en hadden een lange
staart. De latere, gehoornde dieren als Triceratops waren viervoetig
met een
korte staart en een grote kop met een "kraag" en hoefdierachtige
gepaarde hoorns. De
latere soorten hadden geen stenen meer in hun maag om het voedsel fijn
te maken, maar aanpassingen aan het spijsverteringskanaal.
Vroege soorten van de Ornithopoda en de Marginocephalia hadden tanden,
late
soorten maalkiezen waarmee ze hard materiaal fijn konden maken.
Indeling van de
Ornithischia. Bij de Thyreophora zijn er in de tijd drie groepen: de
vroegste
dieren, de Stegosauriërs en de Ankylosauriërs. Bij de
Ornithopoda en de
Marginocephalia staan
de vroege, tweevoetige soorten links en de
latere, meer
gespecialiseerde
soorten rechts.
Conclusies
Saurischia en Ornithischia kunnen op dezelfde manier en met gelijke
kenmerken
driegeleed worden ingedeeld als de zoogdieren.
Bij beide zijn er kleine,
actieve, energierijk voedsel etende dieren met een groot achterlichaam
(Theropoda en Thyreophora), grote, trage, herbivore dieren met een
groot voorlichaam (Sauropoda en Marginocephalia) en een
derde groep met tussenliggende kenmerken (Prosauropoda en Ornithopoda).
Er zijn dus
zenuw-zintuigdieren,
stofwisseling-ledematendieren en
hart-longdieren.
Binnen de groepen is te zien dat er in de loop van de tijd een
verschuiving
van de lichaamsmassa naar voren plaats vindt die samengaat met een
groter lichaam en herbivorie. Zenuw-zintuigdieren verschijnen eerst,
gevolgd door hart-longdieren en als laatste verschijnen de
stofwisseling-ledematendieren.
Van
de gestalte naar een lichaamsdeel
De
ledematen
Het verschijnsel dat de nadruk naar voren schuift zou niet alleen in de
gehele lichaamsgestalte zichtbaar moeten zijn, maar zou ook in
lichaamsdelen, zoals
bijvoorbeeld de ledematen, moeten worden gevonden. In de reeks van de
knaagdieren, roofdieren
en hoefdieren
wordt het
bovenbeen groter ten opzichte van het onderbeen en worden
de middenvoetsbeentjes groter ten opzichte van de teenkootjes. Dit
blijkt ook bij Dinosauriërs zo te zijn. Ook daar worden in de
loop van de tijd de meer naar binnen gelegen delen relatief groter.
Relatieve
pootlengten van A. een Theropoda, B. een Prosauropoda en C. een
Sauropoda. In de
loop van de evolutie neemt het meer naar binnen
gelegen bovenbeen in lengte toe en de aan de periferie gelegen voet in
lengte af.
Ook bij de kaak (het ledematendeel van de schedel)
en het gebit is dit verschijnsel
zichtbaar.
Bij knaagdieren ligt de nadruk op de snijtanden, bij roofdieren op de
hoektanden en bij hoefdieren op de kiezen.
Net als bij hoefdieren verliezen grote Cerapoda hun snijtanden. De
nadruk gaat naar de meer naar binnen gelegen kiezen. Opvallend is dat
Brachiosaurus met zijn lange nek wel beitelvormige tanden heeft, zoals
een paard.
Pootafdrukken
Behalve botten worden er ook afdrukken van poten van
Dinosauriërs
gevonden. Niet duidelijk is welke afdruk bij welke botten-soort hoort.
De pootafdrukken hebben daarom andere soortnamen. Wel kan worden
vastgesteld bij welke groep de afdrukken horen.
De pootafdrukken van beide groepen Dinosauriërs laten beide
een verschuiving naar voren zien. Beide groepen (Saurischia en
Ornithischia) zijn ontstaan als kleine, ongespecialiseerde dieren met
voornamelijk drietenige pootafdrukken, waarbij de poten dicht naast
elkaar staan en een smal spoor achterlaten. In
de loop van de tijd ontstonden er steeds grotere, meer gespecialiseerde
viervoeters met grotere voorpoten. Ze hadden meer tenen (4 of 5) en
lieten een breder spoor achter. Deze verschuiving van een smal naar een
breed spoor en van afdrukken van de achterpoten naar afdrukken van
voor- en achterpoten, gaat samen met een verschuiving van de
lichaamsmassa van achteren naar voren. Eerst wordt de achterkant van de
voeten groter en langzaam schuift ook dit naar voren wanneer de dieren
meer herbivoor worden en meer stofwisseling-ledematen karakter krijgen.
