FENOMENOLOGIE

  Driegeleding bij zoogdieren




De leeuw is helemaal borstorgaan.
Het is het dier dat in zijn uiterlijke gestalte,
in zijn levenswijze,
het ritmische helemaal tot uitdrukking brengt.

Rudolf Steiner


waar11




leeuw



Muis - leeuw - koe






Op deze pagina worden drie gespecialiseerde groepen zoogdieren met elkaar vergeleken. Voor de knaagdieren wordt de muis als voorbeeld genomen, voor de roofdieren de leeuw en voor de hoefdieren de koe.


Gedrag

De muis

We lopen in het bos en ineens horen we wat geritsel tussen de bladeren, dat heel snel weer ophoudt. We zien niets. Of we gaan naar de stal en horen wat geschuifel of we gaan naar een rommelige zolder en ook daar horen we iets wegschieten, maar weer zien we niets. Maar als we wachten en stil zijn, zien we soms een muis die rondscharrelt en van een bes eet.

Hiermee zijn muizen al aardig gekarakteriseerd, we horen het geluid van iets dat wegschiet, maar we zien ze zelden. Wel vinden we sporen: vraatsporen, keutels en de geur van de urine.
Muizen zijn schichtige dieren, die bij verstoring onmiddellijk wegduiken naar een veilige schuilplek, veelal ergens onder, een holletje zijn onder de grond of onder de vloer.

Wanneer we het gedrag van een muis willen zien, dan moeten we onze toevlucht nemen tot een gevangen muis in een kooi. We zien dan een druk, actief dier dat steeds iets anders doet. Ze zijn voortdurend bezig, besnuffelen van alles en raken alles aan. Aangeboden speeltjes als draaimolens gebruiken ze korte tijd om daarna weer iets anders te doen. Ze eten meerdere keren per dag, waarbij opvalt dat ze hun voorpoten gebruiken en soms het voedsel meenemen om het ergens anders op te eten. Als we een onverwachte beweging maken, reageert het diertje schrikachtig. Soms zien we het dier niet, omdat het dan slaapt in zijn holletje. Ze slapen niet lang achter elkaar, maar wel vaak.

Samengevat zijn muizen zenuwachtige, gevoelige en licht verstoorbare dieren. Indrukken uit de omgeving leiden tot heftige, veelal schrikachtige reacties. Ze nemen veel waar en zijn met de zintuigen sterk naar buiten gericht.

grazende koeien
gehoornde runderen


De leeuw
De leeuw wordt de koning der dieren genoemd. Door luid te brullen, dat tot 16 km ver is te horen, maken ze hun heerschappij duidelijk.

Leeuwen leven in troepen van enkele mannetjes, enkele vrouwtjes en jongere dieren. Ze kunnen urenlang genietend in de zon of in de schaduw van een boom liggen luieren en slapen, de koppen en lichamen tegen elkaar aan en lui tegen en over elkaar hangend. Ze wrijven de koppen eens tegen elkaar en raken elkaar ‘liefdevol’ aan. Ze kunnen zo wel 20 uur per dag liggen en zijn dan volledig ontspannen. Welpen spelen met elkaar, een vreedzaam tafereel.

Plotseling kunnen enkele vrouwtjes dan een kudde prooidieren ontwaren. Ze beginnen met de jacht en kunnen een groep dieren (zebra’s, gnoes of andere hoefdieren) wel een uur lang in eendrachtige samenwerking achtervolgen en besluipen tot ze kans zien een dier van de kudde af te zonderen. Lukt dat, dan drukken sommige dieren zich in de vegetatie om de slotaanval vanuit verrassing in te zetten. Vanaf maximaal 30 meter wordt tenslotte de prooi van achteren of van opzij besprongen. Met de hoektanden worden luchtpijp of ruggenmerg en halsslagaders doorgebeten. Nadat de prooi is geveld, komen de mannetjes dichterbij en gaan als eerste eten. Grote brokken vlees van de prooi worden snel naar binnen gewerkt. De vrouwtjes moeten wachten tot zij klaar zijn, anders worden ze grommend weggejaagd. Na de vrouwtjes zijn de jongen aan de beurt. Bij de maaltijd is er veel onderlinge agressie. Na het eten gaan alle dieren naar een plas om een grote hoeveelheid water te drinken en daarna leggen ze zich ergens vreedzaam neer.

