
De
mens
Specialisatie
De
mens
wordt als een weinig gespecialiseerd zoogdier gezien. Als de
belangrijkste
eigenschappen of specialisaties worden gezien:
- het
rechtop lopen,
- het
gebruik van gereedschappen,
- de
spraak en
- het
zelfbewuste denken.
Verhulst wijst er
echter op dat deze eigenschappen juist zijn ontstaan
omdat de
mens zich niet specialiseert. Ze zijn het gevolg van het behouden van
de
foetale lichaamsvorm en de lange embryonale en juveniele
ontwikkelingstijd
(Verhulst, Der Erstgeborene). Organen en lichaamsdelen die embryonaal
laat
ontstaan, hebben door die lange ontwikkelingstijd veel tijd om te
groeien en zich
te ontwikkelen.
Voorbeelden van het behoud van foetale vormen zijn:
- de
ronde schedelvorm
- de
ingehouden ronde onderkaak
- de
ronde, gesloten tandenlijn
- de
spaarzame beharing.
Voorbeelden van de
lange ontwikkelingstijd zijn:
- de
lange benen ten opzichte van de armen
- de
lange bovenarmen en de nog langere bovenbenen (de benen ontstaan later
dan de
armen en de bovenarmen en –benen ontstaan later dan de
onderarmen en –benen)
- de
grote grote teen
- de
grote omvang van de neocortex van de grote hersenen
- het
laagliggende strottenhoofd.
Ontwikkelingen als
deze hebben eigenschappen als het rechtop lopen, de
bevrijde
handen, de spraak en het denken tot gevolg gehad.
Leren
Daar komt bij dat de mens alles moet leren, terwijl het
dier veelal uit
instinkt handelt. Het leervermogen van zoogdieren is groter dan van
reptielen
en van de mensapen is dat veel groter dan van andere zoogdieren. Het
leervermogen van de mens gaat daar nog ver bovenuit. Bijna alle dieren
kunnen direct
na de geboorte al lopen, maar een baby leert te lopen door volwassenen
na te
bootsen. Dit geldt in het algemeen door alles wat een kind leert en het
geldt
ook voor de spraak en de taal. Dat laatste is ook handig, daardoor
leren Japanse
kinderen Japans en Nederlandse kinderen Nederlands.
De mens wordt bij de zoogdieren gerekend, maar er is ook veel voor te
zeggen de
mens in een eigen klasse te plaatsen, juist omdat de mens geen
specialisaties
heeft en zich daardoor onderscheidt van de zoogdieren, hoewel hij er
ook veel
eigenschappen van heeft.
Omgeving
Mensen komen over de gehele aarde voor: vanaf de tropen
tot de poolstreken,
vanaf zeeniveau tot in het hooggebergte. We leven zowel in kale
gebieden en woestijnen
als in waterrijke open gebieden en in het dicht beboste oerwoud. De
mens kan overal
leven omdat hij de omgeving aan zichzelf en zijn behoeften aanpast.
Moerassen
worden drooggelegd, bos wordt gekapt, maar ook doordat hij kleding
draagt en huizen
bouwt. Verder past hij zijn activiteiten aan zijn omgeving aan.
De mens is in de keuze van zijn omgeving in hoge mate flexibel en heeft
zich niet
aan een bepaalde omgeving aangepast, hij is hierin (in tegenstelling
tot de
zoogdieren) ongespecialiseerd.
Lichaamsbouw
– algemeen
De mens heeft als meest opvallende kenmerk dat hij
tweevoetig is en geheel
rechtop staat. Alle gewrichten: atlas en draaier in de hals, schouders,
heupen,
knieën en enkels liggen in een vlak. Ook opvallend zijn het
kleine, ronde hoofd
en de lange ledematen, met name de benen zijn extreem lang. Doordat de
mens
tweevoetig is, heeft hij zijn handen niet nodig voor de voortbeweging
en zijn
ze ter beschikking om gereedschap te gebruiken. De opponeerbare duim
maakt de
handen daarvoor bij uitstek geschikt.
Opvallend is het grotendeels ontbreken van beharing, de mens kan mede
daardoor
goed zweten en heeft daar de mond niet voor nodig. Zo kan de mond
bijvoorbeeld
worden gebruikt om te spreken.
Zintuigen
Van de zintuigen zijn vooral de ogen en het gehoor goed
ontwikkeld. De ogen
staan aan de voorzijde van het gezicht en kunnen goed stereo kijken en
daarmee
diepte en afstanden zien. Kleuren worden goed onderscheiden. Het gehoor
heeft
het vermogen woorden en taal waar te nemen en te verwerken. Zonder het
gehoor
zouden de cultureel belangrijke verbale en schriftelijke communicatie
niet
mogelijk zijn. Ook de ogen spelen bij de communicatie een belangrijke
rol,
namelijk bij alles wat non-verbaal is. Dat wil niet zeggen dat allerlei
zoogdieren niet beter kunnen horen of een groter bereik hebben.