Uit een vergelijking van fossiele vondsten met vondsten van
pootafdrukken blijkt dat er net als bij knaagdieren veel
soorten
Theropoda zijn die een klein verspreidingsgebied hebben (veel
verschillende pootafdrukken (veel soorten) op een kleine oppervlakte
(veel bewegingen; actieve dieren) in een beperkt gebied), en
net
als
de
hoefdieren zijn de Sauropoda plantenetende kuddedieren die over grote
afstanden migreren (weinig verschillende pootafdrukken (weinig soorten
en weinig activiteit) over een groot gebied (grote
verspreiding)).
Pootafdrukken van
Saurischia
Bij de Theropoda
(afgebeeld Grallator en Megalosauripus, zie ook rechts) heeft de voet
drie losse tenen, de Prosauropoda (Otozoum, twee varianten) en
Sauropoda (rechts: Brontopodus) hebben
vier resp. vijf tenen. De tenen worden meer in de voet
opgenomen, die vleziger wordt. Bij de Sauropoda zijn voor- en
achterpoten afgebeeld, bij de andere twee groepen
alleen achterpoten.
Patronen
Zoals te zien is, laten beide groepen Dinosauriërs een
ontwikkeling zien van kleine, smalle, langgerekte, tweevoetige
dieren met nadruk op het achterlichaam (grote achterpoten, lange
staart)
naar grote, brede, viervoetige dieren met nadruk op het voorlichaam
(hoge schoft, grote kop, grote voorpoten). Daarmee gaat samen dat
fysiologisch en in
gedrag de nadruk verschuift van het zenuw-zintuiggebied naar het
stofwisseling-ledematengebied en er een verschuiving is van een
carnivoor
naar een herbivoor dieet. Dit geldt voor de Saurischia en Ornithischia,
maar ook voor alle groepen daarbinnen, behalve voor de Theropoda (die
niet viervoetig worden en meestal carnivoor blijven, maar wel een enorm
grote kop ontwikkelen). Ook Pterosauriërs en andere
Archosauriërs laten de
geschetste ontwikkeling zien. De geschiedenis lijkt zich te herhalen,
maar de ontwikkeling loopt steeds net iets anders.
Herhaling
De Theropoda, Sauropodomorpha, Thyreophora en Cerapoda overlappen
elkaar gedeeltelijk in de tijd en hebben hun bloeitijd na elkaar,
respectievelijk in het vroeg Jura, laat Jura, vroeg Krijt en laat
Krijt. De latere,
grote, herbivore vertegenwoordigers van elke opeenvolgende groep staan
steeds verder van de oorspronkelijke tweevoetige, vleesetende dieren af
en dichter bij de hoefdieren. Dit wordt vooral duidelijk uit de grote
maalkiezen en de kopuitgroeisels van de grote Ornithopoda en Cerapoda,
die een gestalte laten zien die een voorbode is van die van de niet
verwante oneven- en evenhoevige hoefdieren. Er is sprake van een
herhaling op een steeds “hoger” (meer
zoogdierachtig) niveau.
Overeenkosten
tussen Ornithischia en hoefdieren
Ornithischia en hoefdieren zijn beide georiënteerd op het
stofwisseling-ledematengebied. Evenals de Ornithischia
beginnen de
hoefdieren met kleine, drietenige dieren, daarna kwamen in het vroeg
Tertiair de onevenhoevigen (paarden, tapirs en neushoorns) tot bloei en
pas in het laat Tertiair en het
Kwartair zijn de evenhoevigen (o.a. herten, antilopen, schapen en
runderen) tot bloei gekomen.
Bij deze Dinosauriërs en de hoefdieren valt
op dat de voorouders
ongeveer even groot zijn en steeds drie tenen hebben. De hoefdieren
hebben echter kortere, meer gesegmenteerde en vleziger voeten. De grote
drietenige Dinosauriërs en hoefdieren hebben alle schilden op
het lichaam of een dikke huid en in het midden geplaatste
kopuitgroeisels, die gezien
kunnen worden als een spiegeling van de belangrijke, centrale derde
teen. In de
loop van de evolutie is er bij beide:
- een verschuiving van de lichaamsmassa naar
voren
- een toename van het aantal
tenen bij de grootste dieren
- een relatieve groei van de
meer centraal gelegen lichaamsdelen
als het bovenbeen en van de kiezen
De uitgroeisels
schuiven in de loop van de evolutie naar
voren. Van de oneven-tenigen heeft
Stegosaurus stekels op zijn staart en een rij platen op zijn
ruggegraad, hebben Ornithopoda als Lambeosaurus en Hadrosaurus een kam
op het voorhoofd en de neushoorn een of twee hoorns achter elkaar op de
punt van zijn neus.