In de troep heerst weinig onderlinge strijd, binnen de groepen mannetjes en wijfjes heerst geen rangorde. Strijd ontbrandt eerst wanneer jonge mannetjes die jarenlang in aparte groepen leven, de heerschappij in de troep willen overnemen. De jonge mannetjes proberen dan op gewelddadige wijze de heersende mannetjes te verdrijven. Het gaat er dan hard aan toe. Wanneer ze de oude mannetjes hebben verdreven, moeten ze de vrouwtjes aan zich onderwerpen, ook dat gaat met agressie gepaard. Daarna doden ze soms alle jonge dieren en dekken de vrouwtjes. Dan pas zijn ze echt de baas.

We zien een afwisseling van rustig liggen en beweging tijdens de jacht en van vreedzaam samenleven en agressie. Vrede in de dagelijkse gang van zaken, agressie bij de strijd.

leeuwen - overzicht
leeuwen op jacht en bij de maaltijd


De koe
Wanneer we in de winter ’s morgens vroeg in een stal komen, staan alle koeien rustig te vreten of te herkauwen. Vanuit hun bek stijgt wat damp op en alleen het zachte geluid van het kauwen is hoorbaar. Sommige dieren kijken rustig naar je door de kop licht te heffen, ze reageren niet of nauwelijks. De ogen lijken niet helder naar buiten te kijken, maar lijken eerder dof naar binnen gericht. Ze gaan gewoon door met datgene waarmee ze bezig waren. De uiterlijke rust gaat gepaard met een grote spijsverteringsactiviteit.

In de zomer kunnen we de kudde in de wei zien, ook daar reageren ze nauwelijks op onze nadering en we zien dat de dieren lopend grazen of liggen te herkauwen. Slapend treffen we de dieren zelden aan. Per dag grazen ze 8 – 10 uur en evenveel tijd gebruiken ze om te herkauwen.

Vergeleken met de andere twee dieren is er bij dit kuddedier niet veel activiteit. Er is niet veel interactie, behalve dan de voortdurende kleine dreigingen en schermutselingen om de rangorde te bepalen en te bevestigen. Koeien besteden ongeveer 1 uur per dag aan sociaal gedrag. Ze likken bijvoorbeeld elkaars huid. Om de rangorde te bevestigen dreigen de dieren elkaar en dieren die laag in rang staan, gaan opzij voor dieren die hoger in rang staan.

Runderen zijn rustige, ingetogen dieren die veel tijd besteden aan voederen en aan het verteren van het voedsel.

huismuis - overzicht
etende huismuis


Vergelijking
De muis is met zijn zintuigen sterk naar buiten gericht: de lichtste verstoring wordt opgemerkt en levert een sterke reactie op. Reacties zijn veelal vluchtgedrag, ze verstoppen zich onder de grond in een holletje, waar ze ook slapen. Ze leven geheel in de omgeving en kunnen zich daar alleen van afsluiten door onder de grond te gaan.

De leeuw leeft in de afwisseling van rusten en jagen, van vrede en agressie. Er is afwisseling van spanning en ontspanning bij de achtervolging en de aanval: de gespannen ontspanning in de hinderlaag en het krachtig samentrekken van spieren in de slotaanval. Samenvattend: een voortdurend spel van uit het evenwicht vallen en weer in het evenwicht komen (Steiner, in GA 230).

Bij de koe is de waarneming meer naar binnen dan naar buiten gericht. Het dier is een groot deel van de dag bezig met vreten, herkauwen en het verteren van het voedsel. Waarnemen van de omgeving en daarop reageren (de speekselklieren in de kop zijn groter dan de hersenen) en gevoel (runderen hebben nauwelijks gezichtsexpressie) zijn veel minder ontwikkeld.


Lichaamskenmerken

Lichaamsbouw
Muizen zijn kleine dieren met een lange staart. Ze wegen 20 – 50 gram en het lichaam is zonder staart 7 - 10 cm lang, de staart is circa 7 cm. Opvallend is dat het lichaam op de staart na een geheel is, de kop gaat van de buitenkant gezien schijnbaar zonder hals over in de romp en ook de poten gaan op in de romp.

