De bevruchting is het moment waarop de twee cellen die op de vorige pagina als tegenpolen zijn beschreven, de eicel en de zaadcellen, elkaar vinden. In de klassieke embryologie is het een reeks goed beschreven stappen. De fenomenologische benadering kijkt daarnaast naar het beeld dat die stappen samen vormen.
De weg van eicel en zaadcellen
De eicel met eromheen voedingscellen bevindt zich na de eisprong en opvang door de eitrechter in de eileider. De eicel wordt door de vloeistofstroom en door de beweging van trilharen in de eileider naar de baarmoeder getransporteerd. De eicel en het slijmvlies van de eileider geven stoffen af die de zaadcellen aantrekken. De zaadcellen zwemmen tegen de stroom in van de vagina via de baarmoeder en de eileider naar de eicel toe. Het overgrote deel van de miljoenen zaadcellen blijft onderweg achter barrières, zoals het slijm van de baarmoederhals en de trilharen, steken of gaat verloren. Slechts enkele tientallen tot honderden zaadcellen bereiken de eicel en gaan erom heen liggen met de koppen naar de eicel toe (afb. 7).
De ontmoeting vindt meestal plaats in het wijdste deel van de eileider, de ampulla, niet ver van de eierstok. Onderweg ondergaan de zaadcellen een verandering die in de handboeken capacitatie heet: stoffen aan het oppervlak van de kop worden verwijderd, de staart gaat krachtiger slaan en pas daarna is een zaadcel in staat de eicel te bevruchten. Een zaadcel die net is vrijgekomen, kan dat nog niet.
Het pre-conceptioneel attractiecomplex
Uit microscopische waarnemingen is beschreven dat zich gedurende enkele uren een zogenaamd pre-conceptioneel attractiecomplex vormt: een toestand waarin een eicel omringd is door enkele tientallen zaadcellen. Er is waargenomen dat dit complex gaat draaien. Het min of meer ritmisch worden en gelijkschakelen van de staartbewegingen van de zaadcellen is hiervan de oorzaak. De embryoloog Jaap van der Wal heeft dit beeld uitgewerkt en als uitgangspunt genomen voor een andere kijk op de bevruchting.
De bevruchting
Tijdens het pre-conceptioneel attractiecomplex scheidt de eicel stoffen uit die de zaadcellen veranderen. Hun kapje (het acrosoom) verdwijnt, waardoor ze in staat zijn de eicel te bevruchten. De zaadcellen zorgen er op hun beurt voor dat de zona pellucida verandert, zodat zij een zaadcel doorlaat. Er zijn over en weer stoffen nodig die beide cellen voorbereiden op een samensmelting. De cellen zijn in interactie met elkaar en veranderen elkaar. Of de samensmelting lukt, is niet zeker; dat hangt af van de wisselwerking.
De celwand van de eicel fuseert met die van één zaadcel en de inhoud van die zaadcel komt in de eicel terecht. De eicel ontvangt de zaadcel. Er ontstaat geen gat in de celwand, de celwand blijft doorlopen. Welke zaadcel de eicel binnen kan gaan en waardoor dat bepaald wordt, is nog altijd een open vraag.
Nadat er een fusie met een zaadcel heeft plaatsgevonden, verandert de zona pellucida weer en kan geen enkele andere zaadcel meer met de eicel fuseren. In de handboeken heet dit de zonareactie. Korrels vlak onder het celmembraan van de eicel, de corticale korrels, geven hun inhoud af aan de ruimte onder de zona, die daardoor verhardt. Zo wordt voorkomen dat er meer dan één zaadcel versmelt.
Van twee kernen naar één zygote
Met het binnenkomen van de zaadcel voltooit de eicel haar tweede rijpingsdeling, die tot dat moment heeft stilgestaan. Er wordt een tweede poollichaampje afgesnoerd. In de eicel liggen dan twee kernen naast elkaar, de voorkernen of pronuclei: een van de moeder en een van de vader, elk met 23 chromosomen. De kern van de zaadcel zwelt daarbij op; het strak opgerolde erfelijk materiaal ontplooit zich.
De twee voorkernen versmelten niet tot een gewone kern. Ze naderen elkaar, hun omhulling lost op en de chromosomen ordenen zich meteen voor de eerste deling. Pas in de twee dochtercellen ontstaan kernen met het volledige aantal van 46 chromosomen. Deze eerste deling vindt ongeveer een dag na de versmelting plaats. Met de bevruchte eicel, de zygote, begint de ontwikkeling die op de pagina over de eerste week verder wordt beschreven.