Een trend, maar dan gepaard, die ook bij de even-tenigen is te zien:
Ankylosauriërs hebben zware lichaamsplaten en gepaarde hoorns
aan de zijkanten van het lichaam, Cerapoda hebben brede kragen en
gepaarde hoorns op de kop en evenhoevige hoefdieren hebben gepaarde
hoorns of geweien, maar geen kragen of schilden. Het is steeds
hetzelfde
proces dat we zien, als de windingen van een spiraal.
Het zijn gelijkvormige morfologische processen die zichtbaar zijn bij
zowel
de bizon en Triceratops met hun brede, laaggehouden, gehoornde kop als
het paard en Hadrosaurus met hun langgerekte schedel en grote
maalkiezen.

De lange schedels
van een verwant van Hadrosaurus (Edmontosaurus) en een paard; beide
hebben een lange schedel en grote maalkiezen
De gehoornde Cerapoda hadden van alle Dinosauriërs de grootste
koppen en ze leefden gelijk met Tyrannosaurus rex, de Theropoda met de
grootste kop. Ook de Sauropoda en de zoogdierachtige reptielen hadden
vlak voor hun uitsterven een overdreven massa aan de voorkant. De vraag
is of dit toeval is.
De evolutie van
Ornithischia (Thyreophora en Cerapoda) en hoefdieren
kan worden weergegeven
in drie cycli, die eenzelfde verandering laten
zien in de tijd (van links naar rechts). Van onder naar boven bekeken
wordt de herhaling duidelijk, die de groepen laten zien, waarbij er een
ontwikkeling van achter naar voor is bij de oneven- en
even-tenigen en de dieren steeds meer
op hoefdieren lijken. Dat proces en die ontwikkeling lijken
onafhankelijk te zijn van
de lineaire tijd.
Conclusies
Evolutietheorie
De veranderingen van de lichaamsvorm van de verschillende groepen
zijn opvallend vergelijkbaar. Daarom kunnen er vraagtekens worden
gesteld bij het idee dat:
- Organismen bepaalde organen aanpassen aan de omgeving
(bijvoorbeeld de lange nek van de giraf om boven uit bomen te eten of
de hoorns van runderen om mee te vechten) en
- dat evolutie ontstaat door toevallige mutaties
waar de natuurlijke selectie op inwerkt.
Wanneer een
Dinosaurus een grotere kop ontwikkelt, is een
eendimensionale verklaring als “om te vechten” niet
geschikt omdat er veel veranderingen tegelijk zijn. Die verklaring
gaat ook niet op omdat
we zien dat grotere koppen herhaaldelijk tot
ontwikkeling komen in alle groepen vanaf de kleine Theropoda tot
de grote Cerapoda met Triceratops en de neushoorn als een extreme
voorbeelden.
Op basis van de gegevens van Dinosauriërs kunnen andere
conclusies worden getrokken:
- Alle organen veranderen tegelijk als onderdeel van
een complex
organisch proces. Eenvoudige oorzaak en gevolg verklaringen zijn te
simpel en ontoereikend om deze complexe processen te
verklaren. Die leveren alleen een oppervlakkig begrip op.
- De evolutie van soorten is, op zijn minst ten
dele, een proces dat zijn eigen dynamiek en richting
heeft en
tot uiting komt in grootschalige veranderingen die
vele soorten beïnvloeden.
Uitsterven
Bij Thyreophora, Cerapoda en hoefdieren
zien we in drie
opeenvolgende cycli een verschuiving van de nadruk
achteraan naar vooraan. Opvallend is dat het grote uitsterven aan het
eind van het Mezozoicum
precies kwam toen gehoornde Dinosauriërs zoals Triceratops hun
maximum kopgrootte en extreme nadruk vooraan hadden bereikt. Wanneer
zo’n ontwikkeling meermaals gevolgd wordt door het
uitsterven van een
hele diergroep dan impliceert
dat:
- dat verklaringen door externe oorzaken, zoals een
inslaande meteoor of
een klimaatwisseling, misleidend zijn of op zijn best
incompleet en
- dat het uitsterven deel uitmaakt van de levenscyclus
van de diergroep, beschouwd als een "super-organisme"
- en onvermijdelijk bij het leven hoort.
|
Gebaseerd op: Lockley, Martin G. (2007). "The Morphodynamics of
Dinosaurs, Other Archosaurs, and Their Trackways: Holistic Insights
into Relationships between Feet, Limbs, and the Whole Body," SEPM
Special Publication no. 88 (Society for Sedimentary Geology), pp. 27-
51.