De lichaamshouding is gedrukt en het lichaam raakt in rust met de buik de grond aan, dat geldt ook voor de lange, behaarde staart. De rug staat bol, de ruggegraad loopt bij de muis erg bol en het lichaam is aan de achterzijde hoger gebouwd dan aan de voorzijde.

Leeuwen hebben een middelgroot, 120 -200 kg zwaar, soepel, beweeglijk lichaam met een lange staart. Ze maken vloeiende bewegingen en kunnen de rug krommen. De kop, die veel uitdrukkingsmogelijkheden heeft, staat met een hals op de romp en steekt boven de ruglijn uit. De voorhand is bij de mannetjes, ook door de manen, zwaarder gebouwd dan het achterlijf, bij de vrouwtjes is dat nauwelijks het geval. De staart is vrij lang. Het lichaam raakt de grond niet.

Koeien zijn vrij grote, tot 1,80 m hoge dieren met een massief, 650 kg zwaar lichaam. Ze staan hoog op hun poten, de romp zit ver boven de grond. De romp domineert. De kop zit met een enigszins slanke hals aan de romp en komt een beetje boven de ruglijn uit. Op de kop staan op het voorhoofd twee gebogen hoorns. De stier is door de schoft aan de voorkant zwaarder gebouwd. De koe is meer in evenwicht, de schoft ontbreekt en achteraan zit het uier.


Kleur van de vacht
De vacht van muizen is aan de bovenzijde bruin-grijs en aan de onderkant grijs-wit.

Leeuwen zijn lichtbruin, egaal gekleurd. De mannetjes hebben donkerbruin gekleurde manen. Aan het eind van de staart zit een zwart kwastje. De welpen zijn licht-bruin gevlekt, aan de onderzijde en de poten blijven de vlekken lang zichtbaar.

Runderen zijn van oorsprong donkerbruine tot zwart gekleurde dieren met een lichter gekleurde aalstreep over de rug. Rond de bek is er een witte of licht gekleurde ring. De meest gangbare Nederlandse rassen zijn zwart-wit of roodbruin-wit gevlekt.


Zintuigen
De grote ogen van de muis vallen als eerste op en verder hebben muizen grote oorschelpen en lange tastharen bij de bek. Deze tastharen nemen de lichtste trilling van de lucht al waar. Op de poten en het lichaam zitten veel tastlichaampjes, ook de staart is gevoelig. Ondanks de grote ogen zien ze niet zo goed, de oriëntatie gaat toch veelal via de reuk.

Leeuwen kunnen goed bewegende dingen zien, ook in het donker. Ze horen goed en hebben een voortreffelijke reuk.

Runderen kunnen goed zien. Ook op grote afstand kunnen ze dingen of personen herkennen. Ze zien ook kleuren. Horen, ruiken en proeven gaat goed.


Hart en longen
Hartslag en ademhaling van de muis zijn snel: ademhaling 160 x per minuut, hartslag 450 x per minuut.

Leeuwen hebben een relatief groot hart en grote longen. Ten opzichte van het lichaamsgewicht zijn ze 3x zo groot als bij een rund en een paard.


Ledematen
Bij de muis zijn de achterpoten sterker ontwikkeld dan de voorpoten. Ze staan soms op de achterpoten en gebruiken de voorpoten als handen om voedsel vast te houden. Ze lopen op het voorste deel van de voet.

De ledematen van de leeuw zijn middellang. Ze lopen op kussens van de vijf tenen (teenganger). De ledematen zin soepel. Ze lopen met een lenige, verende, soepele tred. Ze hebben veel spiermassa rond het skelet. Een leeuw bestaat maar voor 13% uit bot (paard: 20%).

De poten van de koe zijn lang en met name geldt dat voor de uiterste delen van de poten: de tenen zijn extra lang. Ze lopen op de hoeven, dat wil zeggen de nagels van twee tenen. Dat wat van de ledematen zichtbaar is zijn de onderarmen/benen en de vingers en tenen, de bovenbenen/armen zijn in het lichaam opgenomen. De tred is enigszins stijf en ze rennen moeizaam.