Geur en smaak zijn bij de mens minder goed ontwikkeld. Dat heeft als
voordeel
dat het handelen van een mens minder door zijn waarnemingen wordt
bepaald. Reuk
heeft een directe verbinding met de hersenen en snelle reflexachtige
acties
zijn het gevolg. Een hond wordt door zijn reuk geregeerd. De mens kan
zijn
vermogen om te analyseren tussen de waarneming en zijn reactie plaatsen.
Hersenen
Het hoofd van de mens is klein ten opzichte van zijn
lichaam. De schedel is
rond, toch zijn de hersenen groot (circa 2% van het lichaamsgewicht,
zoogdieren
van gelijk gewicht komen op maximaal 0,7%). Met name de grote hersenen
zijn
groot. Daar is met name de neocortex ver uitgegroeid. Hiermee
samenhangend zijn
de mogelijkheden om te leren vergroot. Mensen kunnen hun leven lang
leren. Ook
het abstracte zelfstandige denken en het zelfbewustzijn worden door de
neocortex
mogelijk.
Ademhaling
De ademhaling gaat zoals bij zoogdieren. Het bijzondere
van de menselijke
ademhaling is dat deze onafhankelijk is van de beweging van de
ledematen. Een
mens kan zijn ademhaling vrij kiezen, dieren niet. Een mens kan een
ademhaling
doen per 1, 2 of 3 stappen. Bij dieren in draf of galop is er iedere
stap een
ademhaling, de beweging van de poten drukt de lucht uit de longen.
Afhankelijk
van zijn inspanning kan een mens zijn ademhaling variëren.
Daardoor kan een
mens iedere snelheid en inspanning kiezen. Zie Verhulst.
Een tweede kenmerk is dat de ademhaling niet wordt gebruikt om warmte
af te
staan. Dieren hijgen als het warm is of liggen met de bek open. De mens
heeft
zweetklieren die alleen vocht afscheiden, waardoor hij warmte kan
afstaan. Zweetklieren
van zoogdieren scheiden ook altijd geurstoffen af.
De menselijke ademhaling is bevrijd van zijn gebondenheid aan de
snelheid van
de voortbeweging en de warmteregulatie. Daardoor kan de ademhaling
andere
functies dienen, namelijk de spraak en als afgeleide daarvan de zang.
Bloedsomloop
Geen vermeldenswaardige gegevens gevonden.
Spijsvertering en
voedsel
Een
mens kan alles
eten, er zijn (bijna reine) vis- en vleesetende mensen en er zijn pure
vegetariërs, beide kan en alles wat er tussen zit. Mensen zijn
in staat om
allerlei voedsel te eten en daarvan in leven te blijven. Onder de
zoogdieren
zijn alleseters, maar deze dieren moeten
alles eten. Dat is het verschil met de mens, die kan
alles eten, mits er voldoende voedingsstoffen in zitten.
Voortplanting
Het belangrijkste verschil van
de voortplanting van de mens met
de zoogdieren is dat hij langzaam gaat. De draagtijd van het embryo is
met 9
maanden extreem lang ten opzichte van het lichaamsgewicht. Daarna
volgen de
lange leer- en ontwikkelingstijd in de jeugd. De geslachtsrijpheid
treedt bovendien
laat op. Aan het eind van het leven is er nog een lange
post-reproductieve
fase, iets wat bij dieren nooit voorkomt. Alle dieren sterven terwijl
ze nog
vruchtbaar zijn.
Een ander verschil is dat liefde en seksualiteit zijn losgekoppeld van
de
voortplanting.
Voortbeweging
De mens beweegt zich op twee benen voort. Staan kost
een mens nauwelijks
meer energie dan zitten. Een mens gebruik om te staan maar 7% meer
zuurstof dan
om te liggen, voor dieren is dit veel meer, omdat zij spierarbeid
moeten
verrichten om hun kop en hals en hun rug en ledematen gestrekt te
houden. Als
tweevoeter is hij goed in evenwicht. De mens heeft daarmee de zwaarte
van de
zwaartekracht voor het grootste deel overwonnen.
Door het staan heeft hij de armen en handen vrij om andere dingen te
doen, we
kunnen met de handen allerlei dingen maken.
Conclusie
De
mens onderscheidt
zich van de zoogdieren doordat hij:
- Op
twee benen loopt.
- Bij
het staan nauwelijks meer energie gebruikt dan bij zitten.
- Kan
praten en taal kan verwerken.
- Over
zichzelf kan denken en zelfbewustzijn heeft.
- Zich
overal kan vestigen en de omgeving aan zichzelf kan aanpassen.
- Een
lange embryonale en jeugdontwikkeling doormaakt en een lang
post-reproductief
leven heeft.
- Alles
moet leren.
- Verregaand
ongespecialiseerd is en alles kan doen.
Dit alles maakt dat een mens
vrij op de aarde staat en daar net zo
moeiteloos in
evenwicht is als een vis in het water.