Wat elke cel meebrengt
De bijdragen van eicel en zaadcel zijn niet gelijk van aard. Beide leveren 23 chromosomen, maar vrijwel al het cytoplasma, met de voedingsstoffen, de mitochondriën en de stoffen die de eerste delingen sturen, komt van de eicel. De mitochondriën van de zaadcel, die in het middenstuk van de staart liggen, worden na de bevruchting afgebroken. Het erfelijk materiaal van de mitochondriën wordt daardoor langs moederlijke lijn doorgegeven.
De zaadcel brengt bij de mens wel iets mee wat de eicel mist: het centriool, een klein lichaampje dat helpt bij het opbouwen van de spoelfiguur waarlangs de chromosomen bij de eerste deling uit elkaar gaan. Ook in dit opzicht vullen de twee cellen elkaar aan. Het grote, beweeglijke cytoplasma van de eicel en het kleine, geordende deeltje van de zaadcel zijn samen nodig om de deling op gang te brengen.
Activering van de eicel
Met de versmelting wordt de eicel als het ware gewekt. In de uren daarna gaat door de eicel een golf van calciumionen, die de zonareactie in gang zet, de tweede rijpingsdeling laat afronden en de stofwisseling op een ander niveau brengt. Een eicel die tot dan toe in een wachtende toestand verkeerde, wordt een cel die zich gaat delen.
Bevruchting bij andere dieren
Bij veel waterdieren vindt de bevruchting buiten het lichaam plaats. Zee-egels, veel vissen en de meeste kikkers geven hun eicellen en zaadcellen in het water af, waar ze elkaar door lokstoffen vinden. Bij de zee-egel is de vergelijkbare reactie onder de microscoop goed te volgen: binnen een minuut na de bevruchting heft zich een doorzichtig bevruchtingsvlies van het oppervlak van het ei. Om die reden is dit dier zo belangrijk geworden voor het onderzoek naar de bevruchting, en daarom staat het ook centraal op de pagina over plant en dier.
Bij reptielen, vogels en zoogdieren is de bevruchting inwendig. Het ei wordt beschermd, eerst in het lichaam van de moeder en bij vogels en reptielen daarna door een schaal. Bij zoogdieren, en dus bij de mens, blijft ook de verdere ontwikkeling in het lichaam van de moeder.
Een ander beeld van de bevruchting
In het beeld van het pre-conceptioneel attractiecomplex is geen plaats voor een race waarbij de eerste zaadcel wint (“survival of the fittest”), en het is ook niet zo dat de zaadcel de eicel binnendringt, want de celwanden fuseren. In deze lezing is er geen race en geen agressie. Beide cellen zijn gelijkwaardig en hebben elkaar nodig. De bevruchting is een geleidelijk proces, waarin beide cellen elkaar klaarmaken voor een fusie.
Dat staat tegenover een lang gangbare voorstelling. In oudere schoolboeken en populaire teksten wordt de zaadcel vaak als actieve veroveraar beschreven en de eicel als passief doel. De nauwkeuriger beschrijving van capacitatie, acrosoomreactie en zonareactie laat zien dat de eicel en haar omgeving in elke stap mee bepalen wat er gebeurt.
Vereniging
Op de vorige pagina is beschreven dat eicel en zaadcellen elkaars tegenovergestelde zijn. Dat beide cellen elkaar aantrekken, is dan ook niet verwonderlijk. Dat wat de eicel is, zijn de zaadcellen niet en omgekeerd. Als ze elkaar tegenkomen, kunnen ze hun eenzijdigheid oplossen met de eenzijdigheid van de andere cel. Wat gescheiden was, wordt verenigd.
Beide cellen zijn zo ver gespecialiseerd dat ze zich niet verder kunnen ontwikkelen. Alleen als ze elkaar ontmoeten, kan het samenkomen van beide eenzijdige specialisaties het beginpunt zijn van een nieuwe ontwikkeling.
Omkering
Gedurende het pre-conceptioneel attractiecomplex ligt er een eicel met haar cytoplasma en eromheen tientallen of honderden gestructureerde celkernen in de zaadcellen. De gebruikelijke voorstelling van een cel, waarin de kern in het midden ligt met het beweeglijke cytoplasma daaromheen, wordt zo omgekeerd. De kernen zitten nu aan de rand. Tegelijk vormt de cytoplasmabol van de eicel in deze fase het rustende centrum waaromheen wordt gedraaid door de beweging van de staarten van de zaadcellen. Normaal vindt bij een cel aan de rand interactie met de omgeving plaats, nu is daar de gesloten kwaliteit van de zaadcellen. Het complex is naar binnen gericht. Wie het als gestalte bekijkt, ziet in het pre-conceptioneel attractiecomplex de omkering van de normale verhoudingen in een cel.