Voortplanting
Na een draagtijd van 3 weken bij de muis worden gemiddeld 10-12 naakte, blinde jongen geboren, die na 20 dagen al zelfstandig zijn. De jongen worden in een hol ter wereld gebracht. Er worden meerdere nesten jongen per jaar geworpen.

De leeuwin zoekt voor het werpen van de jongen een geschikte plaats uit de buurt van de troep, die bescherming biedt tegen vocht, zonlicht en tocht. Na een draagtijd van 110 dagen worden 2 – 4 gevlekte en blinde welpen geboren. De ogen gaan na 1 week open. Als de welpen kunnen lopen, kunnen er families worden gevormd van enkele leeuwinnen met hun jongen. Na 8 weken gaan moeder en welpen terug naar de troep.

Bij koeien wordt er na een draagtijd van 9 maanden 1 kalf geboren, dat direct kan lopen. In het wild wordt er op een afgelegen plaats een nest gemaakt waar het kalf enkele dagen blijft liggen. De koe gaat er enkele keren per dag heen om het kalf te zogen.


Voedsel
Muizen eten zaden en noten: hoogwaardig voedsel met een hoge concentratie zetmeel of vet. Het voedsel wordt soms meegenomen om elders op te eten. Ook worden er voedselvoorraden aangelegd.

Leeuwen eten tot 30 kg vlees per keer van grote prooidieren. Ook aas en kleinere hoefdieren worden gegeten.

Koeien eten gras en kruiden door de tong om een polletje gras heen te slaan en het los te trekken. Ze eten alleen lang gras en kunnen geen kort gras afbijten, zoals paarden. Gras is een laagwaardig, moeilijk af te breken, energiearm voedsel. Koeien eten tot 50 kg vers product per dag en ze drinken tot 100 l water per dag.


Spijsvertering
De muis heeft een relatief grote maag en een kort maag-darmkanaal van 8 x de lichaamslengte. De blinde darm is groot. De speekselklieren zijn relatief groot, wat met het droge voer te maken heeft. Ze produceren droge keutels, die (afgezien van de hoeveelheid) nauwelijks bruikbaar zijn als mest.

Leeuwen hebben een kort spijsverteringskanaal van slechts 7 meter of 4 x de lichaamslengte. Het verteren van vlees vraagt een krachtige spijsvertering met sterke maagsappen, maar de vertering gaat snel en het voedsel kan snel worden opgenomen. De mest stinkt en heeft weinig bemestende waarde.

Het moeilijk verteerbare voedsel van de koe gaat naar eerst de pens, waar het enige uren wordt verteerd door micro-organismen, met name wimperdiertjes. Daarna wordt het naar de bek omhoog gestulpt om herkauwd te worden en gaat het weer terug naar de pens. Pas als het voldoende is afgebroken wordt het in porties doorgelaten naar de netmaag.
Het spijsverteringskanaal is 50-60 m lang, 25 x de lengte van het dier. De koe heeft vier magen, de pens, de netmaag, boekmaag en lebmaag. De lebmaag komt overeen met onze maag en de andere drie magen zijn uitgroeisels van de slokdarm. De mest is enigszins vochtig en vruchtbaar.


Gebit
Het gebit van de muis wordt gedomineerd door vier lange, beitelvormige snijtanden, die afslijten bij het “knagen” en voortdurend aangroeien. Hoektanden ontbreken, de plooikiezen zijn groot en hebben dwarse groeven. De kauwbeweging is voor – achter.

In het gebit van de leeuw domineren lange hoektanden. De snijtanden zijn klein en de knipkiezen hebben een spitse punt en neigen naar de vorm van hoektanden. De bijt- en kauwbeweging is loodrecht op elkaar, het vlees wordt afgescheurd.