Tekeningen: uit dit artikel met toestemming van de auteur, afbeeldingen
rechter kolom: van de Engelse wikipedia en dinosaurs.about.com.
Een deel van de
geologische tijdschaal, met de op deze pagina gebruikte
tijdperken
Saurischia
Theropoda
Eoraptor, 1 meter
lang en 10 kilo zwaar, een van de eerste Dinosauriërs, liep op
de achterpoten
Carnotaurus; 7 meter lang en 1 ton zwaar, zeer kleine armen en twee
driehoekige hoorns boven de ogen, een echte vleeseter
Tyrannosaurus rex; een late soort, circa 12 meter lang en 6
meter hoog, woog 7 ton, grote kop, zijn korte
armen konden niet bij zijn bek komen, was waarschijnlijk een aaseter
Prosauropoda
Plateosaurus; 10
meter lang, gewicht 1 ton, krachtige achterpoten en korte voorpoten,
lange nek en staart
Sauropoda
Apatosaurus
(Brontosaurus); 30
meter lang en 3 meter hoog, gewicht 40 ton, kon 100 jaar oud worden,
kleine kop met puntige tanden
Brachiosaurus; 15 meter hoog en 90 ton zwaar,
leek op een giraf met
zijn lange nek en lange voorpoten, had beitelvormige tanden in een
kleine kop
Ornitischia
Thyreophora
Scutellosaurus;
een primitieve soort, 1,20 meter lang, woog 10 kilo, tweevoetig, huid
bedekt met schubben, bijzonder lange staart
Hesperosaurus (Stegosauriërs); 6 meter lang, langere achter-
dan voorpoten; een rij schilden op de ruggegraad en 4 stekels op de
staart
Saicharia (Ankylosauriërs); 6 meter lang, de rug is bedekt
met platen met stekels, de staart eindigt in een knots
Ornithopoda
Tenontosaurus; tot
7 meter lang en 2 ton zwaar,
een lange staart en
lange achterpoten,
at planten
Iguanodon; was zeker 10 meter lang en woog 3 ton, lange
achterpoten, liep op alle vier, ronde rug
Hadrosaurus; 12 meter lang, 7 ton, lange, platte schedel, herbivoor,
wordt ook "eendenkop" Dinosaurus genoemd
Marginocephalia
Anchiceratops (Cerapoda); 6 meter lang en 2,5 meter hoog, 2 ton, twee
grote hoorns en een
kleine en een flinke kraag
Centrosaurus; 6 meter lang, had een hoorn op zijn neus, die naar voren
of naar achteren gebogen kon zijn, een grote, hoge, stralende kraag
Pootafdrukken
Grallator en
Megalosauripus, beide Theropoda
Otozoum, een Prosauropoda en Brontopodus, een Sauropoda
Onevenhoevigen
vergeleken
Stegosaurus; 9
meter lang, achterpoten veel langer dan voorpoten,
kleine kop, platen op de ruggegraad tot 90
cm hoog
Parasaurolophus (Ornithopoda); 12 meter lang en 1 ton zwaar met een
grote kam (tot 1,80 meter) op het hoofd, lange achterpoten
Puntlipneushoorn (Onevenhoevigen); tot 4 meter lang en 2 meter hoog en
3,5 ton zwaar, 2 achter elkaar geplaatste keratine-hoorns op de neus
Evenhoevigen
vergeleken
Ankylosaurus; 6
meter lang en 1,5 meter breed, 4 ton zwaar, breed gebouwd, kleine ronde
kop en
een beenknots aan zijn staart
Triceratops;
ongeveer 12 meter lang, waarvan 1/3 kop, woog 6 - 12 ton, massief lichaam, laaggeplatste
kop,
3 hoorns en een grote kraag
Bizon (Evenhoevigen); tot 800 kilo zwaar, 3 meter lang en 2
meter
hoog, korte opzij staande hoorns, zware kop wordt laaggehouden
Schedel van Triceratops; twee lange naar voren gebogen
hoorns en een kleine op de neus,
een brede
kraag de kop
Schedel van een neushoorn, die ongeveer 1/3 van
de lichaamslengte
inneemt
met twee achter
elkaar geplaatste keratinehoorns
|