Incarnatie
In de antroposofische benadering wordt dit spel van eicel en zaadcellen, met de omkering van de normale verhoudingen gedurende de uren van het attractiecomplex, gezien als een voorwaarde om het fysieke open te stellen voor het geestelijke. Volgens deze opvatting wordt er dan een ontmoeting met een mens voorbereid. Het kan in die traditie het moment zijn waarop de geestkiem van de nieuwe mens zich met zijn fysieke kiem verbindt: het moment van de incarnatie.
Bevruchting en incarnatie hoeven volgens deze zienswijze niet te lukken. Man en vrouw maken het kind niet, maar krijgen het.
Geen reproductie
Vergeleken met veel andere zoogdieren lijkt de voortplanting van de mens weinig efficiënt: de kans dat zaadcellen en een eicel elkaar op het juiste moment ontmoeten is klein, en na de bevruchting moet ook de innesteling nog lukken. In de biologische literatuur wordt de mens daarom wel een weinig efficiënte voortplanter genoemd.
In de antroposofische lezing is dat niet verwonderlijk. Daar gaat het bij de mens niet om reproductie of voortplanting, maar om de incarnatie van een individu. De ouders herhalen zich volgens deze opvatting niet in hun nakomelingen, maar scheppen de voorwaarden voor het verschijnen van een ander mens, die een eigen individualiteit is. Die gedachte loopt als een draad door de embryologie op deze pagina's.
Veelgestelde vragen
Waar vindt de bevruchting plaats?
De bevruchting vindt meestal plaats in het wijdste deel van de eileider, de ampulla, niet ver van de eierstok. De eicel is daar na de eisprong door de eitrechter opgevangen. Daarna wordt de bevruchte eicel langzaam naar de baarmoeder gevoerd.
Hoeveel zaadcellen bereiken de eicel?
Van de miljoenen zaadcellen bereiken er slechts enkele tientallen tot honderden de eicel. De meeste blijven onderweg achter barrières steken of gaan verloren. Van die laatste groep versmelt er uiteindelijk maar één met de eicel.
Wat is capacitatie?
Capacitatie is de verandering die zaadcellen onderweg in het vrouwelijk lichaam ondergaan. Stoffen aan het oppervlak van de kop worden verwijderd en de staart gaat krachtiger slaan. Pas daarna kan een zaadcel een eicel bevruchten.
Wat is het pre-conceptioneel attractiecomplex?
Zo heet de toestand waarin een eicel gedurende enkele uren door tientallen zaadcellen omringd is, met de koppen naar de eicel. Door het gelijkschakelen van de staartbewegingen kan het geheel gaan draaien. De embryoloog Jaap van der Wal heeft dit beeld uitgewerkt.
Wat is de acrosoomreactie?
Bij de acrosoomreactie verdwijnt het kapje over de kop van de zaadcel en komen de stoffen vrij die erin zitten. Daardoor kan de zaadcel door de zona pellucida heen. De reactie wordt in gang gezet door contact met de omhulling van de eicel.
Waarom kan er maar één zaadcel versmelten?
Direct na de versmelting met één zaadcel geven korrels onder het celmembraan van de eicel hun inhoud af. Daardoor verandert en verhardt de zona pellucida. Andere zaadcellen kunnen dan niet meer met de eicel fuseren.
Dringt de zaadcel de eicel binnen?
Nee, de celwanden van de eicel en één zaadcel versmelten met elkaar. Er ontstaat geen gat; de celwand blijft doorlopen en de inhoud van de zaadcel komt in de eicel terecht. In de fenomenologische lezing ontvangt de eicel de zaadcel.
Wat zijn voorkernen?
Na de versmelting liggen in de eicel twee kernen naast elkaar, een van de moeder en een van de vader, elk met 23 chromosomen. Ze heten voorkernen of pronuclei. Ze versmelten niet tot één kern, maar ordenen hun chromosomen meteen voor de eerste deling.
Wanneer deelt de zygote zich voor het eerst?
De eerste deling vindt ongeveer een dag na de versmelting plaats. Daarna volgen de delingen elkaar op terwijl het embryo door de eileider wordt gevoerd. Dat wordt beschreven op de pagina over de eerste week.
Hoe kijkt de antroposofie naar de bevruchting?
In de antroposofische benadering wordt de bevruchting niet alleen als biologisch proces gezien, maar ook als het moment waarop een geestelijke individualiteit zich met een fysieke kiem verbindt. Ouders maken het kind volgens deze opvatting niet, maar krijgen het. Dat is een manier van kijken, geen biologische bevinding.