In het gebit van de koe domineren grote plooikiezen, waarin de plooien in de lengterichting staan. Hoektanden en de snijtanden in de bovenkaak ontbreken. De kauwbeweging is zijwaarts.


kenmerk muis leeuw koe
hersenen 3,2 ‰ 0,2 ‰ 0,07 ‰
longen 1,7 ‰ 2,1 ‰ 0,7 ‰
hart 6,5 ‰ 5,4 ‰ 4,3 - 5 ‰
darmlengte 8 x 4 x 25 x
skelet 8 % 13 % 18 %

Enkele gegevens van muis, leeuw en koe (in % of ‰ van het lichaamsgewicht, bij darm lengte t.o.v. de lichaamslengte)


Karakteristiek

De muis

Muizen hebben grote zintuigen en relatief grote hersenen. Ze doen steeds iets anders en alles maar kort, ook slapen doen ze in verschillende keren kort op een dag. Hart en longen gaan snel. Het dier trilt en voelt zenuwachtig. Muizen leven vanuit hun zenuwen. Het zenuw-zintuigstelsel heeft het gehele lichaam doordrongen.

De blinde darm is belangrijk voor de vertering van het voedsel. In het gebit domineren de snijtanden. Muizen slaan voedsel niet in zichzelf op door vet te vormen, maar ze leggen buiten zich voorraden aan.


De leeuw
De leeuw heeft relatief grote longen en een goed ontwikkeld hart. Ze gaan speels en liefdevol met elkaar om en gedragen zich op andere momenten agressief tegenover elkaar gedragen. De gelaatsexpressie in het middengebied van het gezicht speelt een belangrijke rol bij de sociale omgang. Het is een dier dat vanuit het gevoel opereert.

In het gebit domineren de hoektanden. Het voedsel wordt snel verteerd en vormt geen belasting voor het lichaam (zoals bij de koe, die het slecht verteerbare voedsel herkauwt). Ook het waarnemen vormt geen belasting (zoals bij de muis, die op iedere prikkel reageert). Bij de koe wordt de bloedcirculatie zwaar, bij de muis wordt (evenals bij vogels) de ademhaling nerveus (zie Steiner, GA 230). Bij de leeuw bestaat er evenwicht tussen ademhaling en bloedcirculatie. Ademhalingsfrequentie en het ritme van de hartslag houden elkaar in evenwicht, zijn harmonieus.


De koe
De koe heeft een lang darmkanaal en is volledig gericht op de spijsvertering. De stofwisseling bevindt zich door het herkauwen en de vanuit de slokdarm gevormde pens voor in het lichaam. Bij de muis achterin (de blinde darm), bij de leeuw in het midden (de maag). In het gebit domineren de kiezen.

Runderen nemen veel laagwaardig voedsel op, waarmee ze een groot lichaam opbouwen. Om de cellulose om te zetten in melk en vlees is veel kracht in de spijsvertering nodig. Het dier verbindt zich intensief met de stoffen en krachten van de aarde. Runderen stoppen veel doorzettingsvermogen of een sterke wil in hun spijsvertering. De ledematen zijn lang en gespecialiseerd, door de reductie van het aantal stralen van de hand en voet. Het aandeel van het skelet in het gewicht is aanzienlijk.


Deze dieren als huisdieren
Met dieren uit de drie groepen heeft de mens een verschillende relatie. Hond en kat zijn huisdieren, dieren die in huis komen en waar mensen van houden. Koe, paard, geit en varken worden ook als huisdier gehouden, maar in de stal. Het zijn landbouwhuisdieren, die voornamelijk nuttig zijn. Muizen en ratten worden als huisdier in een kooitje gehouden, maar mensen hebben er ook last van, het zijn dieren die ongewenst het huis binnen komen.

  • Knaagdieren zijn dieren die schade veroorzaken
  • Roofdieren zijn dieren die in huis komen en waar de mens van houdt 
  • Hoefdieren zijn dieren die in de stal komen en voor de mens nuttig zijn

Conclusies
  • De muis leeft in de buitenwereld, heeft over het hele lichaam zintuigen, neemt veel waar, reageert daar heftig op en kan zich er moeilijk voor afsluiten. De nadruk ligt op het waarnemen en het zenuw-zintuigstelsel, ofwel het is een zenuw-zintuigdier of denkdier.
  • De leeuw leeft in de afwisseling van rust en agressie. Het dier leeft vanuit het ritme en het hart-longstelsel heeft zich sterk ontwikkeld. Het is een hart-longdier of gevoelsdier. Het ritme komt ook tot uiting in de vlekken van de vacht van de welpen.
  • De koe leeft in de krachtige spijsvertering en stofopbouw en heeft de ledematen gespecialiseerd. Het stofwisseling-ledematenstelsel is goed ontwikkeld en het is een stofwisseling-ledematendier of wilsdier.

  • Het zenuw-zintuigdier is het kleinste dier. Zenuwactiviteit en naar buiten gericht zijn vragen veel energie, het hoogwaardige voedsel wordt snel in activiteit omgezet.
  • Het stofwisseling-ledematendier is het grootste dier. Het laagwaardige voedsel wordt omgezet in lichaamsmassa. Het dier is niet erg wakker en ingekeerd, het voedsel wordt voor lichaamsopbouw gebruikt.
  • Het hart-longdier neemt tussen beide een tussenpositie in.

eigenschap muis leeuw koe
gedrag schrikachtig, nerveus rust en agressie rustig, ingekeerd
lichaamsgrootte klein middel groot
lichaamskenmerken rond, geen hals, bij de grond soepel stijf, lang, lange poten, ver van de grond
kleur lichtbruin, lichte onderzijde bruin, jongen gevlekt donker, egaal, lichte aalstreep
zintuigen tast, overal zintuigen reuk, zicht en gehoor reuk, smaak
hart en longen snelle hartslag en ademhaling groot hart en grote longen relatief klein
spijsverteringskanaal eenvoudig, grote blinde darm kort, maag is belangrijk lang, vier magen, pens, herkauwen
lengte t.o.v. lichaam 8 x 4 x 25 x
voedsel hoogwaardig, plantaardig dierlijk laagwaardig, plantaardig
mest droge keutels stinkend vochtig, vruchtbaar
gebit (nadruk) snijtanden hoektanden kiezen
kauwrichting voor-achter op en neer zijwaarts
ledematen kort soepel extra lang
loopt op voorvoet op de bal van de voet op twee nagels van tenen (hoeven)
jongen naakt en blind, ondergronds behaard, blind, in nest behaard en ziend
karakteristiek 1 zenuw-zintuigdier hart-longdier stofwisseling-ledematendier
karakteristiek 2 denkdier gevoelsdier wilsdier

  Eigenschappen van muis, leeuw en koe


Polariteit van functioneel stelsel en zwaartepunt lichaam
Er bestaat een polariteit tussen de activiteitenpool en het zwaartepunt van het lichaam. Bij de muis ligt de nadruk op het zenuw-zintuigachtige. Het hele lichaam staat in dienst van dit functionele stelsel. Het centrum van dit stelsel zetelt in het hoofd, het zwaartepunt van het lichaam ligt juist achteraan, waar het dier hoger is gebouwd en bij de lange staart.

Bij de koe en nog meer bij de stier is het lichaam vooraan zwaarder en zit de meeste activiteit in het achterlichaam, waar het stofwisseling-ledematengebied zetelt.

De leeuw neemt een middenpositie in. Het lichaam is meer uitgebalanceerd, voor- noch achterpool is vergroot.




















veldmuis
Veldmuis: witte onderkant













leeuw
Mannetje leeuw met donkere manen


leeuwin
Een leeuwin






koe
Koe met hoorns


rund
Oerrund: donker met een lichte aalstreep










huismuis
Huismuis: achteraan hoger en nauwelijks een nek zichtbaar


welp
Een gevlekte welp



muis
Huismuis: grote ogen en oren






hoeven
De twee hoeven van een koe













muis
Huismuis met zijn plantaardige voedsel


leeuwen
Leeuwen eten van een zebra




schedels
Schedels en gebitten van een knaagdier (eekhoorn), roofdier (kat) en hoefdier (koe)











Leeuwen op jacht



Een groep rustende leeuwinnen




Een leeuwin op jacht




Skelet van een huismuis, loopt op de voorvoeten


Skelet van een leeuw, loopt op de tenen


Skelet van een koe, loopt op hoeven













































Foto's van het internet, afbeelding gebitten uit Rohen, skeletten uit Kranich
   Homeopathie & EFT Vorige   Volgende Tom van Gelder